Waarvoor ik plotseling bang ben, is dat zodra we in gouvernementsstad B. zitten, over twee weken is het al zover, Bob Stanhope en Witte Veder om de haverklap zullen aanwaaien. Ze wonen namelijk in het naburige Etten-Leur. Niet bij stilgestaan, toen we zwierig de koopakte ondertekenden.
Arendsoog en Witte Veder. Als huisvrienden. Je moet er even niet aan denken. Het geschiet, de foute praatjes. Wanneer Stanhope straks in onze huiskamer de laatste der native Americans om zeep brengt, en die kans is aanzienlijk, zeg dan maar dag tegen de Nobelprijs. Maar ook tegen de vloerbedekking.
Ik heb het niet op huisvrienden. Ze zijn het laatste stadium van visite, de permanente aanwaaiing. Verstandige lieden willen het niet. Je ziet het aan de Oekraïners. (‘Liever een raket in de tuin’, was begin jaren tachtig de slogan, ‘dan een Rus in de keuken.’ Wist je dat we erover debatteerden op de lagere school? We waren 11, volgens Wikipedia. En met argumenten, staat me bij. Je kunt 11-jarigen zo stemrecht geven, al nam een oliedom jongetje het letterlijk. Die dacht dat hij moest kiezen tussen een gratis Russische kok in de huishouding of een eigen kernraket voor naast het opblaaszwembadje. Allebei aantrekkelijk, vond hij. Maar het was een grap! Dus eigenlijk was hij de slimste. Hij heette Peter Buwalda.)
Dat ik ongastvrij ben, is om af te rekenen met mijn jeugd. Mijn broertjes en ik zijn dan weliswaar niet in de Heer grootgebracht, noch in een kelder onder het huis, waar we gedwongen geslachtelijk met mama en oma verkeerden, wel hadden we huisvrienden.
Zo kan ik me geen schooldag herinneren zonder Martin en Femie. Toegegeven, ’s ochtends, als we opstonden, waren ze er nog niet/niet meer, een klassieke kip-of-ei-kwestie. Het wees erop dat ze diep in de nacht, terwijl ik sliep, de woonstee hadden verlaten, maar ook dat ze ergens in de loop van de dag, terwijl wij op school over de nakende oorlog in Oekraïne discussieerden, de woonstee werden binnengelaten.
‘Hoe ging je proefwerk?’, vroeg Martin, terwijl ik bij Femie op schoot kroop. Als mijn moeder vroeg of ik een speculaasje wilde, keek ik vragend naar een huisvriend – dat niveau. Ernaast had je ook nog Lineke, Tineke, Ineke en Sieneke, moeders uit onze ‘rij’ die voortdurend aanwoeien (destijds nog een sterk werkwoord, kun je nagaan).
(Toch woei mijn moeder ook weleens aan bij deze moeders. Ze vertelde namelijk dat ze bij een der Inekes in de tuin zat toen er diep vanuit het huis een puber ‘HONGER!’ brulde.)
(Klasse.)
‘Vergeet de Visstick niet’, zegt mijn vriendin Jet.
Goed punt, de illustere Mick Visser, die woont in Eindhoven, en werkt in Rotterdam, en hij heeft zelf al, met z’n Bosatlasje, vastgesteld dat gouvernementstad B. op zijn route ligt. Hij heeft ook al de aanwaai-act opgevoerd, de prikkende wijsvinger, ‘dingdong’, nee, niet leuk, Visstick, bespaar je de moeite, we hebben een bankstel waar we achter kunnen gaan liggen. Wie erover mee kan praten, heb ik hem verteld, is Dirks, voornaam onbekend, de jaarclubg’noot die zeker dertig keer opbelde wanneer hij vlak bij ons huis was met zijn auto, in feite aanwaairijp, maar alle dertig keren ‘nee Dirks’ te horen kreeg, ‘helaas, komt niet uit, ik ging net een stukje lezen.’
De Visstick grijnsde. ‘Haha Buwalda, jaja’, zei hij, ‘maar je denkt toch niet dat ik eerst ga opbellen voor ik aanwaai?’
Source: Volkskrant