Ideeën genoeg, maar Flevoland blijft de enige provincie zonder museum voor beeldende kunst. Het nieuwste plan, Kunstmuseum Flevoland, is meegesleurd in de val van de Floriade. Wat is er mogelijk met de plekken waar wél kunst te zien is in de stad?
‘Het lijkt zo makkelijk: maak hier een stad. Gewoon wat huizen, bomen, wegen, mensen’, dichtte Maria van Daalen in 2012 over Almere. Met 225 duizend inwoners is Almere inmiddels de achtste stad van Nederland, tussen Breda (9) en Tilburg (7) in. In 2030 moeten dat er 350 duizend zijn. Toch heeft Almere geen museum voor beeldende kunst. Onlangs werd het zoveelste museumplan door de gemeente en de provincie in de ijskast gezet: Kunstmuseum Flevoland, dat wilde mikken op 200 duizend bezoekers per jaar, maakt de komende jaren geen kans. Waarom lukt het telkens niet?
Aan papieren musea heeft Almere geen gebrek. Wie krantenarchieven doorzoekt, komt al sinds de jaren negentig een stroom van adviezen, rapporten en plannen tegen. Een greep: er zou een museum in het centrum komen als onderdeel van een cultuurstraat, vervolgens moest er een Wereldmuseum voor niet-westerse kunst komen, toen een kunsthal, Site geheten. Later ging het over een Museum De Stad, daarna een Hectare Cultuur en toen toch een Museum Almere.
Al deze fantasiemusea, meestal verzonnen door ervaren kunstbobo’s (onder wie Rudi Fuchs, Wim Pijbes en Patrick van Mil), kwamen er niet. Soms werd een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd en het plan ‘niet rendabel’ bevonden, op die manier sneuvelde bijvoorbeeld het Wereldmuseum. Vaker lijkt het alsof het ene plan zomaar werd ingewisseld voor een volgend plan, als een eindeloze verzin-een-museum-estafette. Op voorgaande plannen werd amper voortgebouwd: het museum moest telkens opnieuw worden uitgevonden.
Maar mogelijk nóg absurder is dat er al een museum in Almere was, terwijl alle bovenstaande plannen werden gesmeed. Tussen 1994 en 2013 had Almere een kunstmuseum, museum De Paviljoens. Het was ooit neergezet als een tijdelijk museum, het zou tien jaar bestaan, want dan verwachtte men een ‘permanent museum’. Het museum, op zes minuten loopafstand van Station Almere Centrum, maakte zich met zijn spannende programmering geliefd bij de kunstpers.
Hier was kunst te zien van onder anderen Hans Aarsman en Rineke Dijkstra, maar ook van buitenlandse kunstenaars als Damien Hirst en Meschac Gaba. Er kwamen zo’n 15 duizend bezoekers per jaar, van wie zo’n zevenduizend kinderen voor de educatieve activiteiten. In 2005 won het museum een oorkonde voor ‘beste museum’ van kunstcritici-vereniging AICA. De Paviljoens beheerde twee van de grote landschapskunstwerken van Flevoland.
Maar de verhouding met de gemeenteraad was moeizaam. Waar Almere in de jaren tachtig nog een rode stad was (met de PvdA als grootste), maakte de jonge stad vanaf de jaren negentig een stevige ruk naar rechts: in 1998 werd de VVD de grootste en in 2010 de PVV. Raadsleden vonden het museum te weinig toegankelijk, te highbrow. Dat sentiment leeft nog steeds, blijkt als voormalig provinciaal gedeputeerde Michiel Rijsberman (D66) in een telefonische reactie zegt: ‘In kunstkringen werd De Paviljoens hoog aangeschreven, maar ik denk dat de gemiddelde Almeerder nog niet eens wist dat het bestond.’
Toch kwamen in 2007, toen een VVD-cultuurwethouder het museum wilde korten, alle acht voormalige cultuurwethouders in verzet. Zij schreven dat het ‘desastreus’ was om het museum voor hedendaagse kunst te verliezen ‘voor het culturele klimaat in Almere en Flevoland’. Het verzelfstandigde museum redde zich uiteindelijk nog tot 2013, de kunstbezuinigingen van Rutte I werden het museum fataal. Een groot deel van de collectie werd door de stichting geschonken aan andere Nederlandse musea. De gemeentelijke kunstcollectie moest door een nieuwe organisatie worden beheerd.
Er kwam een vervolg op De Paviljoens. In het kolossale modernistische Kunstlinie-gebouw aan het Weerwater in het centrum van Almere is naast een Schouwburg met drie zalen een grote expositieruimte van 800 vierkante meter. Daar worden sinds 2017 tentoonstellingen georganiseerd. Vorig jaar werd De vaandeldrager van Rembrandt hier geëxposeerd. Het schilderij was op tournee langs alle Nederlandse provincies, en aangezien Flevoland de enige provincie zonder museum voor beeldende kunst is, kwam de kunsthal van Kunstlinie in aanmerking.
Over de auteur
Anna van Leeuwen is kunstredacteur bij de Volkskrant. Ze schrijft over tentoonstellingen, musea, kunstenaars en de kunstmarkt.
Inmiddels weten jaarlijks zo’n 15 duizend bezoekers deze kunsthal te vinden, vertelt directeur Adriana Strating: ‘Op termijn streven we naar 40 duizend bezoekers.’ Gezien de beperkte collectie zoekt Kunstlinie voor exposities ook samenwerking met andere musea, zo is er al contact met het Rijksmuseum in Amsterdam en met Stedelijk Museum Schiedam.
