Home

Doireann Ní Ghríofa: ‘Zorgen voor een nieuwe generatie is een daad van hoop’

Deze zomer reist Doireann Ní Ghríofa met haar man en vier kinderen naar Amsterdam. Haar jongste dochter – die in haar romandebuut Een geest in de keel figureert als baby’tje – is inmiddels 7 jaar oud, haar oudste zoon een tiener. ‘Voor mij is de zomer een periode van rust en reflectie. Ik kijk uit naar iets fris en nieuws, dat gevoel is bij mij sterker in de zomer dan op Oudejaarsavond’, vertelt Ní Ghríofa − jeugdig, zwart haar, pony en een zachte stem − via Zoom, thuis vanuit haar werkkamer in het Ierse County Cork.

Een geest in de keel verscheen in 2021 in Nederlandse vertaling, maar werd pas echt omarmd in 2022 – het is een slowseller, een boek dat via mondreclame een steeds groter publiek bereikt. Het ontving vele juichende kritieken. Zo schreef Volkskrant-recensent Lotte Jensen in haar vijfsterrenrecensie: ‘Ní Ghríofa schrijft op een ongekend sprankelende, verfrissende en poëtische manier. (…) een razend knappe ode aan de literatuur en aan het vrouwelijk schrijverschap, vroeger en nu.’ In Ierland werd het verkozen tot boek van het jaar en het werd onder meer genomineerd voor de Europese Literatuurprijs.

Over de auteur
Laura de Jong is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers van fictie en non-fictie over hun nieuwste werk.

In Een geest in de keel vervlecht Ní Ghríofa twee vrouwenlevens: dat van haarzelf en dat van de 18de-eeuwse dichteres Eibhlín Dubh Ní Chonaill. Als moeder van vier kleine kinderen is Ní Ghríofa de hele dag bezig met lijstjes wegwerken, kolven, wassen, koken en opruimen. Intussen raakt ze gefascineerd door de rouwklacht van Ní Chonaill, geschreven in 1773 na de brute moord op haar echtgenoot. Ní Ghríofa besluit het gedicht, dat in het Iers Caoineadh Áirt Úi Laoghaire wordt genoemd en in het Engels bekendstaat als The Lament for Art O’Leary, opnieuw te vertalen. Terwijl ze daarmee bezig is, raakt ze steeds meer geïntrigeerd door Ní Chonaill. Of beter gezegd: van de totale vergetelheid waarin zij is geraakt. Want hoe is het mogelijk dat er zo weinig bekend is over een vrouw die zo’n schitterend gedicht heeft nagelaten?

Je zou kunnen zeggen dat Ní Ghríofa haar 18de-eeuwse voorganger niet alleen een stem geeft, maar haar ook weer de hoofdrolspeler maakt in plaats van een bijfiguur, en ze gebruikt daarvoor een schitterende poëtische taal. Dit alles maakt Een geest in de keel tot een buitengewoon mooi en troostrijk boek.

‘Ik was net bevallen van mijn vierde kind. Ook al ben je de eerste dagen, weken en maanden constant met je baby, toch kan dat eenzaam zijn. Het is een vreemde dichotomie van nooit alleen zijn en je toch behoorlijk alleen voelen, omdat je soms vele uren geen andere volwassene ziet. Maar het gedicht van Ní Chonaill hield me gezelschap. Steeds als ik het las, voelde ik een aanwezigheid, een stem. Hoe vaker ik het las, hoe meer ik wilde weten over de persoon die dit gedicht had gecomponeerd. Dat verlangen dreef me het huis uit, om meer informatie over haar te zoeken en plaatsen te bezoeken waar zij tijd had doorgebracht. De baby sleepte ik overal mee naartoe.’

‘Aanvankelijk ging ik naar de bibliotheek en zocht ik naar alles wat er over haar leven te vinden was. Maar in de paar boeken waarin ze werd genoemd, stond alleen een zeer korte biografische schets die draaide om de mannen in haar leven. Dan stond er: de auteur van dit gedicht was de vrouw van Art O’Leary en de tante van Daniel O’Connell, die een zeer beroemde katholieke politicus in de Ierse geschiedenis was. Dat begon me te ergeren, ik wilde alles over háár leven weten, niet over dat van de mannen in haar leven. Frustratie was in eerste instantie dus de motor voor mijn onderzoek. Ik was helemaal niet bewust bezig met een boek.’

‘Het voelde als een daad van vergelding om het leven, de kunst en de nalatenschap van zo’n bijzondere, maar onderschatte vrouw, in de schijnwerpers te zetten. Die daad an sich was eigenlijk een daad van troost, in plaats van er alleen maar boos over te zijn. Het voelt alsof er iets op een of andere manier een klein beetje is rechtgezet.

‘Maar een klein beetje, hoor. Want er was zoveel dat ik niet kon vinden over haar leven. Iets simpels als waar ze begraven ligt, in welk jaar ze stierf. In het familiearchief heeft niemand de moeite genomen om die informatie op te schrijven. Dat is zo jammer en zo’n verlies. Ik blijf hopen dat de nieuwe generatie die gaten nog eens gaat opvullen.’

