‘En nog wat, ie mouten meer kunstmest bruken.’ Dit zei een boer uit het Groningse Garsthuizen rond 1885 op zijn sterfbed tegen zijn vrouw en dochter. Meer stikstof dus. Maar daar wil ik het slechts zijdelings over hebben. De Groninger boerenstand was in de 19de eeuw de meest vooruitstrevende en ook economisch toonaangevende in Nederland. Het waren gouden jaren voor deze boeren. De Krimoorlog (1853-1856) deed een flinke duit in het zakje — de aanvoer van Russisch graan stagneerde, wat natuurlijk koren op de molen was van de boeren in de Groninger graanrepubliek.
Over de auteur
Ben Koks is liefhebber van veldleeuweriken en akkervogelonderzoeker. In juli is hij opiniemaker op zondag voor de Volkskrant, die elke maand iemand uitnodigt een serie columns te publiceren op volkskrant.nl/opinie. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Wie door het Groninger Hogeland reist of de magistrale boerderijen bij Finsterwolde en Nieuwolda ziet weet genoeg. Met name de akkerbouw floreerde halverwege de 19de eeuw en de kolossale boerenwoningen werden monumenten in het grootschalige cultuurland dat Groningen zo kenmerkt. Door de bril van de vogelaar-die-eigenlijk-boer-wilde-worden zie je dan overal in de bijbehorende weelderige tuinen en op de boerenerven zomertortels, spotvogels en grote lijsters, en op de akkers knerpen de kwartelkoningen, strelen de kwartels en leeuweriken het gehoor en vanuit ieder struikje laat de grauwe gors zich horen. Zingende struiken.
De prijs van graan dus als motor van de economie en, samen met koolzaad en karwij, tevens een gewas waarmee kon worden gespeculeerd. Vandaar de enorme schuren voor de opslag, tevens een zichtbaar symbool voor het grote verschil tussen de herenboeren en het landvolk. Ook een geschiedenis die zich herhaalt, enfin u kent natuurlijk allen het heerlijke boek De Graanrepubliek van Frank Westerman, hij kon de verhalen zo opscheppen van de rijke akkers.
Een beweging die zich in het begin van de 19de eeuw op het Groninger Hogeland manifesteerde bij een deel van de boeren wordt het ‘agrarisch fundamentalisme’ genoemd: de opvatting dat landbouw als fundament van de samenleving dient (ook dat komt ons nu bekend voor).
Deze opvattingen hebben gedeeltelijk aan de basis gestaan van de latere bloeiperiode van de landbouw, van de ondernemingskracht van boeren, in die tijd. Het besef van eigenwaarde bij een deel van de boerenstand was ontloken.
Interessant is trouwens dat in een deel van de geschiedenisboeken die over deze tijd zijn geschreven, plagen van veldmuizen, slakken en kikkers worden aangehaald in relatie tot de teelt van gewassen als koolzaad en bieten. Die veldmuizen zullen wel kloppen, die slakken in sommige jaren ook, maar de kikkers zijn een broodje aap. Agro-ecologie bestond toen nog niet, maar we kunnen ervan uitgaan dat – volgens hedendaagse inzichten – het Nederlandse boerenland er in die tijden ecologisch interessant moet hebben uitgezien.
Een les die getrokken kan worden is dat kennis delen tot nieuwe inzichten leidt. Zo kan de uitvinding van het vierslagenstelsel – ook vanuit de huidige perspectieven – als briljant worden opgevat; een rotatie van klavers, wortelgewassen, granen en grassen in een cyclus van vier jaar verbouwen. Klavers en Waalse bonen voor de stikstofbinding, granen en grassen als rustgewassen en de wortelgewassen om het economische plaatje compleet te krijgen in die tijd.
De introductie van buizendrainage was weliswaar peperduur, maar toen tienduizenden hectares landbouwgrond ook werden ontwaterd zal een deel van de slakken- en veldmuizenplagen aanzienlijk zijn verminderd. De variatie in gewassen nam toe en het aandeel veeteelt nam af, mede door de regelmatig terugkerende veeziektes.
De scheiding van akkerbouw en veeteelt werd in gang gezet, het leek in die tijd zo logisch, terwijl het in onze tijd juist wenselijk is om kringlopen te sluiten. Om te weten hoe rijk de akkers en weiden toen waren heb je geen teletijdmachine van professor Barabas nodig, ook in het verre oosten van Polen, in het grensgebied van Belarus en Oekraïne, kun je de ecologische rijkdommen nu nog zien in de gevarieerde agrarische gebieden daar. Ortolanen, paapjes en klapeksters, dat niveau dus.
Wie parallellen in de loop van de geschiedenis probeert te trekken, kan ook zien dat we de huidige crises rondom stikstof en waterkwaliteit kunnen oplossen. Organiseer een ecologische ruilverkaveling van formaat, waarin een gezonde agrarische sector zelf ook weer in staat is om te innoveren.
Een ouderwetse ruilverkaveling bestond uit het scheiden van functies. De agrarische belangen stonden onomstotelijk voorop, natuur werd in de marge weggedrukt. In de herkaveling van Nederland zulllen functies zich weer op de fijnmazige manier gaan mengen.
En dan terug naar het begin; sommige oplossingen liggen al voor het oprapen. Vaste mest bijvoorbeeld, in de meest simpele definitie een mix van stro en poep: onze landbouw zal het nodig hebben om van de verslaving van kunstmest af te komen. Vaste mest is het goud van de toekomst.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Source: Volkskrant