Home

Bevrijd van de onvermijdelijkheid: na Ruttes vertrek is alles mogelijk

Het afgelopen decennium viel de sfeer in de landelijke politiek te typeren als ‘het is nu eenmaal zo’. Maar na vier kabinetten-Rutte gaat er een frisse wind door de Tweede Kamer waaien. Dat biedt kansen voor nieuwe verhalen en nieuwe perspectieven.

‘Alles wordt nieuw’, floept er binnen op WhatsApp, minuten nadat Mark Rutte zijn vertrek uit de politiek heeft bekendgemaakt, en het zal in de uren en dagen erna vaak herhaald worden: alles wordt nieuw.

Daar is natuurlijk geen hard bewijs voor. De weinige zekerheden uit het recente verleden wijzen in een andere richting: dat Nederland een land is van weinig revolutie en veel continuïteit, van heel veel politieke partijen die minder van elkaar verschillen dan ze graag doen voorkomen, van kabinetten die bijna nooit een U-bocht inzetten en veel vaker in grote lijnen het beleid van de voorganger voortzetten. Zelden is dit een beleid van grote dramatische gebaren en vaak is dit een beleid van druk praten over grote dramatische gebaren en ondertussen pappen, polderen, een commissie nog eens goed laten kijken, nathouden, polderen, een taskforce instellen, polderen, Johan Remkes inschakelen, tikje afzwakken, het Centraal Planbureau om nieuwe cijfers vragen, polderen en besluiten om toch maar even te wachten. Zie ook de eerste analyses van de nieuwe provincieakkoorden, waarin de tractorrevolutionairen zich beperken tot een beetje aan de rem hangen rond boerenkwesties en veel oud beleid voortzetten. Zelfs het aangekondigde vertrek van Rutte is een kwestie van geleidelijkheid: hij zit nog een verkiezing plus formatieperiode lang in het Torentje; reken gerust op een jaar.

‘Alles wordt nieuw’ wordt dan ook niet voor niets aan de Bijbel ontleend en in de kerk gezongen. Er ligt hoop en geloof in vervat, en ook troost. Plus de belofte dat het kan. De dingen kunnen anders worden. Nieuw. Want er is een grauwsluier van de Haagse politiek getrokken, die er in de loop der jaren overheen is komen hangen, en die na elke affaire grauwer en zwaarder werd. Er is zuurstof vrijgekomen.

Nieuw wordt niet alleen de VVD, die een gladstrijk- en marketingmachine ten dienste van de premier was geworden en zich daar nu van kan bevrijden, waardoor het er kan gaan bruisen en botsen.

Nieuw wordt ook het speelveld. Jarenlang vielen verkiezingen te typeren als: vier weken lang feitenvrije oneliners tegen elkaar roepen en op het einde wint Mark Rutte. Nu kan iedereen winnen.

Jarenlang zochten partijen die niet de VVD zijn in verkiezingstijd hun toevlucht tot varianten op ‘stem hem weg’. Nu moet de strijd worden gevoerd met eigen aansprekende verhalen en nieuwe perspectieven. Dat kan nieuwe kiezers enthousiasmeren en mobiliseren, nieuwe burgerzin aanwakkeren.

Jarenlang werd de arena bevolkt door mannen in helblauwe pakken en een enkele vrouw die naast politicus ook nog eens heel erg vrouw moest zijn, en de sores van alle vrouwen van de wereld op haar schouders moest torsen. Nu staat de arena vol boeiende, strijdbare en kansrijke vrouwen, van Van der Plas tot Ouwehand, en van Yesilgöz tot Bikker (er wordt verwachtingsvol gewacht op degene die de nieuwe rood-groene lijst gaat trekken), die de behoefte om vooral áárdig te worden gevonden godzijdank ver voorbij zijn. Zij hebben de ruimte voor vrouw-zijn in de politiek aanzienlijk verbreed, met als zegenrijk effect dat zij gewoon politicus kunnen zijn, gewoon iemand die heel graag wil winnen. En wellicht met als nog zegenrijker effect dat Nederland zich zo langzamerhand eindelijk eens zal kunnen bevrijden van het wonderlijke conservatisme dat hier heerst ten aanzien van vrouwen in publieke functies – sommigen worden er hysterisch van, gaan bedreigen en beschimpen en haat rondpompen en verkrachtingsfantasieën uiten, net zolang tot de vrouwen vertrekken.

Het nieuwe speelveld schept ruimte voor nieuwe thema’s. Of eigenlijk: voor een nieuwe benadering van oude thema’s. Want het zal blijven gaan over bestaanszekerheid, boerenbelangen, de komst van vluchtelingen en andere nieuwe mensen, bedrijvigheid en ondernemerschap, welvaart, burgergeluk, klimaatverandering, ruimte om te wonen en te leven, de zorg voor zieken en kwetsbaren, de staat van de rechtsstaat, vrijheid en de oorlog in het hart van Europa.

Wat nieuw kan worden is de manier waarop hiernaar wordt gekeken. Door een andere ideologische bril wellicht (minder markt, of veel meer), mogelijk met een andere maatschappijopvatting (rentmeesterschap en elkaar soep bezorgen, of vrij van betutteling de persoonlijke vrijheid vieren), met een ander mensbeeld misschien. En wie weet met een nieuwe overtuiging over de manier waarop politiek is te bedrijven: geen meloenen doorslikken, maar strijd. Nederland is ideologisch uitgewoond, na een dik decennium zelfredzaamheidsdoctrine, gecombineerd met groot vertrouwen in de markt, op onverwachte momenten vermengd met een vleugje staatsdirigisme, afgewisseld met af en toe een loopje met de rechtsstaat.

