Het ziet er onverdacht uit, van de straat af gezien, het huis van Jochem en Lisette Kühnen in Beek-Ubbergen. Gewoon een rijtjeshuis tussen de rijtjeshuizen, in een best stenige wijk. Het enige wat misschien opvalt, is dat er veel gierzwaluwen boven cirkelen. Maar even later, aan de achterkant van het huis, betreden we een andere wereld, een groene wereld. Een oase voor beestjes, een refugium.
Eerst maar eens oppervlakkig kijken. Boven het vijvertje herkennen we azuurwaterjuffers en vuurjuffers. Kikkervisjes en bootsmannetjes in het water, schaatsenrijdertjes erboven. Om ons heen, bijen, zweefvliegen, muggen, wantsen. ‘Kijk, de breedbandgroefbij’, wijst Jochem Kühnen. ‘Een van de mooiste bijtjes van Nederland. Zie je die haarbandjes op het achterlijf? En daar een groefje.’
Boven ons hoofd de gierzwaluwen, om ons heen tjilpen huismussen. En is dat nu een kauwende metselbij of een zwartbronzen houtmetselbij? Ongeveer tachtig soorten wilde bijen bezoeken de tuin van Jochem Kühnen, veel soorten leven er permanent. Dat zien we bij de verschillende soorten bijenhotels die op de zonnigste plaatsen zijn geplaatst en wacht, boven het water vliegt een forse, mooie libel, een platbuik. Als we naderen, schrikt een groene kikker op, die van de kant het water inspringt.
Van de overheid valt al jaren weinig te verwachten als het gaat om het beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap. Dus nemen particulieren het heft in eigen handen, al of niet in de geest van de punkcultuur, eind jaren zeventig, toen de toestand ook uitzichtloos leek. Do It Yourself. Een korte reeks van Caspar Janssen, die zelf zijn stadsbalkon omtoverde tot een oase voor bijen en andere beestjes.
Het valt moeilijk hard te maken, maar deze bescheiden tuin van 9 bij 7 meter zou weleens het soortenrijkste stukje Nederland kunnen zijn. Het is in elk geval zo dat Jochem Kühnen er alles aan doet om zo veel mogelijk dieren, groot en klein, een plek te bieden. Hij houdt het sinds een jaar of tien ook systematisch bij, het aantal soorten in zijn tuin. Op meer dan 2.150 zit hij nu, en er komen nog wekelijks nieuwe soorten bij.
Dit zijn ongetwijfeld de best geïnventariseerde vierkante meters van Nederland. Geen beestje, hoe minuscuul ook, ontsnapt aan de belangstelling van Kühnen, die in het dagelijks leven werkzaam is bij een microbiologisch laboratorium in Nijmegen. Op een tafel in de huiskamer staan buisjes met galwespjes. Van sommige soortgroepen zijn de kenners dun gezaaid. ‘Ik heb laatst nog een heleboel van dit soort buisjes opgestuurd naar Spanje. Daar zit de galwespspecialist van Europa.’
Hoe het begon? Dat is nog niet zo’n eenduidig verhaal. Ja, als kind hield Jochem Kühnen al van natuur, en tekende hij beestjes. Maar het bleef altijd een liefhebberij. Als vogelliefhebber vatte hij een speciale interesse op voor gierzwaluwen, die lange afstandstrekkers die van het voorjaar tot de zomer het luchtruim verlevendigen met hun acrobatische vluchten en hun gegier.
Toen hij in 2008 met zijn vrouw Lisette verhuisde van een appartement in Nijmegen naar dit huisje met tuin, begon hij te noteren wat er zoal overvloog of in hun tuin kwam, aanvankelijk vooral vogels. Hij bevestigde toen ook de eerste nestkasten voor gierzwaluwen onder de dakgoot, die twee jaar later al werden ingenomen door de vogels. Inmiddels is er nestgelegenheid voor veel meer gierzwaluwen, dit jaar komt hij uit op elf paartjes. In de huiskamer, op de computer, kunnen we de ontwikkelingen in de nesten via webcams volgen.
Toen de verbouwing van het huis klaar was, besloten ze de tuin onder handen te nemen. Ze namen de rigoureuze beslissing om de garage te slopen. Zo kwam er ruimte voor een vijvertje. Daarna was de rest van de tuin aan de beurt. Het was ook de tijd dat duidelijk werd dat het niet best ging met wilde bijen en andere bestuivers. Kühnen: ‘Ik hou erg van wilde bijen en ik wist dat bijen vaak specifieke gastplanten hebben, drachtplanten. Zo is het eigenlijk begonnen. Ik ben inheemse bijenplanten gaan planten.’
Vanaf die tijd, in 2014, begon hij ook systematisch iedere nieuwe soort in de tuin te documenteren. De grafiek met soorten van hun tuin vertoont vanaf die tijd dan ook een flink opgaande lijn, tot op de dag van vandaag. Kühnen: ‘Het was nooit de bedoeling om zo veel mogelijk soorten te verzamelen, wel wilde ik van iedere soort weten wat het was.’ Dat begon bij de relatief grote, duidelijke soorten, zoals vogels en de algemene bijen en vlindersoorten, maar zoals dat gaat, daarna begon hij ook de kleinere dieren te bestuderen. ‘Ik heb hier soorten gevonden die nog niet eens bekend zijn voor Nederland. Het wespje Tiphodytes gerriphagus, bijvoorbeeld, 1,2 millimeter klein. De vrouwtjes van dit wespje verdwijnen onder het wateroppervlak om hun eitjes in de eitjes van schaatsenrijders te leggen. Of het nog kleinere galmugje Dasineura festucae, waarvan de larven opgroeien in individuele jonge graszaden aan de aar. Deze beestjes komen elders vermoedelijk ook wel voor, maar ja, er moet maar net iemand gericht naar kijken.’