Waar het in de jaren negentig en nul vooral kunstbestuurders waren die museumplannen mochten schrijven, besteedt de gemeente die taak tegenwoordig deels uit aan adviesbureaus. Bij Kunstmuseum Flevoland zijn er inmiddels al minstens vier betrokken. In 2018 maakte een Amsterdams adviesbureau een rapport. Het bureau zag kansen voor een museum (werktitel: Tomorrow Art) in een ‘iconisch gebouw' voor grootschalige multimediale kunst. Daar zouden dan zo’n 200 tot 250 duizend mensen op af komen vanwege de ‘bovenregionale aantrekkingskracht’. Buitenlandse toeristen zouden er Amsterdam voor verlaten.
Eerdere museumplannen worden niet genoemd in het rapport, ook Museum De Paviljoens komt niet aan bod. Kunstlinie wordt genoemd tussen haakjes in een opsomming over het ‘ecosysteem’ waar het ‘iconische museum’ Tomorrow Art deel van gaat uitmaken.
Op basis van dit rapport werd in 2020 Denise de Boer aangenomen als ‘kwartiermaker’ voor Kunstmuseum Flevoland, zij was voorheen adjunct-directeur van het Frans Hals Museum in Haarlem. Met gebundelde krachten werken het Rijk, de provincie en de gemeente inmiddels aan plannen voor ‘Almere 2.0’, en daar is een flinke pot geld voor beschikbaar. De opdracht aan De Boer luidde: ‘Creëer een museale voorziening waar op termijn 200 duizend bezoekers per jaar gebruik van maken.’ Als startkapitaal werd er 13 miljoen euro voor gereserveerd.
Geen gemakkelijke opdracht, dat had De Boer meteen door, vertelt ze: ‘Normaal gesproken ontstaat een museum vanuit een collectie, niet vanuit een grootstedelijke opgave om een stad aantrekkelijker te maken.’ Ze werkte het museumconcept uit 2018 verder uit. Het zou in Kunstmuseum Flevoland gaan om grote kunstwerken, ‘immersieve kunst’, kunst om de bezoekers heen dus. ‘Dat past bij de traditie van landschapskunst in Flevoland en het is toegankelijke kunst. Dat is belangrijk, want de meeste mensen in Almere zijn jong en praktisch opgeleid.’ Het museum zou ook een nachtclub en een kunstdoolhof krijgen. De Boer voerde kennismakingsgesprekken met Nederlandse musea die grote kunstwerken in hun depots hebben opgeslagen. ‘Er was grote bereidheid om samen te werken.’
Verder bedacht De Boer dat er een pilotmuseum moest komen: Kunstpaviljoen M. (‘alvast de eerste letter van museum’). Het opvallende ronde paviljoen van het Rotterdamse architectenbureau Studio Ossidiana kreeg een plek op het Floriade-terrein, in het Weerwater. De Volkskrant schreef bij aanvang van de Floriade: ‘Het ronde kunstpaviljoen, met schelpen in de vloeren en boomstamvormige kolommen, dat je onderdompelt in natuurprojecties en -geluiden, is een van de weinige wauw-momenten van deze Floriade.’
Uiteindelijk heeft de desastreus verlopen Floriade Kunstmuseum Flevoland in zijn val meegesleurd. De gemeenteraad wilde zich niet aan een volgend ambitieus plan committeren. In een raadsvergadering van september vorig jaar vroeg PVV-fractievoorzitter Toon van Dijk zijn mede-raadsleden ‘Waarom bent u van plan diezelfde fout nog eens te maken?’ Raadslid Ellen van de Baan van de SP sloot zich daarbij aan. ‘Moeten we ons meteen in het volgende debacle storten?’ De pas aangetreden cultuurwethouder Kees Ahles van Leefbaar Almere probeerde de raad gerust te stellen, zij mochten besluiten of ze met de plannen door wilden gaan. ‘Binnenkort ontvangt u de businesscase.’
Die businesscase, een rapport van drie adviesbureaus uit Haarlem, Den Haag en Rotterdam, was opvallend optimistisch over de haalbaarheid van Kunstmuseum Flevoland. Het sprak over een ‘basisscenario’ van 140 duizend bezoekers per jaar, dat zou dus het minimum zijn, en een ‘amibitiescenario’ van 200 duizend.
Ter vergelijking: 140 duizend bezoekers ontving het Maastrichtse Bonnefantenmuseum in 2019 (dus voor corona). Dat museum heeft een geschiedenis die teruggaat tot eind 19de eeuw, met een eigen collectie en gelegen in een zeer toeristische historische stad. Een opmerkelijk hoge inschatting dus. Maar waar de raad vooral van schrok: de hoge kosten voor Kunstmuseum Flevoland. De bouw van het museum zou 63,5 miljoen euro gaan kosten, de exploitatie minstens 6 miljoen euro per jaar.
Dat de gemeenteraad hiervoor terugschrok, begrijpt Ahles, vertelt hij: ‘Het Rijk had willen investeren in het gebouw, daar heb ik wel vertrouwen in, maar de lasten voor de exploitatie zouden primair voor de gemeente zijn.’ Uiteindelijk stelde de wethouder zelf voor om de stekker uit het plan Source: Volkskrant