Weinig mensen hebben het niet gelezen, op de middelbare school, kort of lang geleden. Nog altijd is het boekje een onverbiddelijke topper voor de literatuurlijst. Het is een dunnetje, dat kan meehelpen. Maar het verhaal over een Joods gezin in de Tweede Wereldoorlog dat wordt weggevoerd en vermoord, is ook zo helder, eenvoudig en direct geschreven dat iedereen het begrijpt. Wát erin staat is eigenlijk nooit te begrijpen. Dat een doodgewoon, liefdevol gezin uiteen wordt gereten omdat iemand vond dat ze van het verkeerde ras of geloof waren. Dat ze dood moesten. En dat niemand hen beschermde.
Niet De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans, De aanslag van Harry Mulisch of Kort Amerikaans van Jan Wolkers werd in de Nederlandse literatuur het iconische boek over de Tweede Wereldoorlog, maar Het bittere kruid, van hun generatiegenoot Marga Minco, die in 1920 werd geboren als Sara Menco.
Voor de oorlog is ze journalist bij Bredasche Courant, dat ook een paar literaire verhalen van haar plaatst. Ze wordt daar als de oorlog uitbreekt ontslagen. In 1945 trouwt ze met dichter Bert Voeten, met wie ze twee dochters krijgt. Ze blijft schrijven; na de oorlog publiceert ze verhalen in het humoristische tijdschrift Mandril en in Het Parool.
In 1957 debuteert ze als Marga (haar onderduiknaam) Minco met Het bittere kruid, dat is gebaseerd op aantekeningen uit de oorlog die ze kwijt was geraakt. Het kreeg meer dan vijftig drukken. Ondanks deze everseller, zou ze nooit gerekend worden tot de grote Drie, Vier of Vijf van de Nederlandse literatuur, hoewel alles wat ze daarna publiceerde van hoog niveau was. Pas op haar 98ste, in 2019, werd haar de hoogste literaire onderscheiding, de P.C. Hooftprijs toegekend – schandalig laat. Dat vond ze zelf ook, zei ze in interviews. Maar goed, ze hád hem tenminste.
Met Het bittere kruid is het zoals met veel stukgelezen, uitgekauwde klassiekers: als je ze zonder verwachtingen herleest kunnen ze opmerkelijk fris zijn. Dat geldt voor Het Achterhuis van Anne Frank, en het geldt voor Het bittere kruid. De stijl van de roman, of eigenlijk 22 samenhangende verhalen, is ijzingwekkend gewoon, de taal totaal niet verouderd, de emotionele lading onverminderd groot; juist omdat er veel dreiging en weinig gruwel in zit, en je, met de jonge ik-vertelster, denkt: maar dit kán toch niet zomaar?
Over honderd jaar zal dat effect nog net zo zijn. Er staan zinnen in als: ‘Toen die morgen het telegram uit Amsterdam kwam, was mijn eerste gedachte: iemand moest zich vergist hebben.’ Als de bel gaat en het gezin opgepakt zal worden: ‘We bleven zitten en keken elkaar verbaasd aan. Alsof we ons afvroegen: Wie zou daar zijn? Alsof we het niet wisten!’
Alleen de vertelster ontkomt. Haar vader vraagt: ‘Haal onze jassen even, en het meisje rent weg, instinctief, keihard. Ze zal onderduiken en overleven. Ze zou ze het zichzelf verweten, dat zij niet bij haar ouders was gebleven. Haar ouders, broer en zus en zwager, kwamen nooit meer terug. Dat ging in het leven van Marga Minco precies zo. Ze hield haar familie levend in haar autobiografische werk, zij gaf ze hun taal terug.
Ze bleef tot op hoge leeftijd schrijven. Ze was iemand, vertelde ze in interviews, die altijd aantekeningen maakte, en haar verhalen eindeloos herschreef. Veel van wat ze schreef, publiceerde ze niet. Het moest goed zijn, elke zin. De lat lag hoog, na haar overdonderende en geprezen debuut.
Het ging niet altijd over de oorlog. Ze schreef ook humoristische en absurdistische verhalen, zoals Meneer Frits en andere verhalen uit de vijftiger jaren (1974) en ze schreef ook voor kinderen: De verdwenen bladzij en andere kinderverhalen (1994).
Zelf vond ze Een leeg huis (1966) haar beste werk. Ze beschrijft daarin de verwarrende, ontheemde periode na de bevrijding. Twee Joodse meisjes proberen hun leven op te pakken nadat ze ondergedoken hadden gezeten. De mensen reageren op de overlevenden alsof ze besmet zijn, met onheil: ‘Ze durven niet te vragen: ‘Bent u een jodin, net als mevrouw Cohen? Israëliet hoor je niet veel meer, het is ook een te moeilijk woord, al kun je er de zaak mooi mee omzeilen. Want ze willen wel graag weten of je jood bent. Waarom? Om te kunnen denken: hij liever dan ik?’ ‘
In juni 2019 bleek dat de uitreiking van de langverwachte P.C.Hooftprijs voor Minco niet alleen feestelijk moet zijn geweest. Bekend werd dat de voorzitter van de stichting P.C. Hooftprijs, de Groningse hoogleraar Nederlandse letterkunde Gillis Dorleijn, de kleinzoon was van de vrouw die model stond voor mevrouw Dorling in Minco’s pijnlijke verhaal Het adres uit 1957. Net als in dat verhaal zou Minco de in de oorlog tijdelijk bij Dorleijn ondergebrachte bezittingen van haar familie nooit terugkrijgen. Het was opnieuw een akelige streek van het lot. Minco zei over de bestuursvoorzitter: ‘Hij kan er niets aan doen.’
Zoals elke schrijver verdient Marga Minco het te worden herinnerd om haar beste werk. Dat is in haar geval niet moeilijk, want ze publiceerde alleen het beste.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden