‘Er worden meer tranen vergoten om gebeden die uitkomen dan om gebeden die niet uitkomen.’ Aan dat bekende citaat van auteur Truman Capote denkt de Italiaanse schrijver Roberto Saviano vaak. Saviano verkocht ruim 10 miljoen exemplaren van Gomorra, een onthullend boek over de Napolitaanse maffia, dat met succes is verfilmd. De tv-serie die erop gebaseerd is, was te zien in 190 landen.
Dankzij Gomorra is gebeurd wat de Italiaan zo graag wilde: hij is een gevierde schrijver, en politici in zijn land maken veel meer werk van de strijd tegen de maffia. Maar Saviano betaalt een ongekende prijs. Binnen een paar maanden na de publicatie, in 2006, werd hij zo ernstig bedreigd dat beveiliging noodzakelijk was. Nog altijd woont de schrijver in militaire kazernes en hotelkamers. Zeven beveiligers begeleiden hem op kosten van de staat overal naartoe, in geblindeerde auto’s.
Over de auteur
Menno van Dongen is verslaggever van de Volkskrant op het terrein van criminaliteit, politie en justitie.
Deze week verscheen een nieuwe roman van Saviano: De eenzaamheid van moed; het verhaal van Giovanni Falcone. Het is een reconstructie van het leven van de Italiaanse onderzoeksrechter die in mei 1992 omkwam bij een bomaanslag. Geschreven in romanvorm, maar gebaseerd op feiten en journalistiek onderzoek.
De moorden op Falcone en zijn opvolger Paolo Borsellino, twee maanden later, waren een keerpunt. De publieke opinie over de maffia sloeg om in Italië. Minister Dilan Yesilgöz van Justitie en Veiligheid − die maandag een brief naar de Tweede Kamer stuurde over scherpere maatregelen tegen de georganiseerde misdaad, geïnspireerd op de Italiaanse anti-maffia-aanpak − hoopt dat in Nederland hetzelfde gaat gebeuren, zei ze in NRC: ‘Ik zou willen dat de bevolking zich, net als de Italiaanse dertig jaar geleden, als één front keert tegen de georganiseerde misdaad. Ik heb behoefte aan een boos volk dat net als in Italië alert is op de problemen en naar oplossingen zoekt.’
Hoe kijkt Saviano naar Giovanni Falcone, de strijd tegen zware drugscriminaliteit in zijn land, de situatie in Nederland, en zijn eigen leven, met permanente beveiliging?
We spreken hem bijna twee uur, via een videoverbinding. Precies op tijd verschijnt de 43-jarige auteur in beeld, in een zwart T-shirt, voor een witte muur.
‘Ik ben een paar uur op bezoek bij een vriend, ergens in het midden van Italië. Hij heeft een huis met een tuin, waarin een prachtige abrikozenboom staat. We hebben net een paar abrikozen gegeten, en genoten van de vogels en de zon. Dit is een van de lichtpuntjes in een leven vol beveiliging.’
‘Er is veel over hem geschreven, maar er was nog geen verhaal over Falcone dat zo ver de diepte in gaat. De harde waarheid moest worden verteld: hij is zijn hele leven geïsoleerd geweest en tegengewerkt. Elke keer als hij probeerde een stapje hogerop te komen, stonden mensen zijn benoeming in de weg. Bijvoorbeeld omdat ze hem ten onrechte verweten dat het hem eigenlijk te doen was om macht.’
In het boek schrijft Saviano over de moord op tientallen voorgangers en collega’s van zijn hoofdpersoon, veelal in opdracht van de Siciliaanse maffia of de Camorra (de maffia in de omgeving van Napels, red.).
De eerste slachtoffers, in 1979, zijn Boris Giuliano, chef van de anti-maffiabrigade van de politie in Palermo, en de Siciliaanse rechter Cesare Terranova, die meerdere maffiosi heeft veroordeeld. De een na de ander sterft door kogels of een bom, waarna een nieuwe opvolger doorgaat met de strijd tegen de georganiseerde misdaad.
In die tijd krijgt Giovanni Falcone, die werkt voor het Bureau Onderzoek van de rechtbank in Palermo, een intrigerend dossier op zijn bureau. Het gaat over Rosario Spatola, een Siciliaanse bouwondernemer met dubieuze contacten tot in de Verenigde Staten. Falcone besluit onderzoek te doen naar zijn financiën, bankrekeningen en geldstromen. Die op dat moment baanbrekende methode – follow the money – zal hij daarna nog veel vaker met succes toepassen, om bloot te leggen hoe criminele organisaties te werk gaan.
Gaandeweg groeit Falcone uit tot een symbool van de strijd tegen de maffia, eerst die uit Sicilië, later ook uit andere delen van het land. Hij reist naar New York, waar hij samenwerkt met de FBI en deals sluit met maffiosi, die in ruil voor strafvermindering belastend verklaren over anderen. Zo verzamelt de onderzoeksrechter steeds meer bewijsmateriaal.
Een bekroning van zijn werk is het Maxi-proces, van 1986 tot 1992. Mede dankzij het geduld en de moed van Falcone verschijnen in deze strafzaak 475 verdachten voor de rechter, van wie er 388 worden veroordeeld.
