Suzanne (59) uit Nederland: ‘Die zomer van 1990 mocht ik met twee stellen mee op een wandelvakantie door de Pyreneeën, Herre werd nummer zes van het gezelschap. Ik kende hem niet. Hij was drie jaar jonger dan ik, een vrolijk springerig type met een merkwaardige voorkeur voor mouwloze shirtjes waarin zijn dunne maar gespierde armen goed uitkwamen. Ik was single, hij ook, maar geen seconde zag ik hem als potentieel relatiemateriaal. Dat we samen een tentje deelden leek even vanzelfsprekend als onromantisch; een eigen tent dragen was veel te zwaar, 12 kilo was voor mij als onervaren hiker echt het maximum.
Zomerliefde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een zomerliefde van kort of langer geleden door beide lovers onder de loep wordt genomen.
‘De tocht leidde langs bergtoppen en diepe dalen, het was zwaar, soms stegen we in de eerste uren al 1.000 meter. Ik maakte me zorgen dat mijn lage tempo een last zou kunnen zijn voor de groep, en wanneer ik achterop dreigde te raken bleef Herre bij me. Onderweg kwamen we nauwelijks iemand tegen en kamperen deden we in het wild. Maar zo tegen de lunch werden we altijd beloond met een geweldig uitzicht, bloemen en zoemende bijen.
’s Avonds bleven Herre en ik meestal nog wat kletsen als de andere twee stellen naar bed gingen, we spraken over wat we wilden met ons leven, over de vriendjes en vriendinnetjes die we hadden gehad, eigenlijk over alle onderwerpen die je ook bespreekt met iemand op wie je verliefd aan het worden bent, maar van verliefdheid was absoluut geen sprake. Wanneer we naar bed gingen, ieder aan onze eigen kant, raakten we elkaar bij het uitkleden onvermijdelijk even aan, maar nooit voelde ik een siddering van erotiek of verlangen, en als ik hem vlak voor het slapen gaan met een zusterlijke kus op zijn wang goedenacht wenste, draaide ik me daarna om en was vertrokken. Voor hem was dat net zo. In zijn antracietkleurige hemd dat steeds smoezeliger en meer versleten raakte naarmate de trektocht vorderde, leek-ie ook niet bepaald bezig me te veroveren. Ik zweer dat de gedachte aan seks nooit bij me is opgekomen, hoe dicht we ook naast elkaar sliepen in dat piepkleine tentje.
‘Tot we na ongeveer een week overnachtten in het hooggebergte bij het Lac de Port-Bielh. Overdag was het snoeiheet geweest maar nu het donker werd, was het ijskoud. Ik had een veel te dun slaapzakje bij me en lag te klappertanden. De handdoek die ik als extra laag over me had gelegd, maakte geen verschil. Wil je mijn handdoek er ook bij, vroeg Herre. Nou, antwoordde ik, als je wat dichterbij komt liggen, kunnen we elkaar verwarmen. Nee, nog dichter. Maar dan kan ik mijn arm niet kwijt, zei Herre. Dat geeft niet, leg die maar over me heen, antwoordde ik. Ik was hem in de voorgaande dagen gaan zien als een jonger broertje met wie ik zo vertrouwd was geraakt dat ik vond dat ik hem dit wel kon vragen.
‘Maar toen we daar zo lagen en zijn mond mijn oor bijna raakte, zijn arm om me heen, begon er ineens van alles te verschuiven. Het was of ik beter voelde en rook, mijn hart ging fel tekeer. Ik hoorde zijn ademhaling en als vanzelf nam ik dat ritme over. Een wonderlijke alertheid overviel me, een soort tinteling voelbaar tot in de kleinste cel van mijn lichaam. Ineens had ik het heerlijk warm, maar slapen lukte niet. Alsof iemand me iets duidelijk wilde maken: hee, hoezo slapen, zie je het dan niet, dit is hem. Pak hem. Van gêne was geen sprake, dat zou een te groot zelfbewustzijn veronderstellen, alles was goed die nacht.
‘Toen draaide ik mijn hoofd naar hem toe en zoenden we. Heel stil om de anderen niet wakker te maken, hebben we de rest van de nacht gevreeën. Het leek ineens allemaal zo logisch – waarom hadden we dit niet eerder bedacht – en toen hij naar buiten ging om te plassen, riep hij me en hebben we in verrukking naar de Melkweg gestaard. De dagen erop werd mijn lage wandeltempo ineens een excuus om samen te kunnen achterblijven en ongezien door de anderen te zoenen, en soms deden we alsof we toevallig tegelijk iets zochten in het tentje. Dan kroop hij door de vooringang en ik door de achteringang en ontmoetten we elkaar in het midden.
‘Dat is nu meer dan dertig jaar geleden, ik ben die vakantie eerder naar huis gegaan vanwege een knieblessure, maar ik zie nog voor me hoe ik hem drie weken later de hoek om zag komen van mijn studentenflat. Het T-shirt nog meer versleten, zijn gezicht nog bruiner. We gingen zitten op mijn gammele bedbankje, zeiden niks en keken elkaar alleen maar aan. Acht jaar later zijn we getrouwd, onze kinderen zijn inmiddels 27, 24 en 22.’
