Home

Met papier en houtskool tekent Dirck Nab de duinen als geen andere kunstenaar. Eenvoudig misschien, ‘maar het tegendeel van makkelijk’

Een nieuw boek toont nu zijn werk, soms getekend in oude kasboeken, zeker niet op duur papier. ‘Daar voel ik me niet lekker bij.’ De Volkskrant gaat met Nab de duinen in en ziet de kunstenaar (in verbazend tempo) aan het werk.

Op de omslag van het nieuwe boek met werk van Dirck Nab (82) staat een foto van Dirck Nab. Het is er eentje in het genre de-kunstenaar-aan-het-werk. Hij toont de in het zwart geklede Nab terwijl hij in de duinen zit te tekenen. Een deel van zijn gestalte gaat schuil achter een woeste kam helmgras. ‘Schuilgaan’ is het juiste woord niet. ‘Opgaan’ is treffender. Door de schaduwwerking op het gras en Nabs diagonale lichaamshouding lijkt de kunstenaar te versmelten met zijn omgeving. Na jarenlang de duinen te hebben getekend, lijkt Dirck Nab nu bezig zelf een duin te worden.

Op een bepaalde manier is dat ook zo. Wie Dirck Nab zegt, zegt duinlandschap. Natuurlijk, Nab tekende en schilderde ook andere soorten landschappen: stadsgezichten, zeegezichten, studies van bomen, maar het zijn de duinlandschappen waarin hij de meeste tijd stak en waarin zijn kwaliteiten het best tot hun recht komen. Aan deze vergezichten in krijt of houtskool valt veel te prijzen – de terloopse zwier, de vanzelfsprekendheid waarmee ze een bepaald deel van de dag oproepen – maar de grootse kwaliteit is de ruimtelijkheid. Weinig tekenaars kunnen zo goed de hoogte, laagte en diepte van een landschap overbrengen als Nab dat kan. En nog minder hebben daar zo weinig voor nodig als hij. Nab voert onze blik van de voorgrond naar de horizon, duin op en duin weer af, met een minimum aan middelen. Hij is van de school van meer-door-minder, zonder dat zijn landschappen daardoor opgelegd artistiekerig worden of aan stevigheid inboeten. In Nabs duinlandschappen heb je als kijker altijd vaste grond onder de voeten. Je wandelt er op duinzand, niet op drijfzand.

Hij ontvangt de verslaggever in zijn atelier aan huis in Bakkum, een rustige man die droogkomisch uit de hoek kan komen. ‘Ogen als van een Mongoolse krijger turen ook binnenskamers naar de einder’, noteerde dichter Ineke Holzhaus ooit over hem. Ook tijdens het gesprek staart de krijger soms naar een denkbeeldig landschap, alsof hij alweer in de duinen zit…

‘Vanwege het ongerepte, denk ik. Het wilde. Het Nederlandse landschap is over het algemeen vrij saai. Het is ingekaderd en verrommeld. De duinen zijn daarvan het tegenovergestelde. Ze ontstonden organisch, vrij van menselijk ingrijpen. Ze hebben een specifieke vegetatie en klimaat. Het is er warmer, vooral in de duinpannen, waardoor er allerlei dingen groeien die je haast nergens anders tegenkomt, zoals tijm. En je treft er bijzondere dieren, zoals Schotse hooglanders of buizerds. De duinen zijn stil, dat vind ik ook fijn. Je kunt er echt wegzinken in de stilte. En ze zijn dicht bij zee natuurlijk. Je ziet de zee niet altijd, maar je voelt wel dat ze er is. Je hoort en ruikt haar en je wordt voortdurend aan haar herinnerd. De welvingen van de duinen lijken immers een voortzetting van de golfslag van de zee – een zee van zand.’

‘Het is zowel voller als leger geworden. Meer bosjes, minder insecten. Dat van die insecten lees je overal, maar ik heb het echt ondervonden. Wanneer ik een paar jaar geleden in de duinen zat te tekenen werd ik omringd door sprinkhanen, duinhagedissen en blauwe vlinders. Van die laatsten zie ik er geen meer. Het is een veeg teken. Een boer kan nog vergoelijken dat een bepaalde verandering komt door tijdelijk beleid, maar hier is amper menselijke activiteit. Dat er toch zo’n verschraling optreedt, betekent dat er echt iets aan de hand is.’

‘O, dat had privéredenen. Een van mijn kinderen had toen hij jong was erg last van astma. Wij woonden in een boerderijtje in Twente, en ik weet nog dat ik op een ochtend een van de keukenkastjes opendeed en die vracht medicijnen zag en dacht: verdorie, dat is voor een jongetje van 5! We zijn toen naar de arts gegaan, en die zei: de zware lucht hier is niet goed voor hem; je kunt beter naar de kust gaan – het is niet voor niets dat al die kuuroorden daar zaten. We hebben toen dit huis aan de rand van het duingebied gekocht.’

‘Dat viel aanvankelijk nogal tegen. Ik was Twente gewend. Daar heb je heel mooie natuur. Veel vogels. De wulp enzo. Bij Twickel staan tachtig eiken achter elkaar. Hier heb je misschien één eik, en die is dan ook meteen beroemd: de eik van Heiloo. Gelukkig ontdekte ik de duinen.’