‘Als kind vond ik troost in de natuur. Ik groeide op in Ennis in County Clare, in een stedelijk gebied in het westen van Ierland. Mijn twee zusjes en ik hadden veel geluk met de oppas, Eileen Blake, naar wie we toe werden gestuurd tot ons 12de jaar. Ik heb Een geest in de keel ook aan haar opgedragen. Ze woonde in een huis met aan de achterkant een tuin die uitkwam op een stuk wildernis, een soort bos. Het waren de jaren tachtig, dus we mochten het alleen verkennen, zonder volwassenen erbij. Eileen was verantwoordelijk voor vijftien tot twintig kinderen, dus feitelijk waren we een grote bende kinderen die daar vrij rondzwierf.

‘In het bos heb ik voor het eerst gevoeld dat ik troost ontving, in plaats van dat ik hem zocht. Daar zit een verschil tussen. Door in de natuur, de wildernis en bij de bomen te zijn heb ik bijna passief geleerd om troost te absorberen. Als ik me nu als volwassene ellendig voel, word ik als een magneet naar de natuur en in het bijzonder naar bomen getrokken. Dat is een les die ik als kind heb geleerd.’

‘Nee, nooit. Ik ben er pas als volwassene toe gekomen. Nu we het over dit onderwerp hebben − ik heb me dit nooit eerder gerealiseerd − besef ik dat het verhaal over hoe ik ben gaan dichten ook over troost gaat. Voor ik mijn eerste kind kreeg, werkte ik op een basisschool. Ik gaf les aan een klas met 34 kinderen van 5 jaar oud. Toen mijn oudste kind net was geboren, ik was 27 jaar, kwam mijn grootvader op sterven te liggen. Hij had een speciale band met al zijn kleinkinderen, we waren allemaal zo dol op hem, dus iedereen kwam bij elkaar in Dublin om bij hem te zijn op het einde.

‘Maar mijn man moest werken, en het voelde niet gepast om mijn pasgeboren zoontje mee te nemen terwijl mijn grootvader op sterven lag. Dus terwijl iedereen naar hem toe ging, bleef ik alleen achter in het huis van mijn tante. En toen kwam er plots een gedicht in me op. Dat was hoogst ongebruikelijk, want ik had nog nooit eerder iets geschreven. Ik rende rond door het huis om pen en papier te vinden en ik schreef het gedicht op. Zodra de pen de pagina raakte, bleef ik schrijven. Sindsdien heb ik elke dag geschreven.

‘Het was net als wat ik vertelde over het bos en hoe ik daar als kind bemoediging vond. Ook nu zat ik in een situatie waarin ik troost nodig had, al was ik daar niet actief naar op zoek. Toch kwam hij in een vorm die ik niet verwachtte, en dat veranderde mijn leven volledig. Na mijn zwangerschapsverlof ben ik nooit meer gaan lesgeven. We regelden het financieel zo dat ik thuis kon blijven om te schrijven. En zo gaat het tot op de dag van vandaag. Ik kan nu ook niet meer zonder. Als ik een dag niet heb kunnen schrijven, heb ik het gevoel dat de woorden eruit moeten, als de prik in een flesje cola.’

‘Literatuur is voor mij als een bron waar we naartoe kunnen gaan en een emmer in onder kunnen dompelen. De emmer die ik onderdompel, komt nooit leeg terug. Hij komt altijd terug met iets dat me voedt of ondersteunt of opbeurt of provoceert. Literatuur is dus voor mij een van de meest ondersteunende krachten die er zijn.’

‘Voor mij zijn het vaak gedichten. En dan vooral gedichten die gevoelens van ontreddering, verdriet of verwarring erkennen en ons sterken. Er is één gedicht in het bijzonder: ‘Separation’ van W.S. Merwin. Het zijn maar drie regels, maar het is prachtig. Het gaat zo:

Your absence has gone through me
Like thread through a needle.
Everything I do is stitched with its colour.

‘Ik herinner me niet eens wanneer ik dit gedicht uit mijn hoofd leerde, maar het is voor mij verschillende keren een troost geweest. Ik vind het mooi hoe het de afwezigheid erkent, maar ook moed inspreekt en schoonheid laat zien in de laatste regel.

‘Een van de geneugten van poëzie is dat je gedichten uit het hoofd kunt leren. In het Engels zeg je: take it by heart. In het Iers hebben we daar geen goede uitdrukking voor. Ik vind het mooi hoe de Engelse taal het onthouden in het hart stopt, want daar gaat het om bij poëzie. Je draagt een gedicht met je mee, niet alleen in je hoofd, maar ook in je hart.’

‘Ik denk dat ik die de hele tijd nodig heb, haha! Ik weet niet of het aan mij ligt, maar ik vind het dagelijks leven moeilijk en stressvol. Ik ben iedere dag op zoek naar vertroosting. Ik merk dat ik dagelijks op kleine manieren op zoek ga naar bemoediging. Troost zoeken kan iets groots zijn voor grote pijn, maar het kan ook iets heel gewoons en dagelijks zijn. Zoiets simpels als buiten een kopje thee drinken terwijl je de vogels hoort fluiten, dat zijn simpele dingen die ons door het gewone leven kunnen helpen.

‘Schoonheid en troost liggen dicht bij elkaar, ik begrijp niet precies waarom, maar er is een menselijke drang om schoonheid te zoeken en daar verlichting en troost uit te halen.’

‘In Ierland wenden we ons in moeilijke tijden snel tot de poëzie. Dat is een algemene bron van troost hier. Dat stamt nog uit de tijd van de orale verhalen en liederen. Wij hebben poëzie geabsorbeerd tot in het diepst van onze Source: Volkskrant

Previous

Next