Over de auteur
Caspar Janssen schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap. Hij schreef onder meer het boek Het bijenbalkon – Van een kaal terras naar een zoemende balkonjungle.
Zo vatte hij ook interesse op voor bladluizen, inmiddels ook een specialisme, naast gierzwaluwen en wilde bijen. ‘De meeste mensen denken bij bladluis aan bladluizen op rozen, denk ik. Ze spreken vaak ook over dé bladluis. Maar ik heb hier nu tegen de honderd soorten bladluizen gedocumenteerd. Ik heb de bonte wilgentakluis in de tuin, dat vind ik ontzettend leuk, want die is heel zeldzaam. En er is een luis, Uroleucon taraxaci, die is heel mooi, roodbronzig van kleur. Die wordt maar zelden aangetroffen in Nederland, maar ik heb die hier heel veel op paardenbloem. Ook bladluizen zijn, net als veel bijen, vaak verbonden aan een specifieke plantensoort.’
De reflex om bladluizen te bestrijden zit diep, maar niet bij Kühnen. ‘Op bijna alle planten zitten bladluizen, en daar merk je verder helemaal niets van. De meeste kolonies verdwijnen ook weer. Ze zijn favoriet voedsel voor de larven van zweefvliegen en er zijn allerlei schildwespjes die hun eitjes in bladluizen leggen. Ze hebben ook een bijzondere levenscyclus, ze zijn niet het hele seizoen aanwezig. Ik heb wel de indruk dat hoe groter de diversiteit aan planten is, hoe groter de weerbaarheid. Deze planten zijn op natuurvriendelijke wijze gekweekt, of ze zijn hier spontaan opgekomen. Dat speelt ook een rol. Er is hier nog nooit een plant gestorven door bladluizen.’
Een rondje door de tuin, dan, langs die planten, want daar begint het mee. We herkennen prachtklokje, beemdkroon, moerasspirea, boerenwormkruid, rolklaver. Achter in de tuin bomen en struiken, vlier, meidoorn, sporkehout, en geurige planten als daslook en robertskruid. En nog veel meer: luzerne, wilde bertram, echte gamander, heelblaadjes, rode klaver... ‘Grote wederik staat hier ook. De enige bij die daarmee overweg kan, is de slobkousbij. En die vliegt hier dus, dat is best bijzonder. Echt gaaf om te zien ook, hoe ze met hun achterpoten met harige ‘slobkousen’ die olieachtige substantie eruit weten te krijgen.’
En kijk, wijst hij dan, daar is de heggenrankbij, op de heggenrank. ‘Zo werkt dat. Daar staat de moerasandoorn. Vanwege die plant heb ik hier nu ook de andoornbij. Dat is zo ontzettend leuk om te zien.’
Hoe hij aan zijn planten kwam, en waarom precies deze verzameling van meer dan honderd soorten, weet hij niet meer precies. ‘Ik heb veel planten gekocht en besteld bij kwekers van wilde planten.’ Sommige planten vestigden zich spontaan. Een enkele keer haalde hij een plant uit een wegberm. ‘Maar alleen als ik zag dat een plant daar niet tot zijn recht kwam. Een akkerklokje bijvoorbeeld, dat iedere keer, nog voor de plant bloeide en tot zaadafzetting kon komen, werd gemaaid. Dat ergerde mij. En dan voel ik me niet bezwaard om een plakkaatje in mijn tuin te zetten. Hier vliegen er nu volop klokjesbijen op.’ Maar, zegt hij, in principe raadt hij wildplukken af. ‘Want planten die ergens wild groeien hebben op die plek hun waarde.’
In tuincentra komt hij nooit. En, zegt hij: ‘Ik heb eigenlijk geen verstand van tuinieren. Ik ken ook geen tuinplanten. De planten van mensen bij wie ik weleens in de tuin kom, ken ik niet. Dat zijn rare, gecultiveerde dingen of planten die uit het buitenland komen. Ik ken alleen de wilde, inheemse planten. En dat zijn precies de planten waar bestuivers en andere insecten iets aan hebben.’
Het tuinieren zelf is verder vrij eenvoudig en minimalistisch. ‘Ik laat tegenwoordig ook de uitgebloeide stengels staan. Daar vinden allerlei soorten weer voedsel in. Ik houd het pad vrij, dat is eigenlijk alles wat ik doe, ik span af en toe een touwtje.’ Zijn hoofdactiviteit is het volgen van de beestjes. ‘Ik loop weleens zomaar even zonder camera naar buiten. Daar krijg ik altijd spijt van. Ik moet dan toch altijd weer terug, om de camera te halen.’
Wat meezat, is dat de grond in zijn tuin behoorlijk goed is, leemachtig. Bij de keuze van de planten hield Kühnen rekening met wat er in de omgeving past, hij koos vooral wilde planten die ook in de omgeving groeien. Wat ook hielp voor de soortenrijkdom in zijn tuin: op een paar honderd meter afstand begint de Nijmeegse heuvelrug, met flink wat bossoorten. En de andere kant op, richting Waal, ligt de Ooijpolder, die ook redelijk natuurrijk is. ‘Veel soorten zitten dichtbij genoeg om ook onze tuin te ontdekken.’
En zo, en do Source: Volkskrant