‘Ze zijn contrastrijk. Je vindt er een mooie afwisseling van begroeide en kalere stukken. En er is hoogteverschil, wat vrij uniek is in Nederland. Het stijgen en dalen van die duinruggen biedt een vorm van afwisseling die aangenaam is voor het oog. Je vindt in de duinen ook prachtige licht-donkertegenstellingen. In Egmond heb je bijvoorbeeld twee duintopjes die bij felle zon uiteenvallen in twee heel lichte en twee donkere kanten. Tegenlicht in de duinen kan ook geweldig zijn. Klassieke schilders wilden het licht altijd in de rug hebben, maar dat is ook maar een regel.’

‘Ik ken eigenlijk weinig echte duinschilders. Je hebt natuurlijk wel landschapschilders die ook duinen hebben afgebeeld, maar dan meer als zijsprong. Bij de zee denk je meteen aan Mesdag of Van de Velde. Maar bij de duinen… Ja, je hebt natuurlijk Rembrandt met z’n clair-obscur. En Mauves ruiters op het strand, al is dat toch ook gericht op de figuren.’

‘Ja, er zijn hier natuurlijk ook vrij weinig mensen, dus deels is het een realistische weergave. Maar het is waar: mensen laat ik in mijn landschappen liever achterwege. Ze hebben de neiging alle aandacht naar zich toe te trekken. Als je een mens in het landschap zet, wordt het direct ook zo anekdotisch: het gaat dan al snel over wat die figuur daar doet. In een leeg landschap is de kijker zelf die figuur. Hij kijkt daardoor vrijer. Ik heb het wel gedaan hoor, een figuurtje erin zetten. Ik had het toen ook nog extra geaccentueerd met rood. Iemand reageerde toen met: mooi landschap, alleen jammer van die kabouter. Daarna heb ik nooit meer een mens getekend.’ (Lacht.)

‘Het moet sowieso niet te schilderachtig aandoen. Schilderachtig is bijvoorbeeld zo’n duintop waarvan iedereen zegt: ga je naar de duinen? O, dan moet je díé top nemen! Ik strijk juist neer op plekken waarvan iemand die met me mee zou lopen misschien zou zeggen: hè, waarom ga je híér nou zitten? De schoonheid ervan moet pas worden geopenbaard in de tekening.’

Desgevraagd wil hij best even laten zien hoe dat in de praktijk werkt. En dus lopen we even later door de Egmondse duinen, een plek waar hij vaak tekent. Het is zonnig en het waait. Het grijze haar van de kunstenaar wordt diagonaal over zijn voorhoofd geblazen. Slalommend tussen de konijnengaten wijst hij op planten en op een duintop waar vroeger misdadigers werden opgehangen. Na een tijdje neemt hij plaats aan de rand van een drassige duinkom met uitzicht op een kale duintop. Het is inderdaad geen spectaculair aantrekkelijk uitzicht, maar Nab begint het vast te leggen. Zijn zwarte krijt beweegt rap over het papier. De snelheid waarmee hij werkt is verbazend, het gemak. Hij tekent het landschap alsof hij het overtrekt.

‘Binnen een uur staat het er meestal wel op, ja. Als ik ’s avonds werk moet dat ook wel. Het licht verandert dan zo snel dat je binnen de kortste keren in het donker werkt. Maar een beetje tijdsdruk is goed. Nadenken doe ik van tevoren of na afloop. Tijdens het tekenen zelf wil ik de vaart erin houden. Ga je zitten mieren, dan wordt de tekening al snel stijf en tuttig.’

Om snel te kunnen werken, vertelt Nab, moet hij het landschap goed kennen. Daarom bezoekt hij een plek vaak meerdere keren: ‘De eerste keer ben ik het landschap voornamelijk aan het aftasten. Je neemt veel in je op, om het later allemaal weer weg te kunnen laten.’

‘Dat je een landschap zonder vooropgezette ideeën tegemoettreedt. Dat je ernaar kijkt met een zekere mate van naïviteit. Je bekijkt het alsof het nog nooit is bekeken. Door jouzelf noch door anderen. Je denkt ook niet: ik ga hier een goede tekening van maken. En zeker niet: ik ga kunst maken. Kunst, dat doet er tijdens het werk niet toe. Dergelijke labels werken enkel verkrampend.’

‘Een geslaagde tekening oogt vanzelfsprekend. Op detailniveau gebeurt er weinig bijzonders, maar als geheel klopt het. Het hoeft niet per se natuurgetrouw te zijn. Waar het om gaat, is dat ik de indruk die het landschap op me maakte, het gevoel ervan, weet te vangen. En dan is er natuurlijk het handschrift. Dat moet een zekere achteloosheid uitstralen, alsof de hele tekening moeiteloos tot stand is gekomen. Als dat lukt, voel je dat direct.’

‘Nu minder dan vroeger hoor. Vrienden zeiden: daar moet je mee ophouden joh. Op zulke momenten was ik teleurgesteld in mezelf. Omdat ik me spiegelde aan anderen. Ik zag bijvoorbeeld een indrukwekkende tentoonstelling en dacht: ja, zo moet het! Wat ik zelf doe is niks. Jezelf steeds spiegelen aan het ultieme kan destructief uitpakken, maar tegelijk is het voor mij wel een voorwaarde. Het heeft niet zoveel zin om de wereldkampioen van Bakkum te zijn.’

Hij heeft nooit níét getekend, vertelt Nab. Zoals velen begon hij ermee als kind. Nabs vader, die werkte op een drukkerij, nam altijd vellen papier mee naar huis, en zijn zoon kraste die vol. Anders dan velen hield hij er nooit mee op. Hij ging naar de kunstacademie, werkte in talrijke media, maar het tekenen bleef de basis. Het heeft gewoon iets bijzonders, zegt hij: ‘Ik hou van de Source: Volkskrant

Previous

Next