N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Zedenzaak Tijdens behandeling van de beschuldigingen weet Julian Andeweg – tegen wie zeven aangiftes werden gedaan – het ene moment veel meer dan het andere. „Als je me nu vraagt naar iets van tien jaar geleden…”
De behandeling van de vijfde beschuldiging van zeven: een aanranding. De verdachte heeft al een paar keer om een extra plaspauze gevraagd. „Ik heb dorst. Maar ik zal minder drinken.”
„Dus klopt het dat u haar benen spreidde en zei: ‘Ik wil je kutje zien?’” wil de voorzitter van de meervoudige kamer van de Amsterdamse rechtbank weten.
„Ja, dat was in de lijn van de omgang die we met elkaar hadden.”
De rechter: „Zij zei: ‘Ik wil dit niet.’ Maar u ging door?”
De verdachte: „Dat kan ik me niet herinneren.”
Nu heeft de jongste rechter er genoeg van. De hele ochtend heeft kunstenaar Julian Andeweg – zijn advocaat Peter Plasman maakt geen bezwaar tegen het noemen van diens achternaam – wisselende verklaringen afgegeven. Het ene moment weet hij ineens veel meer dan tijdens de drie verhoren door de politie in 2020 en 2021, het andere moment herinnert hij zich niets meer. Als hij wordt geconfronteerd met tekstberichten of getapte gesprekken met vrienden, weet hij niet waar die over gaan.
En nu weer. Hij weet nog veel van die specifieke avond eind 2013. Dat de man bij wie hij op bezoek is een fietsongeluk had gehad en in de kreukels lag. Dat hij en de vrouw aan het „stoeien” waren, dat er een bankje in de kamer stond. Maar dat ze niet wilde, nee, dat weet hij niet.
Het heeft lang geduurd, maar maandag vond de eerste zittingsdag plaats van de zedenzaak die het Openbaar Ministerie aanspande tegen kunstenaar Julian Andeweg. In oktober 2020 werd hij in NRC door zeker twintig vrouwen en mannen beschuldigd van verkrachting, aanranding, intimidatie, geweldpleging, stalking en diefstal. In de krant werd beschreven hoe hij furore maakte in de beeldende kunst en intussen een serie slachtoffers maakte.
Tegen de kunstenaar kwamen zeven aangiftes binnen. Een van de aangiftes met betrekking tot aanranding werd geseponeerd wegens verjaring. Eén aangifte kwam binnen na publicatie in NRC, de andere daarvoor. Een ander dateert al van 2017.
Hoe zit het nou met dat geheugenverlies, willen de rechters weten. In de grote zaal zweet de verdachte in zijn lichte krijtstreeppak, zijn gezicht onder zijn grijs gebleekte, achterover gekamde haren is rood. „Ik had veel wisselende contacten, een leven van seks, drugs en rock-’n-roll. Dat wordt aangemoedigd in de kunstwereld, en dat heeft me succes gebracht. Als je me nu vraagt naar iets van tien jaar geleden… ik had toen met honderden seks gehad.”
De rechter: „U vertelt nu een aantal dingen die u niet bij de verhoren aan de politie vertelde. Wanneer kwamen deze nieuwe herinneringen op?” De verdachte: „Ik was landelijk aan de schandpaal genageld door de NRC. Ik zat in een achtbaan. Mijn gezicht ging door de modder. Maar wat ik nu verklaar, is in lijn met wat ik toen in de verhoren heb gezegd.”
De oudste rechter valt in, scherp: „Er zijn dingen die níét overeenkomen.”
De rechters hebben zich al uren over meerdere contradicties in de verklaringen gebogen. In de ene verklaring is de broek van de vrouw aan, in de andere uit. In de ene verklaring geeft hij haar wel cocaïne, in de andere niet. In de ene verklaring laat hij zich eerst pijpen, in de andere verklaring is hij meteen gaan slapen. In de ene verklaring heeft hij haar gevingerd, in de andere alleen „gefrummeld aan de kleren”. De verdachte raakt geagiteerd bij het doorvragen. Tegen de voorzitter: „Misschien hebben we een andere interpretatie van het woord ‘vingeren’. Wat is uw interpretatie?”