‘Die moet niet daar.’
Woensdag, ik was bij mijn moeder aan het werk. Ik had zojuist een plastic crackerverpakking in het opengeknipte melkpak gestopt dat op het aanrecht staat, een soort tussenstop voor plastic afval vóór plastic afval in de grote plasticafvalbak belandt, ernaast staat het bakje voor gft-afval, zelfde principe. En nu stond mijn moeder ineens achter me, ze had haar jas nog aan. ‘Dat is plastic en dat moet hier, geef maar.’ Ze viste de verpakking uit het melkpak en stopte het in een andere prullenbak, die onder het gootsteenkastje. ‘Dat melkpak is alleen voor restafval.’
Ik keek haar aan. ‘Maar in dat melkpak zít toch plastic?’
Ze schudde haar hoofd, nee hoor.
Voor de zekerheid pakte ik ’m erbij: ‘En wat is dit dan?’ Ik zag mezelf de inhoud naar haar toe draaien: twee lege koffiemelkcupjes en een strip kleine vuilniszaksluitingen.
‘Dat is geen plastic’, zei ze met droge ogen.
Het was allemaal te klein voor woorden maar ik kon het nu toch niet laten om ook even een blik te werpen in die prullenbak in het gootsteenkastje, waar ik inderdaad de plastic zak van een half grof volkoren aantrof, puntje voor haar. ‘Maar die koffiemelkcupjes’, hield ik vol. ‘Dat is toch óók plastic?’ Nou, nee dus, het leek erop maar het was het niet, dit hoorde bij het restafval. Moederlogica, ik liet het er maar bij.
De watmoetinwelkebak-vraag is een serieuze factor in ons dorpsleven – in eigen huis sta ik vaak al net zo te hannesen, maar dan met chipszakken, ik heb het al tien keer opgezocht maar ergens in mijn hoofd bestaat een Bermudadriehoek waarin vitale informatie over de verwerking van lege chipszakken verdwijnt. Wanneer ik de bak op maandagavond aan de straat zet kijk ik soms even hoe het bij de buren zit, hop, even die deksel omhoog, heel kort maar hoor, maar lang genoeg om te zien dat ik niet de enige ben met afvaldissociatie. Het was precies dit gedoe waardoor Marcel er in eerste instantie niet eens aan had willen beginnen toen we in het dorp neerstreken, hij vond het ‘gezeik’, en wat had het trouwens voor zin als ze 10 kilometer verderop in Amsterdam überhaupt niet aan afval scheiden deden, om over China maar te zwijgen. Hij liet die houding pas varen toen we voor het eerst tegen een vuilnisbak aanliepen waar de maden uit kwamen kronkelen – per week wordt er maar één soort opgehaald dus wie weigert de boel te scheiden komt onherroepelijk in de problemen – wie niet luisteren wil moet maar ruiken moet de gemeente gedacht hebben.
Ik was het voorval aan mijn moeders aanrecht alweer vergeten tot ik er van de week in de knoop kwam met een lege strip paracetamol. Plastic, ja, maar óók voorzien van een soort zilverfolie, wat woog zwaarder? Even later haalde ik tijdens de lunch de randjes van een stuk kaas af, weer ingewikkeld, want kaas is kaas maar aan de zijkant zit plastic en ik ga die twee echt niet uit elkaar zitten pielen, zoals ik ook niet de nietjes uit een theezakje trek, zo’n mens wil ik niet worden. Omdat ik mijn moeder in gedachten alweer door dat melkpak zag gaan, ze heeft een arendsoog voor dingen in huis die niet liggen zoals zij ze heeft achtergelaten, heb ik toen het ondenkbare gedaan, en die stukjes kaas samen met de lege strip paracetamol mee naar buiten genomen en daar het hele handeltje hop, zo in een openbare vuilnisbak gegooid, probleem opgelost. Nee, het wereldprobleem niet nee, maar dat gaat u dan maar lekker in China vertellen.
Source: Volkskrant