Op een mooie winterdag in 1873 nam de moeder van Louis Couperus haar toen 10-jarige zoontje mee naar een antiekzaak in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië. Ze waren kort daarvoor aangekomen uit Den Haag en gingen stoelen uitzoeken voor hun nieuwe huis aan het Koningsplein. Toen de Chinese eigenaar van de winkel de kleine Louis zag, boog hij diep, riep zijn vrouw en kinderen erbij en verklaarde plechtig dat deze jongen ‘een grote ziel’ had. Hij zou dichter of kunstenaar worden en ‘al het moois zien wat er is op de wereld en in de mens’.
Op 16 juli is het honderd jaar geleden dat Louis Couperus overleed, de grootste schrijver van Nederland. Maar van een uitbundige herdenking zoals Frankrijk een paar maanden geleden aanrichtte rond het honderdste sterfjaar van Marcel Proust is geen sprake. Bij LJ Veen Klassiek komt De berg van licht opnieuw uit, Couperus’ roman over de oudheid. Het Literatuurmuseum besteedt online aandacht aan Couperus en komt in het najaar met een expositie, eveneens online. En bij uitgeverij Lias verscheen een mooi vormgegeven geïllustreerde biografie door Caroline de Westenholz, de oprichter van het Louis Couperus Museum in Den Haag, waar nog tot eind dit jaar de veelbesproken tentoonstelling Louis Couperus: non-binair avant la lettre? te zien is. Dan heb je het wel gehad.
Over de auteur
Wilma de Rek is chef Boeken bij de Volkskrant. Ze publiceerde een aantal non-fictietitels, waaronder Van big bang tot burn-out en Stand-up filosoof: de antwoorden van René Gude.
Wellicht speelt mee dat het in 2013 ook al Couperusjaar was, toen zijn 150ste geboortejaar werd gevierd, en dat het doorgaans fijner is iemands geboorte te herdenken dan zijn dood. Maar bij Couperus ligt dat anders, en dat komt door die ziel. Tegenwoordig is de ziel een wat beladen begrip, waar bijvoorbeeld wetenschappers zich liever niet aan branden. Maar honderd jaar geleden mocht de ziel er nog gewoon zijn, en de schrijver die op zijn 10de te horen kreeg dat hij een ‘grote ziel’ had, maakte van de ziel zijn held en hoofdpersoon. Couperus’ enorme oeuvre – het verzameld werk telt vijftig delen – barst van de zielen. Kleine zielen (waartoe hij ondanks de uitspraak van de Chinese antiquair ook zichzelf zei te rekenen), gekwelde zielen, zieke zielen, dolende zielen.
Maar al die zielige zielen zijn óók groots, want de ziel staat bij Couperus voor het echte en waarachtige, voor de essentie van het leven. Voor onsterfelijkheid ook: Couperus geloofde in de ziel die blijft. ‘Dat het leven van de ziel alleen zoû zijn dit aardsch, chaotisch drijven: dat nam hij niet meer aan en hij vermoedde, dat hij het zelfs nooit gedacht had’, laat hij zijn alter ego Hugo Aylva, een schrijver, denken in Metamorfoze, zijn autobiografische roman uit 1897, waarin het woord ziel 360 keer voorkomt. Dus is deze honderdste sterfdag een uitstekende aanleiding om op zoek te gaan naar de ziel van Couperus.
‘Een vaas – had Ernst gezegd – dat was als een ziel… Er waren voor Ernst treurige en vroolijke vazen, trotsche en nederige, er waren verliefde vazen en vazen van passie… Er waren vazen van verlangen en er waren doode vaazen, die alleen herleefden, als hij er een bloem in zette.’ (Louis Couperus: De boeken der kleine zielen)
Waar kan de ziel van Couperus anders zijn dan in Den Haag, de stad die het decor is van zijn belangrijkste romans (Eline Vere; Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan; De boeken der kleine zielen) en waar hij op 10 juni 1863 ter wereld kwam als nakomertje in een gezin met elf kinderen? Misschien in Nederlands-Indië, waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht en waar hij De stille kracht schreef, zijn bekendste boek.
Maar Nederlands-Indië bestaat niet meer en Den Haag nog wel. Het Louis Couperus Genootschap heeft in Den Haag zijn hoofdkwartier, het Louis Couperus Museum is er gevestigd en aan het Voorhout staat een standbeeld van Couperus dat Kees Verkade maakte in 1988. En vooral is in Den Haag het Literatuurmuseum gevestigd, dat rond de dertig handschriften en honderden brieven van Couperus bewaart, plus wat restjes huisraad.
In dat museum slalomt hoofd collecties Bertram Mourits langs diverse verhuisdozen van nog levende en reeds overleden schrijvers richting de plank waarop het vermoedelijk meest bezielde object uit Couperus’ nalatenschap staat: een ivoorkleurige, slanke Japanse vaas. In De boeken der kleine zielen bezit een van de personages tientallen van dit soort vazen. Het is Ernst van Lowe, de verwarde broer van hoofdpersoon Constance, die na een jarenlang verblijf in het buitenland terugkeert naar het bekrompen Den Haag, waar haar familieleden niets anders doen dan visites afleggen en roddelen – vooral over Constance. Als ze bij haar broer gaat lunchen, laat hij haar zijn vazen zien en legt hij uit dat ze allemaal bezield zijn.
