N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Ronde van Frankrijk De wielerwereld werd 25 jaar geleden overspoeld door dopingschandalen tijdens de ‘Tour Dopage’. NRC-verslaggever Jaap Bloembergen (nu 60) was erbij in Frankrijk. Hij kijkt terug, en ziet hoe die ervaring zijn vertrouwen in topsporters heeft beschadigd. „Wat fietsen ze hard, wat nemen ze een risico. Kan dat allemaal zonder doping?”
In Zeeland – de provincie van de wielrenners Jan Raas en Cees Priem maar dat wist ik toen nog niet – ontlook in de zomer van 1977 mijn liefde voor de wielersport. Zeilend op een lemsteraak, luisterend naar het radioverslag van Theo Koomen. Hij raakte op de motor naar Alpe d’Huez in extase. De strijd om de gele trui was een secondenspel tussen Tukker Hennie Kuiper en Fransman Bernard Thevenet. Weinig wind op het Veerse Meer, dus alle tijd voor het opgewonden live-verslag van Koomen.
En toen stootte mijn vader met zijn elleboog per ongeluk de radio van het haakje in de kajuit, toen hij de poepdoos buitenboord wilde legen. Ik greep naar de transistor tussen de drollen, maar Koomen was tot mijn ontsteltenis niet meer te horen en ik vernam pas uren later bij het aanmeren in Veere dat Kuiper weliswaar de rit had gewonnen, maar acht tellen tekortkwam voor de Maillot Jaune. Letterlijk te vroeg gejuicht, schreven de ochtendkranten. Te blij met de ritzege en de gele trui over het hoofd gezien. Zoiets.
Wel of geen Nederlandse Tourwinnaar, mijn liefde voor het wielrennen was aangewakkerd en zou ruim twintig jaar voortduren. Van schooltijd (de Tourzege van ‘eeuwige tweede’ Joop Zoetemelk in 1980), via studietijd (de Tourzege met acht seconden verschil van Greg LeMond in 1989) naar werktijd.
Als manusje van alles begon ik in 1993 bij de sportredactie van NRC. Al snel werd ik wielerverslaggever en schreef er de eerste vier jaar enthousiast over, hoewel de doping al door de verhalen heen sijpelde. Maar pas in 1998, in wat al snel de Tour Dopage zou worden genoemd, werd het schrijven over doping hoofdzaak. Het zou de Tour de France worden die mijn romantische beeld van het wielrennen definitief deed kantelen.
De overmacht van de Italiaanse renners was in die midden jaren negentig wel verdacht, maar nog geen bewijs van vals spel. Net als de Tourzege in 1996 van de Deense wielerveteraan Bjarne Riis, die lang te boek stond als een middelmatige klimmer. Ik had Riis leren kennen als een arrogante, afstandelijke gesprekspartner die zijn interviewer niet aankeek. Ook hij had heel wat te verbergen, bleek later. Op het moment van schrijven was ik wel argwanend, maar ook Riis kreeg, bij gebrek aan bewijs, het voordeel van de twijfel.
‘Monsieur 60 pour cent’, luidde later de bijnaam van Riis, naar zijn extreem hoge hematocrietwaarde, een indicatie voor zwaar gebruik van epo. Dit verboden eiwithormoon was nog niet opspoorbaar. Door de maximaal toegestane hematocrietwaarde – de dikte van het bloed – op 50 procent vast te stellen, probeerde de internationale wielrenunie UCI extreem gebruik in te dammen. Het waren dus geen doping- maar gezondheidscontroles. Dat Riis met zijn 60 procent nooit een startverbod heeft gekregen, zegt alles over het lekke controlesysteem. Het verhaal ging later dat Riis en zijn ploeggenoten in hun hotelkamer letterlijk op hun kop gingen staan, waardoor de bloeddikte zou zijn afgenomen.
Nog een voorbeeld van mijn groeiende argwaan: Michael Boogerd, Neerlands hoop in bange wielerdagen, schreef tijdens de Tour van 1997 een dagboek voor NRC. Om de paar dagen mocht ik naar zijn hotel om de aantekeningen op te halen, over te tikken en op te sturen naar de redactie. Aan e-mailen deed de jonge Boogie nog niet.
Toen ik in finishplaats Morzine volgens afspraak via de lift naar zijn kamer wilde, hield Rabobank-ploegarts Geert Leinders me tegen. Hij leek in paniek. Wat moest ik op zijn kamer? Toestemming van ploegleider Theo de Rooij, zei ik. Nee, dat ging zomaar niet. De arts bleek de baas, de ploegleider excuseerde zich driftig gebarend achterin de eetzaal. Via een omweg kreeg ik een dag later alsnog de aantekeningen. Geen letter over zijn dopegebruik natuurlijk. Die leugens zouden pas tien jaar later worden geopenbaard.
En ook geen letter over mijn moeizame zoektocht naar het dagboek. Niet relevant voor de lezer. Maar het hield mij wel bezig. Waarom mocht ik niet, zoals met Boogerd en De Rooij afgesproken, naar zijn kamer? Lag hij soms aan het infuus voor een toegestane glucosebehandeling? Of deed de dokter iets met Boogerd dat het daglicht niet kon verdragen? Veel vragen, weinig antwoorden. Het was een jaar voor de Tour Dopage.
