Home

‘Ik ben geen feminist omdat ik ergens bij wilde horen, maar omdat ik ben gevormd door vrouwen’

In een zaaltje op de bovenste verdieping van de watertoren in Assendelft draagt schrijver en actrice Marjan Berk (90) voor uit eigen werk. De verhalen gaan over dronkenschap, erotische verlangens van vrouwen op leeftijd en koopzucht. De aangenaam hese stem van Berk functioneert nog prima, evenals haar talent voor timing. Ze hapert zelden – hooguit door de laaghangende zon die door het raampje schijnt en haar het zicht op de bladzijden ontneemt. Ze moppert op het irritante lichtspel en maant haar entourage tot ingrijpen. Jongste zoon Willem, aanwezig met vrouw en tienerdochters, schuift de menukaart voor de zon. Berk leest verder, het aanwezige publiek (vrouw of dertig, twee mannen) lacht tevreden.

Natúúrlijk leest ze nog voor, ze is dan wel oud maar zit nog vol levenslust. Mensen die doen alsof ze gezien haar leeftijd niet meer helemaal honderd is, irriteren haar mateloos. Want kijk, ze mag dan artrose hebben, krom lopen en maar half zicht hebben, met haar rollator (‘Rolls-Royce’) kan ze prima uit de voeten, de taxi brengt haar overal naartoe, de kinderen staan voor haar klaar en de boodschappen worden thuisbezorgd.

Een aantal dagen na de voorleesavond zwaait de imposante poort naar de prachtige binnentuin van het Occo Hofje open, waar Berk sinds een jaar of zes woont. ‘Joehoe, hier!’ Haar witgrijze haar duikt op boven de bossages. Het hofje aan de Nieuwe Keizersgracht in Amsterdam is in 1774 gesticht voor rooms-katholieke vrouwen boven de 50 jaar, ‘arme weduwen sonder kinderen, of arme vrijsters’ aldus de website. Berk werkt aan een boek over het hofje, waar ze buitengewoon prettig woont en zich volledig vrij voelt. ‘Ook al sla ik geen kruisjes en bid ik niet.’

Met piepkleine snelle stappen loopt ze steunend op de rollator richting de lift naar de tweede verdieping. Een lange smalle gang leidt naar haar niet erg ruim bemeten appartement. De rommel is indrukwekkend: tijdschriften en geprinte A4’tjes in een berg op de eettafel, boeken in kasten en op de grond, een dressoir bezaaid met snuisterijen – erboven een grote foto van de Franse schrijfster Colette – de andere muren vol foto’s van familie, posters en tekeningen. ‘Ik gedij goed in chaos’, merkt Berk fijntjes op.

Haar bed staat midden in de woonkamer. Op de sprei liggen stapels boeken (Nora Ephron, Karel van het Reve, Joseph Roth), geopende post, een wandelstok en drie dozen tissues. ‘De kinderen vragen altijd wat ik met al die tissues moet. Ik veeg, zeg ik dan. Ik ben de hele dag aan het vegen.’ Voordat ze gaat slapen verplaatst ze elke avond de spullen van het bed naar de stoel.

Afgelopen woensdag werd ze opgehaald voor een gesprek in de podcast De geboden van Slagter en Dresselhuys, van Jan Slagter en Cisca Dresselhuys vanuit de Sint-Vituskerk in Hilversum, vertelt ze. ‘Ik heb nog nooit in zo’n grote Mercedes gezeten.’ Berk praat aan een stuk door, van de hak op de tak. ‘Die Dresselhuys ziet er nog steeds hetzelfde uit, alsof ze al die jaren in een diepvries heeft gelegen.’ Dan vanuit de keuken: ‘Toen ik hier net woonde had ik nog een beetje geld. Daar heb ik een nieuwe ijskast van gekocht. Hier stond zo’n oud kastje, waar de andijvie zo uitdreef. Ik ben uit 1932, dan zeg je ijskast, maar ik bedoel koelkast. Als ik dood ben schenk ik hem aan het hofje.’

‘Ik heb net een stukje geschreven voor het buurtblaadje, over de tuin. Ik zei: luister, ik doe het niet voor niks, want ik moet ervan leven. Uit feministische overwegingen heb ik geen pensioen en geen alimentatie. Mijn moeder was een feminist, ze zat op de Rotterdamse meisjes-hbs, waar ze les kreeg van vrouwen die bij Aletta Jacobs in de leer waren geweest. Ze zei altijd: meisje, trouw nooit beneden je geestelijke stand. Waar mijn moeder zichzelf niet aan hield, want ze had het slechtste huwelijk dat ik ooit heb gezien. Mijn vader en moeder vochten als kat en hond.’ Ze wijst naar een foto aan de muur. ‘Daar hangt mijn moeder. Ze had vuurrood haar, heel mooi. Mooie benen ook. Ze was hartstikke autonoom en trok zich niets aan van de omgeving.’

De bel gaat. Berk roept: ‘Kom maar binnen, Joop.’
‘Dat is Joop, de huismeester.’
Ze trekt zich op aan de rollator. ‘Ik ben niet zo snel meer. Dat zie je hè. Ik ben een oude kip. O, het is niet Joop, het is Lowietje met de boodschappen. En de gemberkoek. Goedemorgen Louis, leg maar op mijn bed. Louis brengt het eten letterlijk in mijn bed, hij stapt er nog net niet zelf in, hè Louis? Ik gooi de ham en de boter even in de ijskast.’ Een plastic fles sinaasappelsap en een zak erwtensoep blijven achter op het bed. ‘Ik snij een mooi stuk gemberkoek voor je af. Met boter?’

‘Ik moet een jaar of 4 zijn geweest, maar ik zie nog voor me hoe mijn vader scheldend de trap af kwam en in blinde razernij servies kapotgooide. Ik klampte me vast aan mijn moeder. Voor mijn vader ben ik altijd bang gebleven, uit angst voor een pak ransel. Eén keer vond ik genoeg. Zullen we mijn vader overslaan? Hij was zo’n man die ineens Engelse woorden ging gebruiken omdat dat interessant klonk. Zo aanstellerig vond ik dat. Wat is er mis met onze taal? Zo was mijn moeder niet. Mijn moeder was goed ontwikkeld en sprak alle talen vloeiend. De moffen las ze de les in perfect Duits.

‘We woonden in Zeist, in een huis met een enorme tuin. De familie van mijn moeder was een artistieke familie van kunstenaars, schrijvers en muzikanten, een leuke Rotterdamse familie.’

Berks ouders gaan in 1938 uit elkaar. Ze herinnert zich nog precies hoe haar vader zijn door hem verlaten gezin op 10 mei 1940 in Amersfoort laat ophalen om ze naar oma in Rotterdam te brengen. Berk: ‘Als garnizoensstad werd heel Amersfoort geëvacueerd, maar er is geen bom gevallen.’ Vier dagen later wordt het huis van haar grootmoeder getroffen tijdens het bombardement op Rotterdam. