Marja Havermans (66, tekstschrijver, docent): ‘Mijn boek over Paul mag dan wel Sterven als een stoïcijn heten, het was niet zo dat dat een bewust proces was. Alsof we, toen we hoorden dat hij nog hooguit een jaar te leven had, dachten: oké, dat gaan we nu eens heel stoïcijns aanpakken. Ik had vanwege mijn studie filosofie wel wat kennis over die stroming, maar pas na Pauls dood dacht ik: goh, wat heeft hij dat eigenlijk stoïcijns gedaan. Hij had het van nature: accepteren wat je overkomt, leven in het nu, niet proberen te veranderen wat niet te veranderen valt.
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven.
‘Het begon in het voorjaar van 2015 met algehele malaise: buikklachten, vermoeidheid. De huisarts dacht aan een burn-out. Ik vond dat gek, want Paul, die een managersfunctie had aan een hogeschool, had acht jaar eerder een burn-out gehad en sindsdien veel beter geleerd zijn grenzen aan te geven, hij zou het echt niet wéér laten gebeuren. En dat bleek ook niet het geval: eind december hoorden we dat het een tumor was op de alvleesklier. Ongeneeslijk, u hebt nog enkele weken tot maximaal twaalf maanden, sterkte – met die boodschap gingen we een dag voor Kerst het ziekenhuis uit. Er is nooit hoop geweest. Dat was ergens een zegen, want hoeveel mensen trekken niet zes keer een fles champagne open om vervolgens weer zes keer in een diepe put te zakken omdat ze steeds worden teleurgesteld? Bij ons was het: het is wat het is. Zo eindigde Paul ook zijn eerste mail aan familie en vrienden: we gaan hiermee dealen, wat er ook komt.
‘Paul had geen bucketlist, dat scheelde. Hij was pas 60 toen hij de diagnose kreeg, veel te jong om dood te gaan, maar hij heeft nooit gedacht: had ik maar dit, of had ik maar dat. Hij had al zó veel uit het leven gehaald: reizen, windsurfen, snowboarden, deltavliegen, golfen, muziek maken, een band vormen met vrienden, saxofoon spelen zonder dat hij een noot kon lezen. Als hij iets wilde, deed hij het. Zijn vader is jong overleden, toen Paul 14 was, dat had ermee te maken. Hij wist: het leven kan zomaar afgelopen zijn. Daarom schrok hij ook niet vreselijk van de diagnose. Zijn reactie was meteen aanvaardend: oké, ik ben kennelijk aan de beurt.
‘Dat betekent overigens niet dat hij niet aan het leven hing. Integendeel, hij wilde helemaal niet dood. We hadden het ontzettend goed samen met onze twee dochters, geweldige schoonzonen en vier kleinkinderen onder de 2 jaar, er was veel om voor te leven. Daarom heeft hij in de negen maanden die hij uiteindelijk nog heeft geleefd een aantal chemo’s ondergaan en stents laten plaatsen met alle complicaties van dien, hij kreeg een bypass aan de maag, is behandeld aan een trombosebeen en aan urologische problemen – dat dendert allemaal over je heen. Paul is er dood- en doodziek van geweest en achteraf denk ik dat die chemo’s niets hebben geholpen; we hadden zijn kwaliteit van leven beter kunnen bewaken. Maar ja, je zit in die maalstroom, we hadden nooit eerder met kanker te maken gehad.
‘Alle ellende onderging hij met een ongelooflijke kalmte. Niet klagen, nóóit klagen, en als hij eenmaal weer een beetje opgekrabbeld was: vandaag is vandaag en daar genieten we van. We hebben in de laatste weken van zijn leven nog vrolijke selfies zitten maken op een terras achter grote glazen Belgisch bier en dan was het oprecht feest, júíst omdat we wisten dat zijn tijd beperkt was. We hebben ook heus samen zitten huilen, dan zeiden we: het ís ook om te janken. Maar ik kon boos en opstandig worden – Waarom jij? Wij zouden samen oud worden! – en dat had hij helemaal niet. Dat vind ik dus echt stoïcijns, op de goede manier.
‘Ik geef lezingen over het onderwerp en daar komt vaak het misverstand ter sprake dat stoïcijnen hun emoties moeten wegstoppen. Maar zo is het niet: verdriet mag er zijn, vind ik. Boosheid daarentegen slaat nergens op; er is geen schuldige, dus op wie moet je boos zijn? Amor fati, zei Nietzsche: omhels je lot. Nu konden oude stoïcijnen als Epictetus daar wel erg ver in gaan, met hun motto: leer te willen wat je overkomt. Hecht je niet, zei hij ook, zie je geliefde als een aardewerken potje. Als het valt is het kapot, so what? Ja hallo, denk ik dan: hoe kun je zo onthecht zijn? Moet ik wíllen dat mijn geliefde overlijdt? Dat kun je van een mens niet vragen. Maar het leren reguleren van je emoties zoals de stoïcijnen voorstaan, een soort onverstoorbaarheid bewaren, wat er ook gebeurt – ja, ik zag aan Paul dat dat helpt. Ik kon weleens over de kleinkinderen beginnen, en hoe verdrietig het was dat Paul, sportief als hij was, nooit bij ze langs de lijn zou staan. Ik zal dat niet merken, zei hij dan, want dan ben ik er niet meer. Waarom zou ik nu verdriet hebben om iets wat ik straks niet mis?
‘In de herfst van 2016 is hij thuis rustig overleden. Toen was voor mij de opdracht om stoïcijns te róúwen, maar zo werkt het natuurlijk niet. Zeker in de eerste jaren was het verdriet te groot. En ook toen het leek alsof ik de draad weer aardig had opgepakt, hoorde ik mezelf op een dag, zo’n drie jaar na zijn dood, aan de telefoon tegen mijn jongste broer zeggen: ‘Er is natuurlijk niks meer aan zonder Paul.’ Daar ben ik toen zelf van geschrokken. Want dat gunde ik mezelf niet, dat ik de rest van mijn leven in die put zou blijven hangen. En ik wist zeker dat Paul het ook niet had gewild.
‘Het eerste wat ik heb gedaan om iets aan mijn situatie te veranderen is verhuizen, van Den Bosch naar Nijmegen, dichter bij mijn dochters. Behalve mijn dochters met hun gezinnen en één oude vriendin kende ik hier niemand. Maar dat was juist fijn, want in mijn oude huis zat ik elke avond op precies de plek waar Paul was overleden, met alle verdrietige herinneringen van dien. Hier ben ik, midden in het centrum, in een hofje met geweldig leuke buren beland. Ik ben nieuwe vrienden gaan maken, ik ben bij de golfclub gegaan. Ik dacht dat dat moeilijk zou zijn; bij onze golfclub in Den Bosch kenden Paul en ik iedereen, hier kwam ik in mijn eentje aanzetten. Maar weet je, daar ontbrak Paul zo duidelijk, hier kende niemand mijn geschiedenis, hier was ik niet Marja-van-Paul-die-dood-is. De verhuizing heeft het leven weer lichter gemaakt. Ik heb zelfs een nieuwe liefde. Hij bleek nog in een dorp dichtbij te wonen ook.
‘Ik heb vorige week mijn eerste AOW gekregen, ik hoef alleen nog maar werk te doen dat ik leuk vind. Ik leid af en toe een socratische gesprekskring, dat vind ik waardevol en interessant. Als Paul me zou zien, zou hij zeggen: zie je wel, ze redt het, dat heb ik altijd wel gedacht.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden