Home

‘Sterven is essentieel voor de kwaliteit van ons leven’

In West-Vlaanderen, tussen Knokke en Brugge, ligt het dorp Dudzele, in zijn jeugdjaren nog geen tweeduizend zielen groot. De inwoners vormen een hechte gemeenschap die elkaar op zondag bij de katholieke kerk treft. Zijn vader en moeder, afkomstig uit boerenfamilies, stichten er een gezin met elf kinderen, waarvan Manu Kierse de op een na oudste is. Op de basisschool onderscheidt hij zich met hoge cijfers, maar vormend is vooral zijn rol als misdienaar: ‘Daardoor was ik verbonden met het leven van alle mensen in mijn dorp, alle begrafenissen en huwelijken maakte ik mee.’

Geregeld doet de pastoor een beroep op hem bij het ritueel van het sacrament der stervenden, dat hij toedient kort voor een overlijden in het dorp of op het platteland. De aanwezigheid van een misdienaar is vereist.

In de slaapkamers van stervenden maakt de jonge Manu (afkomstig van Emmanuel) de dood van nabij mee: ‘Ik heb daar veel verdriet gezien, maar ook veel verbondenheid tussen mensen ervaren. Wanneer de pastoor en ik terugkeerden, door de straten en de velden, vertelden we elkaar over onze ervaring van die avond. Ik leerde dat dood en sterven tot het leven behoren.’

Wanneer hij als 18-jarige in het verre Leuven psychologie gaat studeren, loopt zijn moeder mee tot de bushalte. ‘Ze zei me: ‘Vergeet nooit waar je vandaan komt. Alles wat je ginder leert, moet je toepassen voor mensen die niet jouw kans hebben gekregen.’ Dat ben ik als mijn levensopdracht gaan zien. Ik heb in mijn leven maar voor één baas gewerkt: de burger die dienst nodig had.’

Dat is het begin van een loopbaan die hem ‘van het laagste, vrijwilliger op de kankerafdeling van een ziekenhuis’, brengt tot staatssecretaris, ‘de hoogste functie die je in de volksgezondheid in ons land kunt bekleden’. Als directeur patiëntenbegeleiding zet hij zich in voor de zieken in de academische klinieken van Leuven. Vooral de krampachtige omgang van medici met het sterven stuit hem tegen de borst. Hij richt zich op de laatste levensfase en staat aan de wieg van de palliatieve zorg in zijn land. Op zijn naam staan ruim dertig boektitels, zijn Helpen bij verlies en verdriet is een standaardwerk geworden.

Als 77-jarige woont hij in een dorpje nabij Leuven. Aan de achterkant van zijn vrijstaande villa bevindt zich een terrastuin. Daarop wil hij tijdens zijn sterfbed uitkijken, heeft hij bedacht. Zijn gedachten gaan dan zeker ook uit naar de inwoners van Dudzele: ‘In mijn diepste binnenste ben ik een van hen gebleven.’

‘Ze werd niet heel oud, 70 jaar, maar kon haar dood volledig accepteren. Dat wens ik iedereen toe. Ze riep haar kleinkinderen aan haar sterfbed en vroeg ons te bidden zodat ze zo snel mogelijk zou mogen sterven. Wat een verschil met onze tijd, waarin mensen zelfs op de intensive care de dood nog proberen weg te duwen. Mijn grootmoeder rondde haar leven ook zorgvuldig af. Ze schreef een brief met duidelijke instructies, inclusief haar wensen voor mijn grootvader. Ze had alles voorbereid. Ik ben in België de grondlegger van de vroegtijdige zorgplanning. De kiemen daarvoor zijn toen gelegd.’

‘In de laatste periode van je leven kun je nog veel oplossen, wat voor je nabestaanden een groot verschil kan uitmaken. Mijn moeder is veel te vroeg gestorven, op haar 63ste, maar toch kon ook zij haar lot accepteren en daarmee heeft ze het voor ons, haar kinderen, gemakkelijker gemaakt. Drie weken voor ze stierf, zei ze me: ‘Je mag nu naar huis, ik heb alles besproken wat ik voor mijn vertrek uit dit leven met je wilde bespreken.’ Door die woorden bleef ik met haar geruststelling achter, waar ik voldoening en rust uit kon putten. Natuurlijk heb ik ook groot verdriet gevoeld, haar sterven kwam veel te vroeg. Maar ik heb toch ook een goed gevoel overgehouden; geen opstandig, maar een voldaan verdriet. Die laatste maanden van mijn moeder waren misschien wel de kostbaarste van mijn leven. Ik heb alles kunnen doen wat ik voor haar wilde doen.’

‘Als ik terugga naar mijn eerste ervaringen, als vrijwilliger op een kankerafdeling van een groot ziekenhuis in de jaren zestig, dan zeker wel. De woorden kanker en dood waren destijds taboe. Als een patiënt bijna overleed, ging hij van een vierpersoonskamer naar een eigen kamertje. Tegen zijn medepatiënten werd gezegd dat er een zeer bijzondere behandeling op hem zou worden uitgeprobeerd. Wanneer hij stierf, werd gezegd dat die behandeling zo goed had gewerkt dat hij naar huis was gegaan. Bij het avondeten werd dan snel het bed met een wit laken erover de lift ingerold, naar het mortuarium in de kelder.

