Het is moeilijk kiezen, maar het meest haat ik mezelf als ik praat met mannen die wel iets met hun handen kunnen. De bel gaat, ik doe open en voor de deur staat een monteur die naar de cv-ketel komt kijken. We kijken elkaar aan en hij denkt: wat ben jij voor knuppel dat je niet eens de krukas van je bloedeigen cv-ketel kan vervangen. Dat denkt hij waarschijnlijk niet, omdat dit gewoon zijn werk is en ook omdat cv-ketels geen krukas hebben. Toch kan ik ten overstaan van loodgieters, elektriciens, automonteurs, dakdekkers, meubelmakers, klusjesmannen – kortom, iedereen die iets kan maken of repareren met zijn blote, ruwe handen – overvallen worden door een verlammend en kleinerend gevoel van existentiële nutteloosheid. Als ooit de pleuris uitbreekt en de samenleving krijgt opnieuw vorm in een postapocalyptisch landschap, heb je niets aan mij, en alles aan hen.
‘Julien, wat kan jij?’
‘Eh, stukjes schrijven?’
‘Je hebt tot zonsondergang om de nederzetting te verlaten.’
Over de auteur
Julien Althuisius schrijft voor het Volkskrant Magazine verhalen en interviews, over media, (populaire) cultuur en modern leven.
Meestal zeg of doe ik wat raars, in een onbedwingbare poging iets van verbinding te zoeken of misschien gewoon te laten merken dat ik ook heus wel een man ben. Zo bied ik de verwarmingsmonteur niet een ‘kop koffie’ aan, maar vraag ik of hij ‘een bakkie’ wil. Een andere copingstrategie is imitatie. Toen we met onze aannemer door het nieuwe huis liepen, en hij op een paar muren klopte, ging ik ook op muren kloppen. En op andere plekken waar je niet per se op hoeft te kloppen, een kozijn bijvoorbeeld.
Dat imiteren hoeft niet alleen in gebaar, het kan ook in woord. Het lampje van de koplamp van onze auto was stuk. Het is een Renault Clio uit 2008, die zo ontworpen is dat het vrijwel onmogelijk is om bij het lampje van de koplamp te komen zonder je eigen hand af te hakken en met je gezonde hand die afgehakte hand in een onmogelijke hoek onder de motorkap te wurmen. Daarom had ik een monteur gevraagd. Na enige tijd friemelen had hij het oude lampje eruit gehaald en draaide er een nieuw lampje in. ‘Een lampje voor een lampje’, zei hij. Ik, handen in mijn zakken, knikte instemmend, zei: ‘Een lampje voor een lampje’.
Hoewel ik me steeds voorneem om normaal te doen, zijn mijn impulsen altijd sterker. Afgelopen week werd de container voor klusafval afgeleverd. Ik had gevraagd of dat kon voor 2 uur, zodat ik op tijd zou zijn om de kinderen van school te halen. Toen de vrachtwagen met de container stipt om 2 uur voor de deur stond, kon ik enige vreugde niet onderdrukken en stak ik mijn vuist uit naar de chauffeur om hem een boks te geven. Die kreeg ik niet.
Source: Volkskrant