N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Vluchtende mannen Oekraïense mannen die niet willen vechten vluchten soms naar Roemenië, over de Karpaten of de grensrivier. Niet iedereen overleeft die oversteek. En als het lukt vrezen ze de hoon van familie en buren bij terugkeer.
Dertig seconden. Langer duurde het niet. Maar het waren de dertig meest intense seconden van zijn leven.
Op 24 juli vorig jaar stak de Oekraïense Ion (28) de rivier de Tisza over naar Roemenië. Illegaal. Hij koos voor de rivier, die 63 kilometer lang kronkelt langs de grens tussen Roemenië en Oekraïne. Van een afstandje lijkt de groengrijze Tisza een vredig meanderende rivier, maar van dichtbij blijkt de stroming verraderlijk sterk. En hoewel je op sommige plekken iemand aan de overkant zou kunnen verstaan, moet je op de minst brede stukken toch nog ruim vijftig meter overbruggen.
Ion had ook over de bergen kunnen vluchten, via het Maramures Nationaal Park. Maar de Karpaten zijn hoog en met sneeuw bedekt. Zelfs in de zomer duurt het drie tot vier dagen om vanuit Oekraïne Roemenië te bereiken. Als je niet verdwaalt, of gewond raakt.
De bergen of de rivier, een alternatief had Ion niet. „Ik zat drie dagen vast in een kazerne, nadat ik voor mijn huis door soldaten van straat was geplukt om te vechten aan het front in Oekraïne”, zegt de stevige jongen met gemillimeterd haar. Hij woonde in een dorpje zo’n zes kilometer van de grens met Roemenië, waar een Roemeense minderheid woont die Roemeens spreekt. „Ik heb zelfs de dubbele nationaliteit”, zegt Ion. Vechten in de oorlog wil hij niet. De oorlog is niet zijn oorlog. „Ik voel me meer Roemeen dan Oekraïner.”
Hij betaalde iemand in de kazerne vijfhonderd dollar smeergeld om tijdelijk naar huis te mogen. De voorwaarde was dat hij binnen vijf dagen een doktersverklaring zou regelen, die zijn geveinsde gezondheidsproblemen zou bewijzen. „Op de vijfde dag stak ik de rivier over.”
En nu zit hij in een café in grensstad Sighetu Marmatiei, op zo’n vijftig meter van de rivier de Tisza. „Ik heb mijn ouders achtergelaten en terugkeren kan ik niet meer.”
Ion is niet de enige Oekraïner die sinds het uitbreken van de oorlog illegaal de grens is overgestoken naar Roemenië. Zeker 6.500 mannen hebben de oversteek gewaagd, volgens cijfers van de Roemeense grenspolitie. Maar niet iedereen haalde de overkant. Elf lichamen heeft de grenspolitie ontdekt aan de Roemeense kant, van wie zeven aan de oevers van de rivier en vier in de bergen. En vijftien lichamen aan de Oekraïense kant. Velen zijn nog vermist en volgens onofficiële cijfers zijn zeker negentig mannen overleden die de grens probeerden over te steken.
Alle mannen die illegaal de grens oversteken zijn dienstplichtig. Alleen mannen onder de achttien en boven de zestig mogen het land legaal verlaten. Of als ze minstens drie kinderen hebben of de zorg dragen van een kind met een beperking. De rest is sinds het uitbreken van de oorlog in principe oproepbaar om te vechten in het leger. En daarom proberen velen te vluchten. Vorig jaar hield de Oekraïense grenswacht 12.000 mannen tegen.
In een gloednieuwe terreinwagen rijdt Vlad (24) van de Roemeense grenspolitie langs de hobbelige zandwegen naast de rivier. Achter in de wagen liggen dekens en droge mannenkleding. Hij is er om de Oekraïners te helpen, maar velen zijn bang voor hem en zijn collega’s. „Ze denken dat we ze terugsturen, maar dat doen we nooit”, zegt Vlad terwijl hij met een verrekijker langs de oevers van de rivier kijkt.
Vaak zijn de gevluchte mannen gewond. Voeten, enkels, knieën en vingers zitten vol wonden of kneuzingen. En in ergere gevallen hebben ze last van onderkoeling. „We behandelen ze meteen, bij ons zijn ze veilig”, zegt Vlad. „Ze kunnen asiel aanvragen en dan brengen we ze naar een opvangcentrum.”
Maar het gaat niet altijd goed. Afgelopen kerstavond was er een groep van zes mannen, vrienden van elkaar, die de bergen probeerden over te steken en daar verdwaald raakten, zegt Vlad. Ze belden 112 en Vlad en zijn collega’s kwamen in actie. „We vertelden hen dat ze bij elkaar moesten blijven.” Het was koud, de sneeuw in de bergen was meters hoog en één van de mannen had zijn been gebroken na een val. Maar ze luisterden niet, zegt Vlad. „Waarschijnlijk waren ze bang dat we ze terug zouden sturen.”
De grenspolitie zocht naar ze, evenals een bergreddingsteam, de politie en brandweer. De vriendengroep zat op meer dan tweeduizend meter hoogte, boven de wolken. De man met het gebroken been werd achtergelaten. Ook een tweede man viel, raakte gewond en werd achtergelaten. Na vier dagen vonden ze de andere mannen. En even later de twee lichamen. „Hadden ze maar naar ons geluisterd, samen hadden ze het misschien overleefd”, zucht Vlad, terwijl het lawaai van een overvliegende helikopter klinkt.
