Het móét haast wel instinct zijn. Mensen, zo goed als overal ter wereld, zijn doorgaans doodsbang voor slangen en spinnen. Dat riekt naar aanleg, dacht hoogleraar ontwikkelingspsychologie Vanessa LoBue van Rutgers University. Ze wist wat ze wilde gaan doen: dit instinct ontrafelen.
En dus zette ze kinderen van 1,5 jaar oud in dezelfde kamer met slangen, spinnen en hamsters, achter glas. Dat pakte anders uit dan ze had verwacht. ‘De hamster sliep, dus die was niet zo interessant. Maar de slang? Die vonden ze geweldig. De kinderen drukten hun neus op de ruit en wilden ’m oppakken.’ Verrassend genoeg blijken kinderen slangen niet eng maar boeiend te vinden, zegt LoBue, die later hetzelfde zag bij jonge baby’s. Als de instinctieve angst voor slangen al bestaat, dan laat die zich op die leeftijd nog niet zien.
Ja, instinct. Ingebakken neigingen, kant-en-klaar gedrag. Iets dat een dier of mens erft van zijn ouders. Wat voor pa en ma goed werkte om te overleven, zal ook wel handig zijn voor de kinderen. Instinct legt daarmee in één klap uit hoe een schildpad, zelfs pasgeboren, altijd zijn weg vindt, waarom een mens bang is voor levensgevaarlijke slangen of hoe kinderen anderen zo snel na-apen.
Maar instinct blijkt nogal ongrijpbaar. Wetenschappers proberen het fenomeen al sinds de tijd van Charles Darwin te vatten, maar telkens blijkt dier- en mensgedrag net even iets ingewikkelder dan de verklaring dat het ‘aangeboren’ moet zijn.
Het gevolg: instinct is een beetje uit de mode onder wetenschappers. ‘De meeste biologen gebruiken het woord al heel lang niet meer als ze gedrag beschrijven’, zegt Martijn Egas, hoogleraar evolutie en gedrag aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Wanneer je als bioloog zegt: o, dit is instinct, wordt het moeilijker om nieuwe vragen te stellen over wat daar nou precies achter zit. Dat ontbreekt allemaal in het begrip instinct.’
Grote vragen
Heeft u een haast onmogelijk te beantwoorden vraag voor de wetenschapsredactie? We ontvingen ruim 500 reacties op deze lezersoproep, waarvan we er 7 uitkozen om deze zomer te proberen te beantwoorden. We bespreken elke vraag óók in onze wetenschapspodcast, Ondertussen in de kosmos.
8 juli: wat is instinct?
15 juli: waar zoeken we precies naar bij de zoektocht naar buitenaards leven?
22 juli: waarom zijn sommige mensen van nature positief, en anderen negatief?
29 juli: kan a.i. gevoel krijgen?
5 augustus: waar eindigt het heelal?
12 augustus: waarom dromen we?
19 augustus: zou de wereld beter af zijn als vrouwen aan de macht zouden zijn?
Toch is het soms logisch wél van instinct te spreken, zegt Egas. Op het eerste gezicht lijkt ingeworteld gedrag namelijk makkelijk te herkennen. Een dier doet iets dat het niet heeft kunnen afkijken van vader, moeder of een soortgenoot. Zo bekeken lijkt het gedrag bijna van ‘binnenuit’ een dier te komen.
In zijn colleges laat Egas ter illustratie weleens de video zien van een aasgier die stenen gooit naar een struisvogelei om het te openen. Dat doet het dier spontaan, ook als het alleen opgroeit in gevangenschap. ‘Voor een eerste kennismaking met zulk gedrag gebruik ik dan soms toch het woord instinct.’
Wie een beetje zoekt, vindt overal instinct. Wetenschappers hielden begin vorige eeuw van lijstjes maken, en instinctlijstjes kwamen er dus ook, aldus wetenschapshistoricus Barbara Scholz in Nature. Denk aan een nestinstinct, een hongerinstinct, een ontsnappingsinstinct, een bouwinstinct, een lach- of plezierinstinct en een slaapinstinct. Zulke lijstjes vond niet iedereen nuttig. Ze werkten volgens critici een ontdekkingsdrift in de hand, schreef Scholz, waarbij onderzoekers in de verleiding kwamen om roem te verzilveren als ze een nieuw gedrag tot instinct wisten te bestempelen. Een criticus mopperde dat het met 280 instincten wel even genoeg was.
Fervente instinctliefhebbers waren de Nobelprijswinnende bioloog Konrad Lorenz en zijn Nederlandse leerling Niko Tinbergen. De twee grondleggers van de gedragsbiologie stelden dat instinct vanuit het dier zelf moest komen. Het zat dus in de genen en viel niet aan te leren.
Dat rijmde met wat Lorenz in vernuftige experimenten zag: instinct is zo sterk dat een dier dat gedrag domweg afdraait, zelfs als het wordt onderbroken. Een grauwe gans blijft stug een ei terug naar het nest duwen, zelfs als een onderzoeker stiekem dat ei snel even wegpakt. En het was Lorenz die zijn gezicht liet zien aan ganzenkuikens, die daardoor hém begonnen te volgen, in plaats van moedergans.
Over de auteur
Ronald Veldhuizen schrijft voor de Volkskrant over medisch onderzoek, psychologie en (neuro-)biologie. Daarnaast leidt hij de cursus wetenschapsjournalistiek van SCW.
