Home

Opinie: We hebben de kans linksaf te slaan, met de ‘ongehoorde meerderheid’ – daarom werd ik vandaag lid van de PvdA

Het is alweer twee zomers geleden dat voormalig PvdA-fractieleider Lilianne Ploumen en ik elkaar in haar tuinhuisje aan de rand van Amsterdam-West troffen. De onderhandelingen voor een nieuw kabinet waarin in volle gang en onze fracties hadden besloten elkaar niet los te laten. We hadden behoefte om onszelf, weg van de Haagse hectiek, de vraag te stellen wat nu eigenlijk de betekenis was van de samenwerking die Partij van de Arbeid en GroenLinks in deze formatie waren aangegaan. Was dit slechts een strategische zet in de onderhandelingen of betekende dit iets fundamentelers? We spraken tegen elkaar uit: dit is het begin van iets groters.

Over de auteur

Jesse Klaver is Tweede Kamerlid en fractievoorzitter van GroenLinks.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Twee jaar later is die samenwerking hechter geworden dan velen voor mogelijk hadden gehouden: we staan op de drempel om samen met één programma, één lijst en één premierskandidaat de Tweede Kamerverkiezingen in te gaan.

In het gesprek met Ploumen ging het over onze drijfveren voor de samenwerking. Ik vertelde dat het mij in de kern erom gaat dat we breken met het ieder-voor-zich tijdperk en kiezen voor ‘samen’. In de maatschappij én in de politiek zelf.

Ik wil geen maatschappij waar het ‘ieder voor zich’ is en waar dus de sterkste wint. Waar het eigenbelang zegeviert. Waar falen, en zelfs ziekte, je eigen schuld is en je daarvoor boete moet doen. Waar grote bedrijven er met de buit vandoor gaan.

Ik wil onze maatschappij bouwen op het idee dat we er voor elkaar zijn. Waar niet egoïsme, maar solidariteit de leidraad is. Waar we lusten en lasten eerlijk delen. Een empathische samenleving, waar we samenwerken en onze handen ineenslaan.

Samenwerking in de politiek is broodnodig. Het idee van een partijpolitieke doorbraak is niet nieuw. Na de Tweede Wereldoorlog was er in links-progressieve kring een enorme behoefte aan vernieuwing. De sleets geworden politieke tegenstellingen langs verzuilde lijnen, op basis van strak afgebakende geestelijke en religieuze stromingen, zouden moeten wijken voor een politiek gestoeld op gedeelde ideologische uitgangspunten en idealen. Uit dat progressieve idealisme werd de Partij van de Arbeid geboren. Een daad van vernieuwing en een poging – net als later met Keerpunt ’72 – om concurrentie tussen geestverwanten om te buigen naar samenwerking.

De urgentie voor links-progressieve samenwerking is nu opnieuw enorm groot. Het is veel te lang ieder-voor-zich geweest. Italië vormt voor linkse partijen een voorbeeld van hoe het niet moet: omdat linkse leiders bij de verkiezingen niet over hun onderlinge verschillen heen konden stappen en weigerden een blok te vormen, kon rechts de macht grijpen en greep radicaal rechts het premierschap.

In zekere zin is de periode van verzuiling te vergelijken met deze tijd waarin we steeds meer langs elkaar leven. We zijn nu niet meer via kerkelijke weg van elkaar gescheiden, maar door nieuwe vormen van klasse, die samenhangt met opleiding en leefstijl. Of je havermelk of koeienmelk drinkt. Of je op een elektrische fiets door de stad racet of juist de regio-bus pakt. Hoe je vriendenkring eruitziet. Dat heeft z’n uitwerking op de politiek. Voor iedere sociale groep lijkt wel een eigen politieke vertegenwoordiging te zijn, en die versplintering raakt ook de progressieve beweging. Ook daarom is een doorbraak zo belangrijk: om mensen met verschillende achtergronden samen te kunnen brengen in één politieke formatie.

Wordt 2023 het jaar van een politiek keerpunt? Is het vertrek van Mark Rutte slechts een wisseling van de wacht in de VVD of markeert zijn opstappen het einde van de dominantie van de VVD in het politieke landschap en daarmee van een ideologisch tijdperk? Het vertrek van Rutte kwam onverwacht, maar het einde van dit tijdperk kondigde zich al langer aan. De neoliberale agenda van ieder-voor-zich was uitgewerkt en een ander verhaal had de VVD niet. Politieke stagnatie en grote maatschappelijke onvrede was het resultaat.

Het neoliberalisme van de VVD was een ideologie die deed alsof het geen ideologie is. Die zich verschool achter de retoriek van ‘verstandig’ en ‘efficiënt’ beleid. Maar het is een ideologie die de verzorgingsstaat heeft afgebroken. Publieke voorzieningen in de uitverkoop heeft gedaan. En steevast koos voor de belangen van de markt.

