Home

Bijna niemand kan een Tour winnen, dat lukt alleen door vermoeidheid tot in het extreme uit te stellen

Haal nog even dat moment van zondag voor de geest. De laatste kilometers naar de top van de Puy de Dôme voor Tadej Pogacar met achter hem Jonas Vingegaard. Door de afwezigheid van het publiek kon de tv-helikopter het prima filmen.

Pogacar zet aan, Vingegaard probeert mee te gaan, Pogacar kijkt achterom, denkt dat de Deen kraakt, gaat uit het zadel, Vingegaard die er toch weer bijna bij komt. Pogacar die dan weer probeert een gaatje van 28 meter groter te maken en Vingegaard die wel buigt, maar niet barst.

Bijna bij de finish, in het zicht van de vaste camera, zie je ondanks hun zonnebrillen dat ze beiden met een uiterste inspanning bezig zijn. Zelden gooide Pogacar lichaam en fiets zo van links naar rechts om uiteindelijk 8 seconden op Vingegaard te pakken. Acht tellen, daar is de Tour van 1989 op beslist.

Pogacar of Vingegaard, wie deze Ronde van Frankrijk wint is het beste in het spelletje dat ze op de flanken van de vulkaan in de Auvergne speelden: wie kan het langst de vinger tussen de deur houden.

Dat is een van de vele omschrijvingen die trainers van wielerprofs gebruiken om een enigszins ongrijpbaar begrip te duiden: fatigue resistance. Het vergroten van vermoeidheidsresistentie of taaiheid staat centraal bij trainingen van renners die een drieweekse ronde zoals de Tour willen winnen.

Tal van data over vermogen, hartslag, lactaat, maximale zuurstofopname van het bloed, staan trainers ter beschikking, maar fatigue resistentie is dan weer niet in een universeel objectief cijfer te vangen. Want pijn verdragen, het zo lang mogelijk uitstellen van oververmoeidheid, van overkoken, is een fysieke kwestie én een mentale.

Het toch kunnen doorfietsen, vooral in een klim, als alles in lichaam en geest schreeuwt om afstappen, is wat de profs onderscheidt van de amateurs en de Tourwinnaar van nummer vijf. Vergelijk het met onder water zwemmen naar de andere kant van het bad: eigenlijk wil ik stoppen en ademhalen, maar als ik nu nog éven doorzet, haal ik het.

Het gaat niet louter om de overkant halen, legt de trainer van Vingegaard, Tim Heemskerk uit. Bij het zolang mogelijk uitstellen van het opgeven, trappen de twee Tourfavorieten ook nog eens hun beste vermogens. ‘Er is geen verval, het zijn wattages die ze in frisse omstandigheden ook trappen.’

Wat vervolgens maakt dat ze het nóg langer volhouden is de vertrouwensboost die toprenners krijgen als ze naar hun metertje kijken. ‘Dat je jezelf verbaast’, legt Heemskerk uit. En dat stimuleert. Wauw, denkt de renner, dat ik dit nog kan! Uit onderzoek zou immers blijken dat de benen veel meer aankunnen dan het brein denkt dat ze kunnen.

Bijna niemand kan een Tour winnen. Vermoeidheid tot in het extreme uitstellen is in aanvang genetisch bepaald. Met vervolgens gerichte training – steeds een stapje zwaarder – verstandig eten en slapen en begeleid herstellen kan daarna heel veel winst worden geboekt, zegt Heemskerk.

Dan nog ben je er niet als aspirant Tourwinnaar. Tactisch inzicht is nodig om het juiste moment te kiezen om diep in het rood te gaan. Is die keuze gemaakt, dan is er volgens Heemskerk nog één drempel: ‘Uiteindelijk moet je ook het zelfvertrouwen hebben dat je het kunt.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next