Bertram Mourits pakt de vaas van de plank en schudt hem zachtjes. De ziel zwijgt.
Maar er is meer. Een beeldje van een jongen die niets anders draagt dan een zedig vijgenblaadje. Een miniatuurversie van de Eros van Praxiteles, die altijd op Couperus’ bureau stond en die hij eens omschreef als ‘zoo schoon als een ernstige godenzoon, in wien de androgynische ziel weifelt’. Het portret van Couperus’ moeder dat ernaast stond. De schemerlamp die voor een zacht licht zorgde als buiten de ‘jagende wolken’ weer eens ‘zwaar van eeuwigen regen’ voorbijtrokken. Een boekenkast die Couperus’ vriend Maurits Wagenvoort speciaal voor hem liet maken en waarin de eerste drukken van zijn boeken staan. En vooral zijn er de kasten in de catacomben van het museum, waarin tientallen manuscripten en een paar honderd brieven van Couperus liggen.
Mourits trekt een van de ruim veertig met Couperus gevulde laden open en tovert een kladhandschrift van het eerste deel van De boeken der kleine zielen tevoorschijn. ‘Je mag het gerust aanraken, hoor. Door Boudewijn Büch denkt iedereen dat je dan witte handschoentjes moet aantrekken, maar dat is flauwekul.’ De blaadjes sprankelen je tegemoet, volgeschreven met vulpen, in een kriebelig en vrijwel onleesbaar handschrift. Er zijn vlekken, doorhalingen, in de kantlijnen getekende vrouwenhoofdjes, karikaturen, geometrische figuurtjes. Het lijdt geen twijfel: in deze stalen ladenkasten, met nummer C383 erop, houdt in elk geval een déél van de ziel van Couperus zich verborgen.
‘Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar’, roepen grote gouden letters boven de ramen van de naast het Literatuurmuseum gelegen Koninklijke Bibliotheek. Het lijkt een teken. Alleen schreef Couperus die regel toen hij in Den Haag terugkwam na er juist héél lang te zijn weggeweest, omdat hij Den Haag zo kleinsteeds en benepen vond. In 1890 vertrok hij naar Parijs, met het plan zich daar voorgoed te vestigen. Hij hield het nog geen drie maanden vol, maar toch: zou in Parijs nog iets van de ziel van Couperus te vinden zijn?
‘Kun je onbekommerd zijn in tijden van verschrikking, zijn kunst en schoonheid afdoende weermiddel tegen de barbarij? Wat is een leven? Hoe te leven?’ (Bas Heijne: Angst en schoonheid)
Op het terras van Hotel Amour, in het negende arrondissement van Parijs, bestelt schrijver en journalist Bas Heijne een cola zero. In deze buurt schreef Heijne tien jaar geleden zijn essay Angst en schoonheid, over de mystiek in het werk van Louis Couperus, dat een paar maanden terug in een nieuwe uitgave is verschenen bij Prometheus. Van alle boeken die hij schreef is Angst en schoonheid hem het liefst, zegt Heijne. ‘Omdat het over Couperus gaat, in wie ik me al jaren verdiep, maar ook over mezelf. Via Couperus kon ik persoonlijk zijn. Toen ik het een paar maanden terug nalas, dacht ik: jezus. Zó kan ik het niet meer. Elke zin staat gewoon precies goed.’
Dat Louis Couperus in Nederland niet het aanzien geniet dat Proust in Frankrijk wel heeft, komt volgens Heijne vooral door het imago dat hem in de jaren zeventig werd opgeplakt door de literaire elite van die tijd. ‘Couperus, dat was wuft, geparfumeerd, Haags getrut, tempo doeloe. De mensen die de jongeren van nu op Couperus zouden moeten wijzen, hebben zijn werk zélf niet of nauwelijks gelezen. Maar als er één groep is die iets aan Couperus heeft, zijn het de jongeren. Vanwege de existentiële vragen die hij stelt: hoe moet je leven als de zin van dat leven je niet meer automatisch wordt aangeboden, door een geloof of een overtuiging? Wat is belangrijk, wat niet? Dat zijn allemaal vragen van nu.’
Als je aan de ziel van Couperus een plaats wilt plakken, dan is dat niet Parijs maar Italië, zegt Heijne, waar Couperus ná Parijs naartoe reisde. ‘Toen ik mijn boek over Couperus schreef, zag ik voor het eerst dat de drie belangrijkste plekken in zijn leven – Den Haag, Indië en Italië – eigenlijk de polen zijn van zijn persoonlijkheid. Indië staat voor het kind, dat verwonderd kijkt naar de grote natuur om hem heen, maar die natuur ook bedreigend vindt. Den Haag is het sociale leven; het geeft mensen hun plaats, maar is ook verstikkend. En Italië betekent voor hem schoonheid, vrijheid. In Italië kon Couperus het meest zichzelf zijn.’
Toch is Couperus’ beste werk volgens Heijne niet voortgekomen uit de Italiaanse vrijheid, maar juist uit de an Source: Volkskrant