De mens leeft niet bij brood alleen, dus was ik naar museum Het Schip gefietst en had me aangesloten bij een rondleiding. Het wonderlijke, golvende huizenblok in Amsterdam-West werd een eeuw geleden gebouwd door Michel de Klerk, telg uit een arbeidersgezin met 25 kinderen. Doel van zijn ‘Schip’ was dan ook de ‘verheffing van de arbeider’ uit diens indertijd abominabele omstandigheden in vochtige krotten met walmende turfkachels, ziekelijke kinderen en ongedierte.
Met een tienkoppig gezelschap (zeven NRC-lezeressen van eind zestig met makkelijke kapsels, één man met sokken in sandalen, één flamboyant geklede student kunstgeschiedenis met artistiek haar en een tatoeage van een schemerlamp op zijn arm, en ik) bekeken we, kirrend van vervoering, het postkantoor, die schitterende, duifblauwe, hoopvolle parel van de Amsterdamse School.
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Hier kregen de arbeiders vanaf 1921 hun loon uitbetaald. Voorheen was dat in de kroeg, waar het schamele loon meestal onmiddellijk werd omgezet in jenever. Ik kon ze bijna zien staan bij de loketten, die kromgewerkte verdrukten, een vonkje nieuwe moed in de doffe ogen bij de aanblik van het grote wonder: de telefooncel, voorzien van snoezige ‘luistervinkjes’ van glas-in-lood. Nu kon het verloste lompenproletariaat, na het drinken van een kuis en heilzaam glas melk, eindelijk telefoneren, desnoods helemaal naar Appelscha.
Bij wijze van contrast kregen we daarna een krotwoning te zien. Nou ja, een replica, maar die was indrukwekkend genoeg: een donker hok van drie bij vier, een potkachel met een gebutste pan erop, een winterpeen (nou ja, een plastic replica van een winterpeen), een emmer voor de ‘behoeften’ en een bed met wat armelijke lappen. ‘In zo’n bed sliepen vaak wel vijf of zes kinderen’, zei de gids op gepast verontwaardigde toon. Bij wijze van grande finale trok ze een la uit het bed tevoorschijn: ‘En dan lag er hier ook nog een: het zogeheten ‘ondergeschoven kindje!’
Na deze klapper liepen we naar buiten, de zon in. ‘Zou jij dat nou kunnen, poepen op zo’n emmer waar iedereen bij was?’ vroeg een van de verstandige schoenen-vrouwen aan haar metgezellin. Die dacht even na. ‘Nou, ík ben niet zo moeilijk’, zei ze. ‘Maar Erik... onze badkamer is naast de wc, hè. Gewoon met een deur die op slot kan, en zo. Maar als ik toevallig net mijn tanden ga poetsen terwijl hij op de wc zit, dan klapt hij voor een week dicht. Letterlijk. En dan heb ík het gedaan.’
Ja, de verheffing van de arbeider was een mooi ideaal, maar we zijn misschien toch iets te ver doorgeschoten.
Source: Volkskrant