Sterker nog: het is een ideologie die van de overheid een pinautomaat voor diezelfde markt heeft gemaakt. Die mensen wijs probeerde te maken dat ze in een snelle wereld van winnaars en verliezers vooral hun eigenbelang moeten nastreven. Een ideologie die zegt: ‘Jij bent verantwoordelijk voor je eigen geluk en eigen ongeluk. Voor je eigen kansen. Voor je eigen welzijn. En een politiek alternatief is er niet’.

De politieke toekomst ligt open bij de Tweede Kamerverkiezingen in november. Er is een kans op een nieuw politiek begin, en die moeten we grijpen. We hebben de kans linksaf te slaan en te kiezen voor een agenda waarin we niet alleen afrekenen met meer dan een decennium lang leiderschap zonder visie, maar ook concreet en gedurfd laten zien hoe het anders kan. Een agenda die rood en groen verenigt. Die zorgt voor minder ongelijkheid, zoals we dat ook hebben gedaan in de jaren van wederopbouw. Een agenda die bouwt aan een nieuwe groene economie en afrekent met de ieder voor zich samenleving.

Die grotere gelijkheid begint bij wat van ons allemaal is: onze publieke voorzieningen. De afgelopen decennia zijn voorzieningen verwaarloosd en ontoegankelijker gemaakt. Een van de grote verdiensten van de sociaaldemocratie om te zorgen voor bestaanszekerheid in Nederland was de totstandkoming van de AOW. De oudedagsvoorziening die voor iedereen gelijk is en zekerheid geeft op de oude dag. Voor de rest van de sociale zekerheid hebben we dat niet gedaan. Daar geldt voorwaardelijkheid en inkomensafhankelijkheid.

Door alles in Nederland inkomensafhankelijk te maken, hebben mensen met gewone inkomens het steeds zwaarder gekregen en zijn er onuitvoerbare regelingen ontstaan. Ik strijd ervoor iedereen echte financiële zekerheid te bieden, zonder wantrouwen. En ook onze voorzieningen moeten er voor iedereen zijn: goede en betaalbare woningen, toegankelijk openbaar vervoer, kinderopvang voor iedereen. Dit betalen we uit belastingen die progressief zijn, waarmee er een einde komt aan bevoordeling van de allerrijksten en de grote bedrijven. Dat is solidariteit.

De transitie naar een duurzame economie en het uitbannen van fossiele brandstoffen dreigde met dit kabinet te verworden tot een individuele uitdaging waarbij grote bedrijven en de hoogste inkomens gebruik kunnen maken van aantrekkelijke belastingvoordelen en subsidies. De laagste inkomens worden weliswaar ook een beetje geholpen maar iedereen daartussenin werd vergeten. Dat is onacceptabel voor een links-progressieve volkspartij.

In de jaren ’60 van de vorige eeuw was heel Nederland binnen vijf jaar aangesloten op het gasnetwerk. Dat was geen verantwoordelijkheid van huishoudens zelf, maar van de rijksoverheid. Dat moet nu ook weer. Want een beter milieu begint bij een overheid die normeert en grote bedrijven zoals Shell en Tata ter verantwoording roept. Dat gebeurt nu niet. Het demissionaire kabinet trekt vooral veel geld uit voor de twintig meest vervuilende bedrijven. Maar voor een rechtvaardige transitie moeten de vervuilers juist betalen, en moet er geïnvesteerd worden in innovatieve bedrijven, en vooral: gewone mensen ondersteunen in deze ingrijpende transitie. Ook dit doen we samen.

De samenwerking tussen de Partij van de Arbeid en GroenLinks is een ideologisch project. In het verleden werden de sociaaldemocratie en de groene beweging nog weleens tegenover elkaar uitgespeeld: nu tegenover straks, mensen tegenover natuur. Of grappend: het eind van de wereld tegenover het eind van de maand. In deze tijd van ongelijkheid en klimaatverandering daalt het besef verder in dat de groene en de rode bewegingen dezelfde strijd hebben te voeren. Een strijd tegen een systeem dat mens én natuur uitbuit en elke wezenlijke verandering smoort met een beroep op oneindige economische groei en de belangen van het grote geld.

Noem mij maar een groene sociaaldemocraat, want ik ben ervan overtuigd dat we een verbond tot stand kunnen brengen waarin we het beste van twee werelden tot een nieuwe synthese kunnen brengen. De sociale strijd – de strijd om het kapitalisme te beteugelen en te temmen – valt nu samen met de strijd tegen de klimaatcrisis. Dat we met een nieuwe groene industriepolitiek de overheid aan het stuur moeten zetten op weg naar een economie die goed is voor mens en planeet.

De tijd voor samenwerking is nu. Deze kan het begin zijn van een nieuwe beweging over partijgrenzen heen. Vakbond én milieubeweging, doeners en denkers, mensen die zich zorgen maken, mensen die boos zijn, mensen met idealen – kortom: een beweging van de ongehoorde meerderheid. Over partijgrenzen heen, dwars door bubbels: een beweging die ondubbelzinnig opkomt voor mens en planeet. Vanuit het besef dat alle democratische politiek in het verleden gestalte heeft gekregen door de mobilisatie rond een gedeeld ideaal.

Daarom roep ik de lede Source: Volkskrant

Previous

Next