Home

‘Degene die ik nu het meeste mis, is Mia. Ik leerde haar vier jaar geleden kennen’

Wim Wolters heeft een stalen geheugen, twee rechterhanden en is een man van netheid en precisie. Zelfs de flacon afwasmiddel in zijn keuken heeft een eigen plankje aan de muur. ‘Als ik niet zo precies was geweest, was ik nooit chef van de tekenkamer bij Philips geworden’, zegt de 100-jarige.

‘Het aanbreken van het digitale tijdperk. Dat heb ik op mijn werk op het randje meegemaakt, net voor mijn pensioen bij Philips kwam de eerste computer, 100 bij 150 centimeter groot. Ik ben er niet zo handig mee als mijn kinderen, dat geef ik onmiddellijk toe. Het frustreert mij dat ik niet overweg kan met zo’n handcomputertje. Ik heb mijn kinderen opgevoed, maar nu word ik door hen overvleugeld, zo is het niet bedoeld.’

‘Ik was technisch tekenaar, en werd chef van de tekenkamer. Omdat ik zo precies was, heb ik die functie gekregen. ‘Muggenzifter’, noemden sommige collega’s mij. Het zwaarste gereedschap dat ik voor mijn werk gebruikte, was… een potlood! Daarmee tekende ik alle ontwerpen: motoren van stofzuigers en televisies, motoren en spoelen voor wasmachines en de machines waarmee die werden gemaakt, installaties voor fabrieken. Voor de kennis van elektrotechniek die daarvoor nodig was, had ik gestudeerd. Ik ben laag begonnen, op de ambachtsschool, en heb mij met avondstudies opgewerkt tot elektrotechnicus op hts-niveau, vijf jaar lang, elke avond studeren naast mijn werk.

‘Nu ben ik 100 jaar, zien en horen gaan niet zo goed meer, maar verstandelijk valt het wel mee. Ik ken de wet van Boyle nog: p x V is constant. En de wet van Archimedes: een lichaam ondergedompeld in vloeistof ondervindt een opwaartse druk die gelijk is aan het gewicht van de hoeveelheid verplaatste vloeistof. Dát is de reden dat een schip drijft, de Griekse natuurkundige Archimedes heeft dat op zijn geweten.’

‘Ik was 18 jaar toen de oorlog uitbrak. Ik moest werken in Duitsland, dat was niet tegen te houden. Daar gebeurde iets vreemds. Ik moest mijn naam opgeven: Wilhelmus Wolters. Die achternaam kwam in Noordrijn-Westfalen veel voor. Daardoor viel ik in de klasse Deutsche Verwandtschaft. Dan moest je ook werken, maar werd je ondergebracht in een Duits gezin, en verplicht Duits te leren. De bedoeling was dat ik vandaaruit zou trouwen en kinderen krijgen die het zuivere Duitse ras zouden voortbrengen. Daar is het niet van gekomen. Maar ik heb wel 4,5 jaar in dat gezin geleefd, ze beschouwden mij als hun zoon en broer, ik hen als mijn vader en moeder en twee jonge zusjes. Ze stelden mij overal voor met hun achternaam, als ‘Willy Schmidt’. Ik had het er naar mijn zin, noemde de moeder Mutti. Nu was het zo dat mijn eigen moeder geen tijd had om haar kinderen te knuffelen, elke avond lag er een berg sokken te wachten om te stoppen. Mijn Duitse moeder knuffelde mij wel, kuscheln heet dat in het Duits. Toen de oorlog voorbij was, gaf ik te kennen dat ik naar huis wilde. Ze regelde een fiets waarmee ik terug kon.’

‘Ik moest de Nederlandse taal opnieuw leren en gebruikte nog veel Duitse woorden, de taal waar ze in Nederland een hekel aan hadden. Dat begreep ik wel. Als ik een telefoongesprek beëindigde, zei ik automatisch: ‘Ich rufe Sie doch später an.’ Op mijn werk flapte ik er een keer uit: ‘Sie sind doch nicht verrückt!’ Ik kreeg te horen dat ik dat moest afleren.

‘Toen een van mijn Duitse zusjes, Elfriede, een paar jaar na de oorlog mij met haar vriend kwam opzoeken, vloog ze mij om de hals en praatte honderduit. Ze vroeg of ze konden blijven logeren. Mijn vrouw zei tegen mij: ‘Je kunt doen wat je wil, maar er komen hier geen rotmoffen in huis.’ Ik belde mijn vader, gelukkig konden ze bij hem overnachten. Een paar jaar later, toen Elfriede ging trouwen en een uitnodiging stuurde, zei mijn vrouw: ‘Als je gaat, hoef je niet terug te komen.’ Als we geen kinderen hadden gehad, had ik het risico durven nemen.

‘Mijn Duitse tijd kun je niet uitvlakken. Ik had het goed in het gezin, het waren heel gewone mensen en de vrouw was als een moeder voor mij. Ze moesten niets hebben van de nazi’s. Ik heb ervaren dat er ook goede Duitsers zijn, maar in Nederland bleven alle Duitsers rotmoffen.’

‘Mijn vader kwam van de Veluwe en was Nederlands-hervormd, mijn moeder kwam van de bible belt en was streng gereformeerd. Zij bepaalde dat we naar een ‘school met de bijbel’ gingen. Daar moesten we elke week een psalm uit ons hoofd leren en maandagochtend opzeggen in de klas. Ik begreep vaak niks van die teksten. Neem psalm 82: ‘Het hijgend hert der jacht ontkomen schreeuwt niet sterker naar het genot van de frisse waterstroom dan mijn ziel verlangt naar God.’

‘Mijn vader werkte bij de PTT, aan de telefoon. Hij droeg een pet met vijf goudkleurige biezen. Op het laatst ging hij erover of iemand wel of geen telefoonverbinding kreeg. Dat ging zo: dan vroeg de fietsenmaker of hij een verbinding mocht, hij bood mijn vader in ruil daarvoor een goedkope fiets aan. Daar ging mijn vader niet op in. Maar op een dag was hij voor zijn werk bij het abattoir geweest, en toen lag er daarna wel een lever van een varken of een koe in een pan op het fornuis te sudderen.

‘Ik herinner mij als de dag van gisteren dat op een doordeweekse ochtend een zusje was geboren. Daardoor kwamen mijn broertje en ik te laat op school. Mijn broertje moest huilen, want te laat komen was een ernstig vergrijp. Ik bracht hem naar zijn klaslokaal en zei tegen de juf: ‘We zijn te laat omdat we een kindje hebben gekocht.’ Zo werd dat in die tijd genoemd, de juf begreep het meteen. Waar de baby was gekocht, daar stond ik niet bij stil. Er werd in die tijd niet gesproken over hoe een kind ter wereld kwam.’

‘Dat is heel moeilijk te beantwoorden. Degene die ik het meeste mis op het ogenblik is Mia. Ik leerde haar vier jaar geleden kennen, ze was nieuw in dit wooncomplex, struikelde bij de lift en zo raakten we aan de praat. Het klikte en we kregen een relatie. Als we naar buiten gingen, holden we als twee dolle honden achter elkaar aan, zo verliefd waren we. Vier jaar lang heb ik mantelzorg voor haar gedaan, van vroeg in de ochtend tot laat in de avond. Ze kreeg alzheimer. Drie weken geleden is ze verhuisd naar een verpleeghuis in Breda. Ik begrijp niet goed waarom ze daarmee heeft ingestemd. Mijn dochter zegt dat het komt door haar ziekte.’

‘Vijf jaar nadat ik alleen was komen te staan – mijn vrouw Nettie overleed in 1982 aan kanker, een rottijd – heb ik Jet ontmoet. Met haar heb ik twaalf jaar een relatie gehad, een heel goede relatie. Jet was geen knappe vrouw, maar ze kon koken als de beste! Daar was ze heel precies in. Als ze aardappels bakte, waren alle schijfjes even dik. Als ik vroeg of ze de schijfjes niet moest omdraaien, zei ze: ‘Nee, want de bruinage is nog niet in orde.’ Ik was erbij toen ze stierf. Ik hielp haar met soep eten toen ik iets in haar gezicht zag veranderen – een moment later was ze dood.’

‘Ik heb ook nog Thérèse gehad, na Jet. Tegenslagen vang ik wel op. Dat doe ik meestal verstandelijk. Ik pak een foto van Mia, kijk daar een tijdje naar en wens dat ze weer naast mij op de bank zit. Mijn verstand weet dat als je alzheimer hebt, het steeds slechter gaat. Er zit dus niks anders op dan mij erbij neer te leggen dat ik Mia moet loslaten.’

‘Het moet niet te lang duren. Hier in dit wooncomplex zijn veel vrouwen, ze zitten vaak met wel twintig of dertig bij elkaar. De mannenclub waar ik bij zit, bestaat uit hooguit vier à vijf man.’

‘Dat zou je zeggen, ja. Ik durf er niet tussen te gaan zitten. Eigenlijk zou er iemand moeten zijn die de groepen samenbrengt. Maar misschien willen de vrouwen dat niet. Het lijkt alsof ze genoeg steun hebben aan elkaar.’

‘Jawel. Dan heb je iets te bepraten en je kunt samen iets doen. Er is niemand meer die denkt aan een 100-jarige. Voor hen lig ik al half in het graf. Iedereen schrikt als ik vertel hoe oud ik ben. Maar toen ik een relatie met Mia kreeg, was ik 96, ook stokoud en liep ik met haar weg. Het kan zomaar weer gebeuren.’

‘Geluk zit hem alleen in kleine dingen. Iets leuks doen met mijn kinderen of als er iets lekkers te wachten staat. Ik eet niet veel meer, maar als er beneden in het restaurant een pannenkoek op het menu staat, gaat die helemaal op.’

geboren: 15 juni 1923 in Tilburg

woont: zelfstandig, in Goirle

beroep: technisch tekenaar

familie: twee kinderen, drie kleinkinderen, zes achterkleinkinderen

weduwnaar: sinds 1982

Dit is de laatste aflevering in de serie met 100-jarigen voor de zomerstop. De volgende aflevering verschijnt maandag 14 augustus.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next