Michael Boogerd wordt na een tijdrit in 1997 opgevangen door Rabo-verzorger Ton van Engelen. De Nederlander hield dat jaar in de Tour een dagboek bij voor NRC. Foto Ed Oudenaarden/ANP
Er waren meer ervaringen die tot argwaan leidden. In het voorjaar van 1998, een paar maanden voor de Tour de France, interviewde ik de Duitse topsprinter en meervoudig groenetruiwinnaar Erik Zabel. Over zijn DDR-verleden, synoniem voor systematisch dopinggebruik. Vooral anabole steroïden waren erg in trek. De kop boven het stuk: ‘Fietsen met het verleden op de hielen’.
Ik was tevreden over het interview, mooie details over de Oost-Duitse dopingmethoden, tot een Trouw-collega me de volgende dag fijntjes toesprak: ‘Waarom heb je Zabel niets gevraagd over het dopegebruik bij Telekom?’ Ik had het wel ter sprake gebracht, maar hij ontkende vanzelfsprekend. En dat had ik misschien moeten opschrijven.
Hetzelfde gold voor zijn land- en ploeggenoot Jan Ullrich. Hij was ook geboren in de DDR, won de Tour de France in 1997 al op 22-jarige leeftijd. Der Jan, die in Duitsland voor massale wielergekte zorgde, was ook een geboren leugenaar. Hij zou later bijna kapotgaan aan drank, drugs en wat al niet meer. Maar anders dan de Italiaan Marco Pantani (overleden in 2004) en de Belg Frank Vandenbroucke (overleden in 2009) werden zijn verslavingen hem net niet fataal. Ullrich werd na een maandenlange behandeling ontslagen uit een psychiatrische kliniek. Hij schijnt nu weer aan de beterende hand te zijn, dankzij hulp van familie en vrienden.
Gelukkig maar, want de man die Duitsland in hogere wielersferen bracht was een prachtige sporter. Slachtoffer ook van de dopingcultuur. Maar net zo schuldig als alle anderen natuurlijk, zo bleek later. Ook hij. Zolang iedereen glashard bleef liegen, was het voor de sceptische volgers zoals ik lastig, nee ronduit frustrerend werken.
Zoals wijlen NRC-columnist Hugo Camps het in die jaren verwoordde: „De sport als enclave van sportiviteit en fysieke integriteit pur et simple is een hersenspinsel van ploegleiders, sponsors, organisatoren én journalisten.”
De slechte resultaten van de Nederlandse profrenners verklaarde ik in mijn beginjaren als wielerjournalist nog niet aan hun ‘dopingzuivere’ rijstijl. Wel aan een mindere lichting, matige mentaliteit, slechte opleiding. Maar TVM en Rabobank zouden die sportieve schade snel inhalen, een lange neus trekken naar de kritische pers en zich vanaf 1996 kunnen meten met de buitenlandse bedriegers. Ze hadden ook epo ontdekt – het wondermiddel.
In de zomer van 1998 werd ik, zoals bijna alle wielervolgers, hardhandig wakker geschud. De Tour Dopage was mijn journalistieke hoogtepunt. De Franse politie en justitie trokken een beerput open die voorheen gesloten was. Niet de koers, maar de arrestaties en verhoren van renners en begeleiders en hun bijbehorende leugens en emoties, vormden mijn werkterrein.
Drie weken lang bijna elke dag voorpaginanieuws, dat was kicken. Ik vond het spannend en uitdagend – wielerjournalistiek bleek meer dan het schrijven over ‘hoeveel tandjes voor en hoeveel tandjes achter’. Maar met mijn liefde voor de koers was het wel gedaan. Scepsis in de jaren ervoor maakte plaats voor cynisme. Het gevoel door de hele kluit belazerd te worden.
Terwijl de Grand Départ van de Tour in Dublin nog wel zo vrolijk en veelbelovend was geweest. Ontspannen interviews overdag, feestgedruis in de avond en nacht. De eerste dopinggeruchten hoorden we vrijdagavond laat, toen de krant al naar de drukker was (er was nog geen website) in een Iers café. De Belgische verzorger Willy Voet, van de Festinaploeg, was die week op weg naar Ierland aangehouden met vierhonderd flacons vol verboden middelen, meldde het Franse persbureau AFP.
Ploegleider Bruno Roussel ontkende, vanzelfsprekend. „Het is een grap die getuigt van slechte smaak óf het is een bananenschil om ons te laten uitglijden. Al onze soigneurs zijn hier, ik mis niemand.” Glashard liegen, het was in de jaren negentig een tweede natuur van ploegleiders en wielrenners.
Dopinggeruchten of niet, in het eerste weekend stonden tienduizenden Ieren tijden de proloog in Dublin langs de kant. Wisten zij veel. En als ze wel op de hoogte waren geweest, zou de reactie waarschijnlijk even enthousiast zijn geweest. Want dat is me al die dopingjaren ook bijgebleven: de massa bleef net zo hard klappen, tenzij het een buitenlandse rivaal betrof. Zoals Lance Armstrong in Frankrijk is overkomen. Die werd al jaren voor zijn ontmaskering voor bedrieger uitgemaakt, massaal uitgescholden en zelfs met urine besprenkeld.
Op Source: NRC