Home

Bij tweede lezing blijkt het nieuwe boek van Esther Gerritsen tóch briljant (●●●●●)

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Esther Gerritsen De halve mensheid is in Gebied 19 naar een andere planeet verhuisd, Tomas bleef achter. Moeilijk te geloven? Wie in ongeloof blijft hangen, mist de diepzinnigheid van Gerritsens ideeënroman. Die nota bene gaat over ongeloof.

Moeten we dit geloven? Er komt een moment, als je de roman Gebied 19 van Esther Gerritsen leest, dat je je hakken in het zand zet. Aan het begin ga je nog wel mee, wanneer een 51-jarige man op de ochtend na zijn huwelijk wakker wordt zonder zijn vrouw naast hem (en elders in huis is ze ook al niet), als hij vervolgens op straat constateert dat het vreemd rustig is, en als ‘zeker de helft’ van de wereldbevolking ‘weg’ blijkt te zijn. Openingszetten die ook wat opschorting van het ongeloof vergen, maar als je daartoe al niet bereid was, had je niet aan de roman hoeven beginnen.

Maar: als hond Toto het op een rennen zet, de hoek om, een Amsterdams buurthuis in waar Tomas nog nooit is geweest, maar waar wel pardoes het antwoord op de raadselachtigheid voor het oprapen ligt? Een hond die zo verhaaltechnisch voordelig naar de juiste locatie loopt – moeten we dat geloven?

Nou, vooruit. Tomas’ verdwenen vrouw Suzanne kwam weleens in dat buurthuis, zo blijkt. En je kunt het literaire argument aanvoeren dat Toto ook al de naam was van het hondje dat Dorothy in The Wizard of Oz het avontuur in trok. Maar wat vooral helpt om in de literaire constructie te geloven: Tomas is net zo ongelovig als de lezer, over de grote verdwijning. Hij verbaast zich over de tekst op televisie: ‘Als u dit leest, bent u achtergebleven. U kunt uw leven geheel naar eigen wens vormgeven, de door u gekende overheid is vertrokken.’ En over het complete gebrek aan verbazing bij de andere achterblijvers, kennelijk heeft hij onder een steen geleefd.

Zoals dat gaat in sciencefictionverhalen, wordt langzaamaan duidelijk wat er aan de hand is. De halve mensheid is ‘verplaatst’ naar een andere planeet, die bijna identiek is aan de aarde. Wie niet uitverkoren is om mee te gaan, was kennelijk niet ‘nodig’ in die nieuwe, net iets betere maatschappij, concludeert Tomas mismoedig. Of waren de achterblijvers onwetend van de planeet, omdat ze genoeglijk in hun eigen wereldje vertoefden, zoals Tomas, thrillerschrijver van beroep? Of waren ze sceptisch – en wie in het idéé al niet mee wilde…

Wat scheidde de schapen van de bokken? Verdienste, intelligentie, een loterij? En hoe zit het met die planeet, naar verluidt op honderd lichtjaar afstand? Het blijft de onderliggende vraag van Gebied 19: wat is er nou aan de hand, en klopt het wel? Daarvan hangt zoveel af in sciencefiction, van de interne logica van die fictieve wereld, die daardoor voor de duur van het boek niet als verzinsel wordt ontmaskerd – waarmee de roman onherroepelijk zou imploderen. Over Gebied 19 zou je wel wat kwezelige vragen kunnen stellen, en daarop wat onbevredigd en betweterig kunnen antwoorden. Het bestaan van een planéét, kan Tomas dat echt gemist hebben? En de hele wereld is in detail nagemaakt, tot de inrichting van huizen aan toe – hoe dan?

Neemt Esther Gerritsen in haar eerste sciencefictionroman het genre wel serieus? Zou ze het eigenlijk zelf wel geloven?

Over dat serieus nemen: die naam van de alternatieve planeet, TOI-700 d, voldoet zó aan de genreclichés dat je een grap vermoedt (al kennen we dat recente pandemische virus ook onder de sciencefictionachtige, minstens zo ongeloofwaardige naam ‘Covid-19’). Maar de romantitel verwijst dan weer niet naar een soort District 9 of Area 51, zo’n plek waar iets geheims verborgen wordt, onder de radar en achter grote hekken. Gerritsen speelt ermee, want een geheimzinnig gebied is het wel degelijk, figuurlijk gezien. ‘Gebied 19’ bevindt zich in de hersenen, op de visuele schors, waar ‘beelden worden geregistreerd wanneer ze voor het eerst binnenkomen’, zo wordt gaandeweg duidelijk. ‘Gewoonlijk worden deze ruwe beelden doorgestuurd naar andere gebieden, waar de beelden kunnen worden geïnterpreteerd, betekenis krijgen. Men weet al dat bij getraumatiseerde mensen tijdens een flashback dit gebied opnieuw actief wordt. Zij herinneren zich de dingen dus niet gewoon, zij zien ze daadwerkelijk alsof zij ze voor het eerst zien, jaren na dato.’ Er worden ‘experimenten’ mee gedaan, is het vermoeden, ‘de antwoorden liggen in de ziekenhuizen’.

Klinkt als belangwekkende informatie – we lezen het nota bene in een geheime brief die Tomas naar een subversieve vertrouweling van zijn vrouw moet smokkelen – maar de precieze betekenis laat zich niet meteen duiden. En wie Gebied 19 leest, is nu eenmaal niet geneigd lang stil te staan, want Gerritsen schrijft (zoals altijd) zo ontzettend soepel dat je door de roman heen vliegt.

