Dankzij een gunstige ligging in de rivierdelta, ondernemerszin en goedkoop gas groeide Nederland vorige eeuw uit tot een rijk en zwaar geïndustrialiseerd land. Maar de tijd dat rokende schoorstenen vooral symbool waren van voorspoed, is voorbij. Het grootste gedeelte van het geld wordt in Nederland allang verdiend met dienstverlening. Intussen drukken Tata Steel, de raffinaderijen in de Rotterdamse haven en de kunstmestfabrieken in Zeeland en Limburg nog altijd zwaar op de nationale CO2-afdruk. Het zal veel beleid, geld en menskracht vergen om al die uitstoot voor 2050 te hebben teruggebracht naar nul.
Kan dat eigenlijk wel? En moeten we dat wel willen, al die industrie in stand houden? ‘Twee keer ja’, is het antwoord van Gert Jan Kramer. Kramer (1961) werkte jarenlang bij Shell aan hernieuwbare energie en aan waterstof als alternatieve brandstof. Sinds 2016 is hij hoogleraar duurzame energievoorziening aan de Universiteit Utrecht. Daar richtte hij twee jaar geleden samen met collega Sanne Akerboom het Sustainable Industry Lab (SIL) op, een kennisplatform waar vertegenwoordigers van industrie, overheid en milieubeweging samen onderzoeken hoe de Nederlandse industrie zo snel mogelijk kan verduurzamen.
In opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat onderzocht het platform afgelopen maanden of Nederland voor 2050 een ‘bloeiende, circulaire en mondiaal toonaangevende industrie’ zou kunnen krijgen waarin de uitstoot van broeikasgassen ‘nagenoeg nul’ is. Ja, is de conclusie in het rapport dat deze week verscheen. Al zal Nederland daarvoor wel energie en grondstoffen moeten blijven importeren.
Over de auteur
Tjerk Gualthérie van Weezel schrijft voor de Volkskrant over energie en de impact van de energietransitie op het dagelijks leven.
Het vergroenen van die industrie is niet eens alleen een nationaal economisch belang, benadrukt Kramer. ‘De wereld heeft een grote behoefte aan alles wat we in die fabrieken maken. Juist de komende decennia. Denk alleen al aan windmolens en elektrische auto's. Daarvoor hebben we dus groen staal nodig, gerecycled plastic en andere kunststoffen.’
Het rapport begint met een verwijzing naar een artikel van de Amerikaanse journalist A.J. Jacobs die probeerde een dag te leven zonder plastic aan te raken. Jacobs had zijn dag grondig voorbereid, inclusief een tandenborstel van bamboe en een katoenen zak met munten. Toch raakte hij nog zeker 163 keer plastic aan. Hij concludeerde dat er veel te veel wegwerpplastic is, maar ook dat plastic vaak het best denkbare materiaal is voor essentiële producten. Ook is het een essentieel onderdeel van zonnepanelen.
‘Omdat het goed duidelijk maakt dat producten uit de basisindustrie essentieel zijn in een moderne samenleving. Wat Jacobs deed met plastic zou je een op een kunnen herhalen voor cement of voor staal. Natuurlijk wordt er in welvarende landen veel te veel verspild en dat moet minder. Maar in de Global South, de ontwikkelende landen in de wereld, zal de vraag naar dit soort producten juist groeien. Dus we staan voor de uitdaging in die behoefte te voorzien en tegelijkertijd de CO2-uitstoot drastisch terug te brengen.’
‘Dat gevoel begrijp ik goed. De impact van klimaatverandering is nu al groot. Maar als ik dan op de website van Extinction Rebellion kijk naar hun oplossingen, denk ik wel: dat kun je niet serieus menen. Zoals dat we in 2025 CO2-neutraal moeten zijn. Als je doordenkt wat het betekent, dan is het niet mogelijk zonder heel veel doden.’
‘Op dit moment is nog geen 20 procent van alle energie die in Nederland wordt gebruikt duurzaam. Bedenk eens wat een ramp het zou zijn als we nu ineens 80 procent minder energie kunnen gebruiken. Zonder fossiele brandstof kunnen we nu niet eens ons elektriciteitsnet continu van stroom voorzien. Het verwarmen van huizen, functioneren van scholen, ons ict-systeem, ons vervoer, de voedselvoorziening, echt alles valt dan om. En als het om de industrie gaat: dat zijn dus ook veel goederen die we heel hard nodig hebben, inclusief kunstmest dat essentieel is om de wereld te voeden.
‘Ik vertel mijn studenten altijd dat vóór het fossiele tijdperk steden nooit meer dan een miljoen inwoners hadden. In 1800 waren er 1 miljard mensen op aarde, nu 8 miljard. Door fossiele energie konden samenlevingen groeien en complexer worden. ‘Stop oil’ is alleen mogelijk als we haar vervangen. En dat moet snel, heel snel, maar kan helaas niet now.’
