N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Ode | Spullen & kunst Alledaagse spullen in een huis doen soms denken aan auto’s op een terrein zonder parkeervakken. Dat staat daar allemaal maar, toevallig en ongeordend. Tot de stillevenschilder er een compositie in ziet en het beeld fixeert.
‘De neiging van de mensen kleine dingen als belangrijk te beschouwen heeft zeer veel groots voortgebracht”, schreef de achttiende-eeuwse Duitser Georg Christoph Lichtenberg, die zelf vaak grote dingen wist te zeggen in kleine tekstjes. Een mooie zin, en het is nog waar ook. Soms moet het kleine worden geëerd. Vandaag gaan we het daarom hebben over stillevens, oftewel: de kunst waarin kleine dingen groot worden gemaakt. Groot in de zin van belangrijk. Want zelfs op de vierkante meter is er onnoemelijk veel kleur, licht, ruimte en textuur om je op te concentreren. Als je ze aandachtig bekijkt, worden de meest alledaagse spullen ongewoon. De schaar en de nietmachine op je bureau, de vuile vaat op het aanrecht met de zondoorschenen fles afwasmiddel ernaast, de toevallige boodschappenstillevens tussen de beurtbalkjes voor de kassa.
Niet alleen zijn die voorwerpen zelf de moeite van het bekijken waard, ze veranderen ook nog naargelang de omstandigheden. Ze worden verschoven ten opzichte van elkaar, hun schaduwen verschuiven in de loop van de dag, er komt een ding bij of er gaat iets af – en je speelt zelf ook een cruciale rol. Een kleine hoofdbeweging naar links of rechts en alles staat overal weer anders voor. Aan spullen geen gebrek, maar er is een kijker nodig voor het perspectief.
De mimetische (nabootsende) schilderkunst helpt ons te remmen voor alledaagse dingen en ze beter te bekijken. Dat doet ze al zolang ze bestaat. De tentoonstelling Les choses, afgelopen winter in het Louvre in Parijs, gaf een groot en gevarieerd overzicht van het stilleven door de kunstgeschiedenis heen, van de Romeinse oudheid tot nu. Samen met de oude meesters kon je je verwonderen over fraaie vormen uit de natuur – bloemen en fruit, schelpen en koraal – en over mooi mensenwerk, zoals brood, papier, muziekinstrumenten en glas (doorzichtig, maar dankzij reflecties en schaduwen toch in verf te vangen). Het was een bourgondische tentoonstelling in zoverre dat ook dode dieren, al dan niet gevild, geplukt en versneden, als dingen waren opgevat. Maar zelfs een vegetariër snapt hoe onweerstaanbaar vacht, veren en schubben zijn voor schilders die stofuitdrukking tot hun specialiteit hebben gemaakt. Schilder het maar eens zo dat de kijker het haast voelen kan.
Mario ter Braak: Lichamen en Ondingen II (2013). Olieverf op doek, 121×112,5 cm
De moderne en hedendaagse kunst mocht ook meedoen, daar in Parijs, maar zoals wel vaker bij grote-greeptentoonstellingen was er bij het vullen van de laatste zalen meer op de officiële canon gelet dan op kunst die getuigt van een verrassende kijk op het thema. De timelapse die videokunstenaar Sam Taylor Woods in 2001 maakte van steeds verder beschimmelde peren en perziken was in stillevenverband nog wel een boeiend beeld. Maar Dalí en Magritte zijn eerder moderne publiekslievelingen dan toegewijde spullenschilders, en bij een replica van Marcel Duchamps flessenrek is het concept (alles is kunst zodra je het als kunst presenteert) toch eigenlijk belangrijker dan het specifieke stilleven.
Als stillevenschilder hoef je niet lang te zoeken naar een onderwerp. Je kunt het op de ontbijttafel al aantreffen
Het leek me een gemiste kans, want ook in de afgelopen decennia waren er wereldwijd nog veel naar de waarneming werkende kunstenaars die zich liefdevol ontfermden over gevonden voorwerpen. Ik beperk me hier tot de Nederlandse kunst, en daarvan dan nog maar een klein deel. Charles Donker maakt etsen van schelpen en dennenappels, Agnes van Gelder aquarellen van flessen en vlinderdozen. Christiaan Kuitwaard doet in zijn white box paintings leuke dingen met onder andere drinkglazen en koffiekopjes. Nicolaas Wijnberg vulde rond de eeuwwisseling een heel schetsboek (nu in de collectie van het Rijksmuseum) met inkttekeningen van zondagochtendontbijtjes, of eigenlijk van de restanten daarvan. Een halve croissant, een broodplankje, bestek, leeggelepelde eieren, een verfrommeld servet. Eens temeer blijkt dat je als stillevenschilder niet lang hoeft te zoeken naar een onderwerp. Je kunt het op de ontbijttafel al aantreffen.
In mijn keuken hangt een schilderijtje dat Ferry Alink in 1976 maakte van een bruine boterham met kaas. En bij het ontbijt heb ik uitzicht op een keukentafelstilleven van Arie Schippers uit 1998. Op een stralend geel tafellaken staan potten honing en abrikozenjam achter een afgesneden theepot en een schaaltje kiwi’s achter een geel drinkglas. Daartussenin liggen twee gloeiend oranje mandarijnen. Elke ochtend als ik mijn keuken binnenkom is mijn enthousiasme voor the beauty of everyday things meteen gewekt door deze schilderijen.