Maar dan komen de moeilijke vragen waar Egas op doelt. Hóé zit dat instinct dan precies in de genen? Bevat het dna van schildpadden een kaart van de oceaan, waarop de dieren mentaal vlaggetjes prikken? Heeft elk dier een dna-catalogus met gevaarlijke roofdieren om te vrezen?
Zodra je die kant op gaat, zegt hoogleraar gedragsneurologie Mark Blumberg van de universiteit van Iowa per videoverbinding, ontstaat al gauw het idee dat dieren – en mensen – doelbewust hele boekwerken aan gedrag hebben ingebakken om een bepaalde reden. ‘Maar de werkelijkheid is vaak rommeliger’, zegt hij.
Blumberg noemt een simpele reflex in ratten: leg een babyrat op z’n rug en het beestje rolt weer rechtop. Een meer ingebakken reactie zul je nauwelijks zien. Maar verrassend genoeg komt dat gedrag niet zomaar vanuit het dier zelf. Toen astronauten van Nasa hoogzwangere ratten meebrachten in de Space Shuttle en gewichtloos boven de aarde draaiden, konden de rattenpups na geboorte op aarde zich niet rechtop keren. Vermoedelijk had hun evenwichtsorgaan in de baarmoeder zonder zwaartekracht niet ‘geleerd’ wat boven of onder is. Daar ga je al: blijkt er vóór de geboorte al een invloed van buitenaf nodig.
Die wirwar aan invloeden van binnen en buitenaf hebben onverwachte gevolgen voor het idee van instinct, zegt Blumberg. Een dier dat bijvoorbeeld automatisch zijn moeder herkent, lijkt daar speciaal gedrag voor te hebben geëvolueerd. Toch is dat niet zo, ontdekte de ontwikkelingsbioloog Gilbert Gottlieb in de jaren zestig. Hij zag dat baby-eenden het geluid van hun moeder leren waarderen nog voor ze haar ontmoeten. Eerst luisteren ze, in hun ei, dagenlang naar hun eigen gekwaak. Verhinderde Gottlieb dat de eendenkuikens in hun ei konden kwaken, dan hadden ze na hun geboorte geen enkele voorkeur meer voor een bepaald ‘moedergeluid’.
Eendenkuikens hebben dus geen aparte herken-je-moederapparatuur in hun brein of dna. In plaats daarvan doorlopen de kuikens toevallig een paar ontwikkelingsstappen die meestal goed genoeg werken om na hun geboorte dicht bij de vader en moeder te blijven. Pas daarna hechten ze zich – dat gaat vermoedelijk weer op een heel andere manier.
Dat instinctief gedrag altijd ingewikkelder is dan het lijkt, weet biologiehoogleraar Kenneth Lohmann als geen ander. Toen hij eind jaren tachtig aan zeeschildpaddenonderzoek begon, leek alles simpel. De enige vraag was hoe de pasgeboren kleintjes vanaf elk strand in Florida automatisch het oosten weten te vinden, naar de open oceaan.
Lohmann: ‘Ik dacht: binnen een jaar ontdekken we een kompas in hun brein en dan zijn we klaar. Het is nu ruim dertig jaar later en het enige dat ik toen goed had, was dat ze een soort kompas gebruiken. Maar op een heel andere manier dan we vermoedden.’
Het probleem werd al gauw duidelijk. De babyschildpadjes, van de soort Caretta caretta, doen iets geks. Midden in de Atlantische Oceaan zwemmen ze een ingewikkelde route die duizenden kilometers aanhoudt, jarenlang duurt, en overal hetzelfde eruitziet: een blauwe, bodemloze zee. Daar moeten de schildpadden op elke plek in de juiste richting draaien om te voorkomen dat ze in een koude stroming belanden. De ene keer is dat het noorden, de andere keer het westen en dan weer het zuidwesten. ‘Je moet als dier een idee hebben van wáár je bent’, zegt Lohmann. Een soort gps-locatie dus.
Dat bracht Lohmann op een theorie: misschien voelen schildpadden meer dan alleen de kompasrichtingen. Het aardmagnetisch veld is overal in de oceaan een beetje anders: het buigt met een bepaalde hoek en richting de zee in. In theorie geeft dat unieke coördinaten.
Om te kijken of pasgeboren schildpadjes op die manier kunnen navigeren, plukte hij ze van het strand waar ze net uit hun ei waren gekropen. Daarna kukelde hij ze in een klein zwembad met daaromheen apparatuur die verschillende aardmagnetische coördinaten rond de Atlantische Oceaan kon nabootsen. En jawel: bij elk magnetisch veld dat Lohmann inschakelde, oriënteerden de babyschildpadjes zich al meteen in de goede richting om binnen de Atlantische trekroute te blijven zwemmen.
Dat betekent dat de schildpadden de trekroute als het ware van hun ouders erven. Lohmann noemt dat ‘een erfelijke kaart’, maar bedoelt dat figuurlijk. Hij denkt niet dat het dna of het schildpadbrein letterlijk een kaart van de Atlantische Oceaan bevat. ‘We gaan ervan uit dat de schildpadden geen idee hebben van waar ze zijn. Wat ze waarschijnlijk wel genetis Source: Volkskrant