Dat helpt, om je ongeloof op te schorten: Gerritsen is heel trefzeker in het menselijk neerzetten van haar personages. Bijna achteloos maakt ze hen geloofwaardig, aandoenlijk, menselijk, grappig ook. Als Tomas bij de buren niemand aantreft, geeft hij tegen beter weten in wel nog even hun planten water. Als hij met Suzannes telefoon zijn eigen nummer belt en zelf opneemt, zegt hij: ‘Met Tomas’, en antwoordt hij ook maar: ‘Met Suzanne’. Er is ook een maffe, gedenkwaardige scène met een ‘hondenteststraat’ in het Vondelpark – want een gehoorzame hond zou alsnog een ticket naar de nieuwe planeet kunnen opleveren. Tomas hoort iemand zeggen dat haar hond ‘verlatingsangst’ heeft, dus: ‘Als ze Leeuwtje nemen, ben ik daar nodig, dan willen ze mij ook.’ Zo voelt het dus, in die wereld van de onnodigverklaarden, zo brengt Gerritsen de rare sciencefictionsituatie terug tot iets met menselijke gevolgen. Het gaat niet om de sciencefiction, maar om wat de sciencefiction over mensen zegt.

Gebied 19 slaagt erin te boeien, door dat aangename verteltempo, door de menselijkheid. Daardoor accepteer je de plotwendingen: dat Tomas in het geniep videobelt met Suzanne, dat er inderdaad iets eigenaardigs gebeurt in de ziekenhuizen. En we krijgen gedurende de roman ook het nodige over de planeet mee. Iedereen lijkt er tevreden, kalm gelukkig, en helemaal niet bezig met de oude planeet of met dierbaren die achtergebleven zijn, die immers toch maar tot het verleden behoren. Je neemt het aan, en toch niet helemaal, want Gerritsen geeft geen verklaringen, geen oplossingen: het raadsel blijft intact.

Dat ongeloof blijft knagen (en ook wat ergernis over spelfoutjes, van ‘parkeercensor’ tot ‘een scheikunde boek’ en hoop die ‘opflikkerde’ en iemand ‘barste’ uit in lachen). Want we zien het genoeglijk aan, maar waar gáát deze roman nou over? Dat is een andere zekerheid in het genre: iedere sciencefictionroman is een ideeënroman. Een wereld met een sciencefiction-aanpassing is een wereld die de lezer iets wil vertellen, een idee wil overbrengen, een spiegel voorhouden. Lezend kom je op gedachten over een commentaar op onze volgzaamheid in de Covid-tijd, op vermoedens over een parabel over depressie, maar ook op ideeën over virtual reality (is de hele planeettoestand een simulatie?), en over wat geluk is, wat geloof is… En dan beland je – en dit zou je een spoiler kunnen vinden – bij de slotzin, waarin Suzanne verzucht: ‘[J]e had toe moeten staan dat ze je gelukkig wilden maken. Je had alleen hoeven te geloven dat alles was zoals het was.’

Daar heeft Gerritsen je als ongelovige dan mooi getackeld. Want wie 300 bladzijden lang sceptisch zat te lezen, voelt zich dan aangesproken. Heb ik me misschien óók de kans laten ontnemen om gelukkig te worden, door niet te geloven dat alles was zoals het was? Is het niet beter om dit verhaal gelovig in te gaan, opnieuw, wetend en accepterend dat er aan het einde geen oplossing wacht? Maar misschien wel geluk?

Je kunt vinden dat een roman geen tweede keer lezen nodig zou moeten hebben om volledig tot zijn recht te komen, maar bij Gebied 19 levert het een openbaring en een opwaardering op. En een literair argument is er ook: de roman gáát nota bene over hoe je misschien juist pas in tweede instantie een betekenis kunt toekennen, als je gaat interpreteren. Hoe zat het ook alweer: ‘gebied 19’ kon ervoor zorgen dat beelden nieuw lijken zonder dat ze dat zijn. Dat zouden beelden zijn die ‘nergens aankwamen waar ze betekenis konden krijgen’, zoals ergens in de roman bepeinsd wordt. De activiteit van dat hersengebied zou de mens gelukkig kunnen maken, want kunnen bevriezen in een ‘eeuwig nu zonder samenhang, zonder associaties, zonder herinnering’. Een geschiedenisloze, zalige onwetendheid.

Is dat geluk? Bij de tweede lezing valt op hoezeer de roman gaat over geloof, en over hoe geloven pas geluk brengt als je op een zeker moment ophoudt met nadenken. Het waren de believers, die mee mochten naar de nieuwe planeet. ‘Ik hoef alleen te zien wat er is. Ik hoef me niets voor te stellen, ik kan mijn fantasie laten rusten, alleen zien wat er is’, hoorde je de geschokte Tomas al tegen zichzelf zeggen. Het is het mantra van een doemdenker die vermoedt, wéét, dat er onder de oppervlakte wel degelijk gevaar broeit – maar dat komt zo slecht uit. Zet daar eens het acceptatiemantra ‘het is wat het is’ tegenover, dat een paar keer in de roman opduikt, bijvoorbeeld in de opluchting van Suzanne, na de spannende verplaatsing: ‘Nu hoef ik het niet meer te vrezen, het is wat het is.’

Geloof het nu maar – dát scheidde de schaapachtigen van de bokkigen. Op die voorwaarde, van kalme berusting, anti-nieuwsgierigheid, drijft het welslagen van de nieuwe planeet. ‘Willen wij Source: NRC

Previous

Next