‘Met de plannen voor grote windmolenparken op zee is er in Nederland vanaf 2030 veel groene stroom beschikbaar. Zodra het waait, produceren die molens meer dan direct wordt gebruikt. Vanaf dat moment loont het om met zogenoemde elektrolyzers waterstof te maken. Die waterstof kan bijvoorbeeld worden gebruikt om groen staal te maken. Maar we zullen ook voor een deel energie moeten importeren. Met name voor de kunstmestindustrie.’
‘Zeker. Er is bijna geen land ter wereld waar zo’n groot aandeel van de fossiele brandstof wordt gebruikt voor niet-energie doeleinden. Uit aardolie worden plastic, textiel en andere kunststoffen gemaakt. Nu eindigen die materialen vaak op de vuilnisbelt, in de oceaan of na verbranding alsnog als CO2 in de lucht. Dus aan die manier van produceren en consumeren moet een einde komen.’
‘Ja. Je kunt die producten maken uit biologische materialen. En je kunt het ook doen door recycling. In beide gevallen is dat nieuw werk voor raffinaderijen en de chemische industrie. Dat betekent wel dat we biologisch materiaal en -afval zullen moeten importeren. Want de Nederlandse chemie exporteert 90 procent van de productie. Circulariteit betekent dat die producten aan het eind van hun leven terug moeten naar de fabriek.’
‘Sinds de klimaattop in Parijs van 2016 is daar echt een omslag gekomen. Toen werd voor bedrijven helder: dit gaat echt gebeuren. Zij weten dat hun uitstoot heel snel omlaag moet, en intern zijn er vaak al allemaal technische oplossingen gevonden voor hoe dat kan. De grote vraag is of die scenario’s wel rendabel zijn te maken. Dat hangt voor een belangrijk deel af van overheidskeuzen: of we de infrastructuur en de ruimte beschikbaar willen maken. Ons rapport is bedoeld om die maatschappelijke discussie verder te brengen.’
De Nederlandse staalindustrie bestaat feitelijk maar uit één bedrijf: Tata Steel in IJmuiden. Tata is de grootste energieverbruiker van het land en goed voor 8 procent van de nationale CO2-uitstoot. Het bedrijf ligt vooral onder vuur vanwege de uitstoot van giftige stoffen, maar ook vanwege dat broeikasgas.
Volgens Kramer is het belangrijk te beseffen dat de hoeveelheid staal die er in IJmuiden wordt geproduceerd ongeveer even groot is als de Nederlandse staalconsumptie, en dat voor de energietransitie de komende jaren ook veel staal nodig is. Stoppen met staalproductie in IJmuiden zal dus alleen maar betekenen dat we onze milieubelasting naar andere delen van de wereld verplaatsen, aldus de hoogleraar.
Tata zet zelf in op productie van groen staal op basis van waterstof. Kramer: ‘Die waterstof moet dan gemaakt worden met windenergie van de Noordzee. Dat kan, maar het laat ook zien dat een duurzame economie een flinke impact heeft op het landschap.’
In de Rotterdamse haven en Zeeland liggen zes grote raffinaderijen. Daar wordt ruwe olie vooral verwerkt tot benzine, stookolie en diesel. Ongeveer eenvijfde van alle verwerkte olie wordt in honderden chemische bedrijven verder verwerkt tot andere materialen. De Nederlandse petrochemie is tevens nauw verweven met de industrie in Antwerpen, langs de Rijn en in het Ruhrgebied.
Door de opkomst van de elektrische auto is bij de grote raffinagebedrijven al enige jaren een belangrijke knop omgegaan, zegt Kramer. ‘Zij weten: wat wij nu doen, houdt grotendeels op.’ Maar de combinatie van chemische kennis, ligging aan de Noordzee en de Rijnmond en de beschikbaarheid van veel windenergie biedt grote kansen om een ‘duurzaam industrieel cluster’ te ontwikkelingen, schrijft het Sustainable Industry Lab. Kramer legt uit: ‘Die bedrijven kunnen koolstof uit afval of uit biomassa verwerken tot een soort nieuwe moleculensoep of gas waaruit weer andere producten worden gemaakt.’
Nederland heeft twee grote kunstmestfabrieken: die van Yara in het Zeeuwse Sluiskil en OCI bij Chemelot in Geleen. Beide zijn vestigingen van grote multinationals waar vooral uit aardgas ammoniak wordt gemaakt dat daarna verder wordt verwerkt tot kunstmest. De kunstmestindustrie is goed voor ongeveer 3 procent van de Nederlandse uitstoot.
Ammoniak, het belangrijkste basismateriaal voor kunstmest, wordt nu nog gemaakt uit aardgas maar kan ook met duurzame energie gemaakt worden uit water en stikstof. Het maken, per schip vervoeren en tot kunstmest verwerken van groene ammoniak is efficiënt ten opzichte van het importeren van waterstof. Dat maakt de kunstmestsector tot de logische industrie om energie te importeren.
Op de achtergrond speelt bij kunstmest nog wel een andere vraag: kunnen landen in het Midden-Oosten en Afrika die dankzij veel zon en wind eventueel groene ammoniak zouden kunnen produceren, niet kunstmest maken en die verhandelen? Kramer: ‘Dat is een goede vraag, maar die zullen die landen uiteindelijk zelf moeten beantwoorden.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservari Source: Volkskrant