‘Er stierf dus nooit iemand. De hoofdzuster zei tegen me: ‘Pas op, die en die en die zijn ook gestorven, maar wel zwijgen, want de patiënten weten het niet.’ Kwam ik bij de patiënten, dan zeiden ze: ‘Het schijnt dat die en die en die ook gestorven zijn, maar pas op, zwijgen, want de verpleegkundigen weten niet dat wij het weten.’ Sterven was een enorm taboe.’

‘Over kanker wordt nu openlijk gesproken, dat is een grote vooruitgang. Dat heeft ook ermee te maken dat we zoveel meer kunnen dan vroeger, in 70 procent van de gevallen leiden medische behandelingen tot een behoorlijke genezing en langer leven. Bij mij is veertien jaar geleden een agressieve prostaatkanker geconstateerd, vier jaar geleden moest ik opnieuw worden behandeld, nu voel ik me nog altijd goed.

‘Dus we kunnen kanker nu bespreken, omdat we er iets aan kunnen doen. Maar als dat niet kan, ben ik nog niet overtuigd van een andere mentaliteit. De longarts Sander de Hosson die ook als palliatief arts werkt, maakt in zijn laatste boek duidelijk dat we er nog lang niet zijn. Tijdens zijn studie geneeskunde kreeg hij over de dood en sterven weinig of niets te horen.

‘In de jaren zestig heeft de Zwitserse psychiater Elisabeth Kübler-Ross met haar boek Lessen voor levenden geprobeerd het taboe van de dood af te halen, maar dat is toch maar zeer beperkt gelukt. Jonge studenten zeggen tegenwoordig tegen me dat ze geneeskunde studeren ‘om de dood te weren’. Dat is ingegeven door de enorme technologische vooruitgang en de sterk gestegen levensverwachting; de dood wordt iets voor de vierde, straks zelfs de vijfde generatie. De houding is geworden dat iedere dode eigenlijk een nederlaag is, de dood als falen. Daar wil ik graag een herwaardering van de dood tegenover plaatsen.’

‘Stel je voor dat je op een uitvaart komt, je gaat die aula of kerk binnen en ziet een kist staan. Je kijkt erin en ziet jezelf liggen, het is je eigen uitvaartviering. Wat wil je dan dat ze in toespraken zouden vertellen: welk soort vader, partner, mens wil je zijn geweest?

‘Als je dat af en toe voor jezelf opschrijft, ga je, daarvan ben ik overtuigd, anders om met levensproblemen die je hebt. Besef je bijvoorbeeld dat je al je vergaarde rijkdom ook weer zult achterlaten, dan ga je door een andere bril ernaar kijken. En als je voor ogen houdt dat het leven morgen voorbij kan zijn, ga je niet slapen voordat een conflict in je leven is opgelost. In dat licht zie ik sterven als een essentieel onderdeel van de kwaliteit van ons leven.

‘De eindigheid van het leven onder ogen zien bepaalt niet alleen de kwaliteit van je eigen leven, maar ook die van de samenleving. Daarom vind ik dat we de dood moeten leren herwaarderen. Pas op, ik ben hem niet aan het verheerlijken, zijn interventie in ons leven blijft verdrietig. Maar ik vind niet dat je hem, zoals nu gebeurt, zo ver weg mogelijk moet zien te houden. Ik wil hem als een essentieel onderdeel gewaardeerd zien.’

‘Zeker, elke dag dringt hij je woonkamer binnen via radio, televisie en internet. Maar dat zijn ongevallen, moorden, zelfdodingen. Door die vreselijke gedaanten van de dood te tonen wordt de angst voor hem niet weggenomen. Dat sterven staat ver af van het rustig uitblazen van je laatste adem, omringd door je familieleden.

‘In mijn ogen is de angst van mensen om onderwerpen als sterven en dood aan te snijden nog onverminderd groot. Als ik in een lezing betoog dat mensen goed moeten nadenken over wat ze aan zorg willen in de laatste levensfase, kan ik ze ter plekke nog wel daarvan overtuigen. Dan begrijpen ze dat hun kwaliteit van leven ervan afhangt. Maar als ik later navraag doe of ze dat ook met hun familie hebben besproken, dan blijken ze als reactie te hebben gekregen: heb je niet een leuker onderwerp om over te praten? Zo houden we het taboe in stand.’

‘Als iemand dood is, betekent dat niet dat hij er niet meer is. Hij verhuist alleen van de buitenwereld naar het hart van degenen die van hem houden. Daar kun je nog altijd met hem in gesprek gaan. Een dode kan niet meer antwoorden, maar een goede therapeut zwijgt ook veel. Die probeert door te luisteren mensen zelf hun antwoorden op hun vragen te laten vinden. Praat dus tegen je overleden vader of moeder, dat kan je helpen. Wanneer je hem of haar hebt gekend, weet je hun antwoorden.’

‘In een hemel geloof ik niet, maar ik ben ervan overtuigd dat er na de dood iets is. Ik doel op de wijze waarop je verder leeft in de herinneringen van de mensen waarvoor je iets hebt betekend. Mijn levensspreuk staat in mijn tuin op een steen: ‘De betekenis van je leven ligt in het verschil dat je maakt in het leven van de anderen.’

‘Ook als je er niet meer bent, blijf je zo voortleven. Mensen overleven hun dood door niet alleen met zichzelf, maar ook met iets buiten zichzelf bezig te zijn. Denk daarom na wat je voor de wereld kunt betekenen, in plaats van wat de wereld voor jou moet betekenen.’

‘De levensspreuk op die steen. De Franse filosoof Levinas heeft hem verwoord door te spreken over ‘de tranen in de ogen van de and Source: Volkskrant

Previous

Next