Ergens in de winter vorig jaar, toen burgemeester Ivan Brinzaniuc net wilde beginnen met de gemeenteraadsvergadering in het Roemeense grensdorp Remeti, kreeg hij opeens bezoek van drie mannen. „Ze waren echt zeiknat”, zegt Brinzaniuc terwijl hij in de hal van het gemeentehuis de plek aanwijst waar de mannen stonden. „Hier in de gang lag een hele plas water.”
De drie mannen uit Oekraïne, tussen de 28 en 33 jaar, waren gevonden door een vrouw die langs de rivier reed. Zij bracht hen naar Remeti, omdat het een van de drie dorpen is aan de Roemeense kant van de grens waar het merendeel van de bewoners oorspronkelijk Oekraïens is. „Ik spreek de taal”, zegt Brinzaniuc. „En aan het begin van de oorlog stonden veel dorpsbewoners met mij bij de grensovergangen om te vertalen.”
Inwoners wachten om de grens tussen Roemenië en Oekraïne over te kunnen. Foto Vasile Dorolti
In de maanden na het uitbreken van de oorlog kwamen „zeker zeven of acht illegaal gevluchte mannen per week hier op het gemeentehuis aan”, zegt Brinzaniuc. De afgelopen tijd is dat minder, al meldde zich een dag eerder nog een 29-jarige man. „Nat en heel erg bang.” Maar niet iedereen die de rivier oversteekt meldt zich, zegt de burgemeester die vlak bij de rivier woont. „Elke twee, drie nachten horen we wel stemmen aan de oever.”
Hij kan alleen niet iedereen helpen. De burgemeester laat een screenshot zien op zijn telefoon. Op het scherm staat een appgesprek tussen een Oekraïense vrouw en haar man. Om 6:12 uur stuurt de man haar een appje: „We zullen elkaar zien, ik schrijf je later.” „Goed” antwoordt de vrouw. Twee uur later stuurt hij haar de locatie waar hij is. Aan de rivier in het Oekraïense dorp Velykyi Bychkiv, tegen de Roemeense grens aan. Het is het laatste contact dat de twee zullen hebben.
Deze oorlog heeft de wereld veranderd, alleen voor ons zijn die veranderingen dichterbij
Ivan Brinzaniuc burgemeester van het Roemeense grensdorp Remeti
„Vier dagen na het laatste appcontact nam de vrouw contact met mij op”, zegt burgemeester Brinzaniuc. Of hij haar kon helpen haar man te vinden. „Zij zat in Duitsland met hun twee kinderen en was wanhopig, ze wilde hierheen komen om hem te zoeken.” Een paar dagen later stuurde ze de burgemeester een bericht. Haar man was gevonden in het Roemeense Bocicoiu Mare, op een betonnen plaat aan de rand van de rivier. Hij had de overtocht niet overleefd.
„Het laat je niet koud”, zegt Brinzaniuc. Ook de burgemeester heeft nog familie in Oekraïne: een grootmoeder en neven. „Deze oorlog heeft de wereld veranderd, alleen voor ons zijn die veranderingen dichterbij dan voor de rest van de wereld.”
Anca Marina, leidinggevende van de spoedeisende hulp in het ziekenhuis van Sighetu Marmatiei, heeft het druk. Zo druk, „dat ik me weinig meer kan herinneren van de patiënten hier”, zegt ze over de illegaal gevluchte Oekraïners. „Zeker drie of vier mannen zijn hier overleden, anderen hadden vaak bevroren ledematen of waren onderkoeld. In sommige gevallen hebben we amputaties verricht”, zegt Marina.
Ze ziet de groep patiënten uit Oekraïne wel verminderen. „In het begin renden ze gewoon weg uit Oekraïne, totaal onvoorbereid”, zegt de arts. „Maar nu dragen ze vaak een plastic tas mee met droge kleren en hebben ze medicatie, pillen en hun ID-kaart in een zakje mee.”
Eén patiënt herinneren de dokters zich in het ziekenhuis nog wel. In de winter trokken vier mannen door de bergen, onder wie twee broers, vertelt Christian Brad, hoofd van de medische afdeling. Eén van hen overleed aan onderkoeling. „De andere broer droeg hem vier kilometer door de bergen, totdat een reddingsteam hen na vier dagen vond.” De man was ervan overtuigd dat zijn broer niet dood was, zegt Brad. „Hij was zo getraumatiseerd, dat hij niet onder ogen kon zien dat zijn broer was overleden.”
Een gevluchte man, wiens voorvoeten geamputeerd zijn nadat zijn tenen waren bevroren tijdens de vlucht, wil ondanks herhaaldelijke verzoeken niet met NRC praten. In een appje zegt hij moe te zijn, vlak na een behandeling in het ziekenhuis. Maar waarschijnlijk speelt er nog iets anders, zegt Vasile Vlasin, die de behandeling van de man betaalt. „Hij is waarschijnlijk een van de weinige Oekraïners in Roemenië met geamputeerde voeten en bang voor de gevolgen wanneer hij ooit terugkeert.”
De deserteurs vrezen niet alleen herkend te worden nu de oorlog woedt, zegt Vlasin. Ze zijn ook bang voor de reacties na de oorlog. „Hoe gaan achtergebleven families, vrie Source: NRC