Herre (56) uit Nederland: ‘Het was Suzannes oorschelp zo dicht bij mijn mond, die maakte dat we wel moesten zoenen, die avond in de tent aan het Lac de Port-Bielh. Een prachtig, klein, lief oortje met daaromheen korte zwarte krullen. Op dat moment waren we al een week onderweg. Samen met twee stellen onder wie mijn zus en haar vriend liepen we dwars over de Pyreneeën, de GR10, een zware tocht. Op mijn rug droeg ik 16 kilo, inclusief het Erdman Schmidt-tentje waarin wij met zijn tweeën sliepen. Ik was 23 en voelde me supersterk en jong. We kampeerden op open plekken in het bos zonder enige voorziening.
‘Die zomernacht aan het meer was het steenkoud, het vroor, gieren vlogen boven ons hoofd. Ik had haar mijn handdoek aangeboden voor wat extra warmte, maar het hielp niet. Toen zei ze: wil je tegen me aan komen liggen, dat scheelt misschien. En zonder nadenken gehoorzaamde ik en kroop naar haar toe. Ik voelde haar lichaam en werd verrast door een opwinding die ik nog niet eerder bij haar had ervaren. Mijn hart klopte zo luid dat ik bang was dat ze het zou horen, dwars door het textiel van onze slaapshirts en slaapzakken heen.
‘Toen we op vakantie gingen kenden we elkaar eigenlijk niet. Ik had haar slechts een paar keer gezien, tijdens een studentendemonstratie tegen Deetman (politicus Wim Deetman, ex-minister van Onderwijs, red.) en een keer bij een concert van Youssou N’Dour. Een stoere vrouw met een leren jack, maar met drie jaar leeftijdsverschil was ze veel te oud voor mij. En toch, nu met mijn mond bij haar oor, was het dat oor en haar geur die ik nog niet met alle vocabulaire van de wereld zou kunnen omschrijven, die me rustig maakten en onrustig tegelijk. Sorry, zei ik, waar laat ik mijn arm. Over me heen, zei ze. Zo lagen we tegen elkaar aan, rug tegen buik. In mij kolkte het. Langzaam draaide ze haar gezicht naar me toe, en toen zoenden we. Zo lekker, zo fijn, dat we dat de rest van de vakantie zijn blijven herhalen.
‘Bijzonder hoe een zoen je iets duidelijk kan maken. De hele week ervoor had ik achter Suzanne gelopen omdat ze moeite had om ons tempo bij te benen. Mij waren haar mooie gladde kuiten wel opgevallen, de groene broek die halverwege die kuiten ophield, maar ik voelde er niks bij. Wanneer je wandelt geef je elkaar weleens een hand of een duwtje, maar ook dan was er geen spanning te bespeuren. En als Suzanne zich uitkleedde in de tent, draaide ik me altijd even om. Maar ineens was het of na die zoen iets was omgewoeld. Zonder dat we het hadden gemerkt, bleek er iets opgebouwd wat ineens ontsnapte.
‘Al was er niet meteen de volgende dag sprake van een relatie. Ik had een wild studentenleven in Amsterdam, Suzanne woonde in Utrecht, we zouden wel zien, dacht ik, voorlopig was dit een heerlijk gevoel. Een tijdje hielden we het geheim voor de groep, onderweg treuzelden we met opzet, zodat de afstand tussen ons en hen groter werd en we tussendoor even konden zoenen. Een week later waren we bij de Pont d’Espagne, ik herinner me een plek in het bos waar de tent stond, we zaten met zijn tweeën op de grond, toen Suzanne me vroeg: hoe zit het nu eigenlijk, is het nu aan tussen ons? Ze had last van haar knieën, zou eerder teruggaan en wilde duidelijkheid voor ze vertrok.
‘Ik zat net met een kommetje water op schoot, wilde me scheren. Zij nam het mesje van me over en heel voorzichtig begon ze me te scheren. Het was de eerste en ik denk ook de laatste keer dat een ander mij schoor, maar zo voelde het niet. Het voelde vertrouwd, niet eng, ik was niet bang dat ze zou uitschieten. Ja, zei ik, natuurlijk is het aan. Dit was 1 augustus 1990. Zonder dat een van ons beiden op de knieën ging, begon toen onze relatie. Daags daarna vertrok ze en ook al belde ik wanneer ik maar kon vanuit een Franse telefooncel met muntjes, ik miste haar enorm.
‘Bij ons eindpunt aan de Middellandse Zee, drie weken later in Banyuls-sur-Mer, wachtte me een verrassing. Per poste restante had Suzanne een cassettebandje met liefdesliedjes gestuurd, het hoesje met de vis – haring noemde ze me – had ze zelf getekend. ‘Finally coming home-tapeje’, stond erop. Ik stopte het in mijn rode Sony-walkman en heb de hele terugreis naar niks anders geluisterd. This one goes out to the one I love zong REM. Totaal vermagerd door de lange tocht kwam ik een paar dagen later aan bij haar studentenflat. Ik drukte op de bel, hoorde haar ‘joepie’ zeggen door de intercom. We zijn meteen het bed in gedoken, een uitgesteld verlangen dat ontplofte.
Nu, 34 jaar later, is onze relatie alleen nog maar sterker. Door allerlei omstandigheden zijn we na die ene voettocht zelden samen op vakantie geweest, maar die reis in 1990 is sowieso niet makkelijk te evenaren. We hebben veel meegemaakt, maar zijn elkaar nooit kwijtgeraakt en die tent hebben we nog steeds. Suzanne is mijn rots en ik haar haring.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om t Source: Volkskrant