Zelden heeft een politicus zo zijn stempel op een periode gedrukt als Mark Rutte. Hij groeide uit tot de maatstaf voor succes aan het Binnenhof. De politiek verschoof intussen verder van willen naar doen, het ambt van minister-president werd een baan.
Soberheid is een kenmerk van Nederlandse premiers. Drees, Den Uyl, Kok, ze stonden bekend om hun eenvoudige levensstijl: één koekje bij de thee, kamperen op vakantie, twee-onder-een-kapwoning. Zelfs Lubbers, een bemiddeld man, liet zijn welstand niet blijken, al zaten zijn pakken beter dan gemiddeld. Mark Rutte – toch de eerste die voortkomt uit de partij die zegt op te komen voor ondernemend Nederland – steekt zijn voorgangers naar de kroon. Hij is een politieke asceet: een monnik aan het Binnenhof die zijn leven in dienst stelt van het landsbelang. Buiten de politiek bestaat er voor hem weinig, over een privéleven is amper wat bekend. Wereldleiders geloven hun ogen niet als Rutte hen ontvangt. Niet alleen pakt hij zelf een dweil als hij koffie morst, hij veinst ook verbazing als ze dat elders op de wereld vreemd blijken te vinden.
Het bijzondere is dat Rutte zowel in als buiten de Kamer op zijn gemak is. Dat kon je van zijn voorgangers niet zeggen. Den Uyl moest de omgang met burgers leren. Van Agt zette bij minstens de helft van de mensen de haren overeind. Ook Kok en Balkenende begaven zich niet soepel onder de burgers. Lubbers had die gave wel, maar veroorzaakte met zijn ondoorgrondelijke formuleringen dan weer wrevel in de Kamer.
Over de auteur
Ariejan Korteweg schrijft sinds 1987 voor de Volkskrant. Hij was negen jaar actief als verslaggever en columnist over de Haagse politiek.
Rutte kan het allebei, en maakt daarbij – in de Haagse overlegcultuur van het grootste belang – niet meer vijanden dan strikt noodzakelijk. Zelfs zijn grootste tegenstrevers spreken zonder afkeer over hem. Moest je een kwaliteit noemen waaraan hij zijn lange politieke leven te danken heeft, dan is het dat: amper iemand te vinden die een hekel aan hem heeft. Protesterende boeren vervoerden doodskisten met de naam van Jesse Klaver van GroenLinks erop en spandoeken tegen de Partij voor de Dieren – partijen zonder regeringsverantwoordelijkheid. Terwijl de man die sinds 2010 de regering leidt buiten schot blijft. Geen fakkelzwaaiers bij de bovenwoning van de premier, geen permanente politiepost. Hij gaat door het politieke leven alsof hij er nauwelijks door wordt aangeraakt.
Zelden heeft een politicus zo zijn stempel op een periode gedrukt als Mark Rutte. De jaren tien en een deel van de jaren twintig van deze eeuw heeft hij beheerst. In die periode groeide hij uit tot het ultieme Haagse rolmodel; wie aan het Binnenhof succesvol wil zijn, neemt hem als maatstaf.
Als iemand zo lang aan de macht is – een woord dat Rutte overigens zelf nooit in de mond neemt – kan hij veel naar zijn hand zetten. Algemene Zaken is zíjn ministerie geworden. Volgens hetzelfde recept vormde hij de VVD om tot ‘zijn’ partij. Daarbij hanteert hij de methode die alle leiders gebruiken: medestanders worden gekoesterd, critici worden op afstand gezet of vertrekken eigener beweging. Intussen is hij ook volgens zijn partijgenoten te onthecht om een echte partijman te zijn. De VVD is een vehikel om de continuïteit van beleid te garanderen.
Dat heeft een keerzijde. Als je lang aan de macht bent, kan het ineens leeg zijn om je heen. Wanneer Rutte in oktober 2017 zijn nieuwe ministersploeg voorstelt, is de ring van intimi verdwenen met wie hij de tocht door de woestijn maakte: zijn strijd met Rita Verdonk om het leiderschap van de VVD. Edith Schippers was zijn rechterhand toen de verwarde partij weer tot een eenheid moest worden gesmeed; Henk Kamp stond in 2006 zelf op de nominatie om partijleider te worden, maar vond dat een ander meer kwaliteiten had; Melanie Schultz was voor Rutte een generatiegenoot en spiegel.
De vertrekkers waren vertrouwelingen met wie de banden werden gesmeed voordat hij premier werd. Hij was schatplichtig aan hen, zij niet aan hem. Met elke volgende lichting zou de gelijkwaardigheid afnemen. Rutte werd een eenzame veteraan, omringd door nieuwkomers met wie hij soms eerder een hiërarchische verhouding had. Zoals met Sophie Hermans, ooit zijn politiek assistent. En met Kajsa Ollongren, voormalig secretaris-generaal op Algemene Zaken.
Beweeglijkheid is zijn cruciale eigenschap. Standpunten zijn nooit hard, alles staat op losse schroeven. Buigen naar links en naar rechts, naar JA21 en desnoods PVV, naar PvdA en desnoods GroenLinks. Nooit voor de troepen uitlopen, altijd meebewegen als een meerderheid in zicht komt – zo ging dat bij de discussie over Zwarte Piet, bij het klimaatbeleid en bij de excuses voor ‘Groningen’ en de slavernij. Die souplesse is de Haagse norm geworden, ook bij andere partijen.