Het afgelopen decennium is het gevoel in de politiek en daarmee in het land bepaald door een sfeer van ‘het is nu eenmaal zo’, het gaat nu eenmaal ‘gewoon’ zo, dit is nu eenmaal wat er ‘moet’ gebeuren. En wat je ook stemt, het maakt niet zoveel uit, want het komt altijd neer op min of meer dezelfde middenkoers door de modder met min of meer dezelfde mensen, of met mensen die heel erg op elkaar lijken, die al jaren door min of meer hetzelfde prisma naar vraagstukken kijken, vol beduchtheid voor te veel directe democratie, en die met min of meer hetzelfde perspectief en min of meer dezelfde opvattingen de dingen doen ‘die nu eenmaal zo zijn’. Politicoloog Tom van der Meer, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in kiezersgedrag en vertrouwen, heeft dat weleens ‘de grondtoon van onvermijdelijkheid’ genoemd.

Twee jaar geleden ging het een tijdje heel veel over ‘een nieuwe bestuurscultuur’, een containerbegrip waarop iedereen zijn eigen hobby’s en preoccupaties kon projecteren, en dat in wezen neerkwam op het doorbreken van de onvermijdelijkheid. Met ‘nieuw leiderschap’, ‘nieuw elan’ en ‘nieuw vertrouwen’.

Daar was al heel snel weinig van over, en dat had veel te maken met de mensen die bleven. Renske Leijten, het afgezwaaide SP-Kamerlid wier inspanningen in de toeslagenaffaire niet genoeg kunnen worden benadrukt en geroemd, legde het – vrij naar Einstein – graag zo uit: ‘De problemen in het land kunnen niet worden opgelost door dezelfde mensen die ze hebben veroorzaakt.’

Onder ‘de problemen’ valt ook de staat van de ambtenarij, en niet alleen in de affaire waar Leijten naar verwees. Ambtenaren zijn lang gekneveld geweest door de Rutte-doctrine die ondoorzichtigheid voorschreef: het wegwerken van incriminerende sporen en een rad voor ogen draaien van controlerende instituten als de pers en de Tweede Kamer. Lang zijn ze opgezadeld geweest met een gemankeerde taakopvatting: zorg dat de bewindspersoon niet in politieke moeilijkheden kan komen, geen ‘gedoe’ kan krijgen met de volksvertegenwoordiging, niet in de wind kan komen te staan, geen slechte pers kan krijgen. Zie ook: het onder de pet houden van terechte waarschuwingen dat onschuldige burgers gemangeld werden als gevolg van het fraudebeleid bij de Belastingdienst.

Er loopt dan ook al enige tijd een programma dat ambtenaren moet bijstaan bij het volgen van hun moreel kompas, en dat diverse overheidsdiensten moet verlossen van het trauma van diverse fraudebestrijdingsaffaires. Daar is nog veel werk te verzetten. Zo blijkt uit recent onderzoek van I&O Research onder ambtenaren in rijksdienst, bij gemeenten, in provinciale besturen en bij uitvoeringsdiensten, dat bijna de helft zegt in het afgelopen jaar geworsteld te hebben met morele twijfels. Ze vroegen zich af of beleid dat zij geacht werden uit te voeren ethisch en moreel door de beugel kan, of de burger niet benadeeld wordt, en of de publieke zaak wel gediend wordt.

Dit is een belangrijke kwestie, de belangrijkste misschien wel, want de kwaliteit van het beleid en van de uitvoering daarvan is wezenlijk voor het vertrouwen in het systeem en in de politiek, voor de tevredenheid onder burgers, die zich fair behandeld en veilig willen weten onder een betrouwbare overheid. Het zijn geen grote wensen, maar ze blijken lastig te vervullen.

Het gaat onder politici veel over ‘het vertrouwen in de politiek’, dat lager zou zijn dan ze zouden willen. De sleutel voor verhoging daarvan ligt niet bij de tevredenen die het altijd al goed hebben gehad. De mensen die de overheid zelden nodig hadden, over de capaciteiten en het netwerk beschikken om hun zorgen eloquent aan te kaarten bij de boven ons gestelden, in de politieke discussies vooral hun preoccupaties weerspiegeld zien, en er vier kabinetten lang blijmoedig zorg voor zijn blijven dragen dat Rutte een van de populairste politici van het land bleef.

De sleutel ligt bij de anderen, bij de kwetsbaren en bij de mensen die hardhandig met de onvermijdelijkheid van het systeem in botsing zijn gekomen, die hun zorgen lang niet altijd verwoord zien in een Tweede Kamer die vooral uit academisch geschoolden bestaat, en die er meteen last van hebben wanneer de uitvoering faalt.

Ook daar kan een nieuwe richting veel goeds teweegbrengen, dankzij het nieuwe speelveld waarin kiezers een open vraag krijgen: kies mee wie uw nieuwe premier wordt. En kies daarmee een nieuwe sfeer, een nieuwe blik, nieuwe helderheid.

Daar komt een weldadige hoeveelheid zuurstof bij vrij.

Source: Volkskrant

Previous

Next