En eigenlijk ook mijn enthousiasme voor kunst en concentratie. Dat die twee schilders de moeite hebben genomen om dit soort kleine dingen vast te leggen is een opwekkende gedachte. De laatste jaren is de smartphone vaak het enige kleine ding dat onze aandacht trekt, en vasthoudt, en niet meer loslaat.
Kris Spinhoven, De stropdassen van mijn vader, 2020. Olieverf op paneel, 35 x 35 cm
Er is een overvloed aan alledaagse voorwerpen, dus de spullenschilder ziet zich voor keuzes geplaatst. Soms zijn het gewoon dingen met een aantrekkelijke vorm of kleur die om een stilleven vragen; soms ook zijn het dingen met een persoonlijke betekenis. Kris Spinhoven schilderde in 2020 de stropdassen van haar overleden vader, Paul Gorter in 2001 een zelfportret in stillevenvorm met de belangrijkste bezittingen uit zijn puberjaren: elpeehoezen, een bandrecorder, een fotocamera en een Kuifje-album. De tekenaar Erik Mattijssen doet veel met vintage speelgoed. Ik herinner me een gouache die hij een paar jaar geleden maakte van een viewmaster. Een viewmaster, mensen! Zo’n rood plastic ding waarin je oplichtende stereoplaatjes kon bekijken van The Dukes of Hazard, de Efteling of een verre vakantiebestemming. In de jaren zeventig was zo’n object nog zo alledaags als een iPad nu, maar inmiddels is het bijzonder geworden – omdat het zeldzamer is en omdat het warme herinneringen oproept. Warna Oosterbaan heeft het in zijn boek Het leven van dingen (2021) over „de dingen als toegangspoort tot je jeugd”. „Dingen kunnen die functie goed vervullen, ook al omdat de jeugd voor de omgang met dingen een bevattelijke periode is. Je eerste pen, je eerste fiets, je eerste speelgoedtrein maken een opwinding in je los die je later veel minder ervaart. De wereld is nog klein en alles wat nieuw is, maakt die wereld groter.”
Bij het lezen van Oosterbaans zinnen dacht ik aan de stillevens die Rutger Hiemstra de afgelopen jaren schilderde van paaseitjes. Er is weliswaar niets gedateerds aan paaseitjes, je ziet ze nog steeds elk voorjaar met bakken tegelijk in de snoepwinkels, maar je ziet ze nooit meer zoals je ze zag toen je een kind was. Vroeger was één enkel paaseitje een waar kleinood, waar je het glinsterende laagje vanaf kon peuteren en dan bleef er een chocolaatje met verrassende vulling over – én een schitterend papiertje. Voor een volwassene is een paaseitje geen bijzonderheid meer. Tot hij de paaseitjes in het werk van Rutger Hiemstra ziet, die ze met kinderlijke opgetogenheid heeft bestudeerd en vastgelegd.
Het vormgeven en meedelen van die verwondering kunnen een reden zijn om stillevens te schilderen. Je koestert je dierbaarste dingen in verfstreken. Daarnaast is voor sommige kunstenaars het ‘net echt’-aspect een drijfveer: de realistische stofuitdrukking, de overtuigende illusie. Voor hen zit de lol erin dat je de schijn van een materiaal kunt wekken in een heel ander materiaal. Dat je een breekbare glimmende kerstbal kunt suggereren in olieverf en een donsveertje in etslijnen.
En dan is er nóg een motief, dat misschien wel de ultieme reden is voor alle mimetische kunst: door te kiezen, te analyseren en te kadreren ordent de kunstenaar iets van de ongeordende wereld. Een goed geschilderde illusie van de werkelijkheid is ook de illusie van greep op die werkelijkheid. Arie Schippers zegt over zijn keukentafelstilleven met jam, honing, thee en mandarijnen dat hij bij het schilderen daarvan dacht aan parkeerproblemen. Hoe je spullen in je huis aantreft doet soms denken aan hoe auto’s zijn neergezet op een terrein zonder parkeervakken. Dat staat daar allemaal maar, toevallig en ongeordend. Tot de schilder er een compositie in ziet en het fixeert.
Met een aandachtige blik worden de meest alledaagse spullen bijzonder
Een vaker voorkomend type stillevenschilder bemoeit zich welbewust met de ordening van de spullen voordat en terwijl hij ze schildert. Dat type stuit niet op een stilleven, maar ensceneert het. Mario ter Braak bijvoorbeeld zoekt op de Groningse markt (‘een lunapark voor iemand die naar de aanschouwing werkt’) naar geschikte groente, fruit en vis en maakt daar, terug in zijn atelier, arrangementen van: een soort choreografieën voor vruchten en vissen, waarin hun plaatsing niet altijd meer gehoorzaamt aan de regels van lijnperspectief of zwaartekracht. Maar de afzonderlijke stillevenonderdelen zijn door Ter Braak nog altijd penseelstreek na penseelstreek naar de waarneming geschilderd, op de werkelijkheid veroverd door kijken en vergelijken, kleuren mengen en vormen volgen. Dat onderscheidt de mimetische kunst van de fotografie (en van door artificial intelligence gegenereerde beelden): je ziet de dingen, maar je ziet ook altijd de mensenhand die de Source: NRC