Dat hij gevaar loopt, is dan al jaren duidelijk. Falcone wordt beveiligd, net als allerlei voorgangers, die desondanks zijn vermoord. Hij blijft er vrij nuchter onder, en maakt zich vooral druk om het gebrek aan steun voor zijn gevecht tegen de maffia – van burgers, politici en leidinggevenden in justitiële kringen die het probleem niet serieus genoeg nemen of zelfs ontkennen.
Schrijver Saviano windt zich daar ook over op. ‘Het wegkijken heeft veel te lang geduurd. Tot de geslaagde bomaanslag op Falcone in 1992, op een snelweg’, zegt hij. ‘Zelfs het symbool van de strijd tegen de maffia kon worden vermoord − puur omdat hij zijn werk deed. Ineens was er geen ontkennen meer aan, Italianen wilden meer over de maffia weten. Ze gingen kranten kopen en vroegen politici: wat gaan jullie hiertegen doen? Plotseling eisten ze antwoorden.’
Saviano maakt een ontspannen en bevlogen indruk. Hij praat zoveel met zijn handen dat de rechtermouw van zijn T-shirt geregeld omhoog schuift en een tribal-tatoeage op zijn bovenarm zichtbaar maakt. Zijn verhaal doet hij in het Italiaans, een tolk vertaalt zijn antwoorden.
Hij heeft een band met Nederland. Het Nederlands is de eerste buitenlandse taal waarin Gomorra verscheen, en dat geldt sindsdien voor al zijn boeken. Ooit woonde Saviano een tijdje in Amsterdam, en de schrijver volgt het nieuws over de georganiseerde misdaad in ons land zo goed mogelijk, vanuit Italië.
‘Ik zou graag eens wat dieper in jullie criminele wereld duiken’, zegt hij. Nederland is volgens hem een plek waar veel internationale misdaadorganisaties elkaar ontmoeten, omdat Rotterdam een belangrijke doorvoerhaven voor drugs is. En omdat het een aantrekkelijk land is voor witwassers, dankzij nauwe banden met de Nederlandse Antillen en belastingvoordelen voor bedrijven. ‘Dat maakt van Nederland een soort paradijs voor de maffia.’
‘Die zijn er zeker. Eigenlijk is de situatie in jullie land best dramatisch. De Nederlandse bevolking beseft onvoldoende wat er aan de hand is. Dat is niet toevallig, want Italië heeft meer dan honderd jaar ervaring met het fenomeen maffia. We hebben heel lang de tijd gehad om het te leren begrijpen en een strategie ertegen te bedenken.’
‘Jullie hebben pas sinds een paar jaar te maken met moorden in de bovenwereld, in opdracht van de georganiseerde misdaad. Dan denk ik aan de liquidatie van een advocaat (Derk Wiersum, red.) en de moord op journalist Peter R. de Vries. En dan zijn er ook nog die berichten over een mogelijke aanslag op prinses Amalia.’
‘Ja, ik dacht: nu gaat Nederland wetten uitvaardigen die specifiek tegen de georganiseerde misdaad gericht zijn. Om op jacht te gaan naar het kapitaal van dit soort criminelen, bijvoorbeeld. Dat is niet of nauwelijks gebeurd. Er was ophef, natuurlijk. Maar wat is er concreet veranderd? Er is te weinig aandacht voor het achterliggende probleem: jullie financiële systeem.’
Hij juicht toe dat de ministers Dilan Yesilgöz en Franc Weerwind (Rechtsbescherming) zich inmiddels beter verdiepen in de Italiaanse aanpak van de maffia, werkbezoeken afleggen en wetten proberen aan te scherpen. ‘Maar dat had jaren eerder moeten gebeuren.’
In Italië is het voor verdachten uit het hoogste segment bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk om in de gevangenis door te gaan met criminele activiteiten, zoals Ridouan T. volgens justitie zou hebben gedaan. Contact met de buitenwereld is veel strenger gereguleerd. Ook is het in Italië aanzienlijk makkelijker om misdadigers te raken in hun portemonnee.
Op dat laatste gebied is in Nederland en in zijn eigen land nog veel winst te boeken, vindt Saviano. ‘Als het meezit, neemt justitie in beide landen villa’s en Ferrari’s van criminelen in beslag. Zichtbare goederen. Ik vind dat opsporingsambtenaren meer moeten doen om het echte kapitaal op te sporen, ook al is het ondergebracht in het buitenland.’
‘Misdaadorganisaties hadden de totale controle. Ik woonde als het ware in een oorlogsgebied, twee maffiaclans bestreden elkaar op leven en dood. Daarbij vielen elke dag doden, gemiddeld een stuk of drie.
‘Toen ik 13 jaar was, zag ik mijn eerste moordslachtoffer op straat. Bij toeval, toen ik op weg naar school was. Ik was nieuwsgierig. Het klinkt misschien gek, maar kinderen werden in mijn streek niet weggestuurd van zo’n plek. Meekijken was een vorm van opvoeding: kijk, zo kan het met je aflopen.
‘Die man lag ondersteboven in een auto, dat weet ik nog. Verder heeft het niet veel indruk op me gemaakt. Ik ben daarna nog vaak gaan kijken na liquidaties, ook voor mijn werk. Ooit zag ik bijvoorbeeld het lijk van een man die was verdronken in een vat melk waarin ze mozzarella maken.’
‘Met name de stank van lijken. En de cynische grappen die politieagenten erover maakten. Als iemand heel Source: Volkskrant