Bij die soepele opvattingen horen soepele omgangsvormen. Onder Rutte groeide een cultuur waarin veel onzichtbaar kan blijven. Hij ontwikkelde zijn eigen criteria voor het archiveren van digitaal berichtenverkeer, hij besloot op eigen gezag niet te vertellen wie hij had geconsulteerd over dividendbelasting, hij kan het zich permitteren lang uit de buurt te blijven van probleemdossiers. En als dan hardhandig om meer transparantie wordt gevraagd, zoals gebeurde in dat Omtzigt-debat van 1 april 2021, dan bekeert hij zich prompt tot de nieuwe bestuurscultuur, en zegt daar ‘radicale ideeën’ over te hebben. ‘Mijn denken is opgeschoven.’
Ieders geloofwaardigheid zou bij zo’n draai verdampen, die van Mark Rutte niet.
Rutte geeft de mensen het gevoel een goede bekende te zijn. Tegelijk is er amper een volk op aarde dat zijn regeringsleider zo slecht kent. Altijd weer krijgen we dezelfde kruimels toegeworpen: de tweedehands-Saab, gekocht bij – lachen! – de firma Wim Kok; de Nokia-telefoon; z’n jaarlijkse reisje met vrienden naar Zermatt waar een middelmatige kaasfondue wacht; z’n pianospel (niks van na 1913 op het repertoire); de vmbo-school waar hij elke donderdagochtend maatschappijleer geeft. Wonen doet hij in het hypotheekvrije appartement van zijn overleden broer, hij strijkt er zelf zijn overhemden. En als er vrijkaartjes voor Soldaat van Oranje komen, staat hij erop te betalen. De minister-president is zich zo bewust van zijn rol, dat hij afziet van de bijbehorende status.
Pel je alles af, dan stuit je op een diep verlangen naar autonomie. Rutte wil bij niemand in het krijt staan en niet tot wederdiensten verplicht zijn. Nooit declareren, geen verplichtingen aangaan, uit de buurt blijven van het gedoe om wachtgeld waarmee Klaas Dijkhoff, ooit zijn beoogde opvolger, te maken kreeg. De dekking hoog gesloten achter een aura van toegankelijkheid. Mark Rutte lijkt dichtbij, maar staat op grote afstand. Een combinatie die voor een publiek persoon ideaal is. Hij ontwapent anderen en is zelf onkwetsbaar.
Ooit vergeleek hij Nederland met een blok marmer; het schitterende beeld dat erin verborgen zat, hoefde alleen nog bevrijd te worden. Zoals Michelangelo sprak over zijn David. Wie de hedendaagse Michelangelo is, liet Mark Rutte over aan onze verbeelding. Wel wist hij wat na het hakken tevoorschijn zou komen: ‘Gewoon een waanzinnig gaaf land.’
Maar anders dan Michelangelo is hij niet de man die hamer en beitel pakt. Ideologie is voor Rutte een korset dat in de weg zit bij het buigen naar alle kanten. Alleen waar zijn voeten de grond raken, zit iets van onwrikbaarheid. Dat is de liberale basis, die bij hem wordt teruggebracht tot een versimpelde versie: iedereen wordt geacht voor zichzelf te zorgen, de staat komt pas in actie als het echt niet anders kan.
Als morele afwegingen worden gevraagd, blijkt die onthechtheid een valkuil. Of het nu gaat om het veroordelen van de boeren die minister Christianne van der Wal thuis kwamen opzoeken of om een oordeel over discriminatie bij sollicitaties – Rutte stuurt pas de bocht in als het peloton er bijna doorheen is. Strategische calculatie, zeggen zijn politieke tegenstanders: hij is bang kiezers te verspelen aan de flanken. Er is ook een andere mogelijkheid: Mark Rutte is tot in het diepst van zijn vezels een liberale pragmaticus die pas als het echt niet anders kan een moreel oordeel wil uitspreken over het gedrag van anderen.
Ook in zijn loyaliteit is hij welhaast grenzeloos rekkelijk. Ivo Opstelten, Jeanine Hennis, Fred Teeven, Frits Huffnagel, Marc Verheijen, Henry Keizer, Halbe Zijlstra, Cora van Nieuwenhuizen… de stoet aan beknelde partijgenoten die hij tot op het randje van hun houdbaarheidsdatum de hand boven het hoofd hield, is lang. Bij dergelijke affaires lijkt hij geen eigen toetsingskader te hebben. Dus vaart hij op de stemming in het land, en op zijn politieke vernuft.
Ik ken zijn vluchtheuveltjes, legde Lodewijk Asscher eens uit, die als vicepremier Rutte van nabij observeerde en van die kennis gebruikmaakte toen de PvdA oppositiepartij werd. Hij kan de trits opnoemen. Rutte begint met: ik kan daar niks over zeggen vanwege artikel 67. Dan: u mag daar niks over zeggen vanwege het landsbelang. Vervolgens: hier moet ik u toch wijzen op de internationale context, die mij wellicht wat scherper voor ogen staat. Helpt dat nog niet, dan begint hij – zoals Jesse Klaver overkwam – over een eikeltjespyjama of een dikke BMW.
Wie in een debat het speelveld kiest, heeft een voorsprong. De kwaliteit van Rutte is dat hij dat speelveld naar zijn hand weet te zetten. Eerst moet het zo klein mogelijk worden gemaakt. Hij gaat Source: Volkskrant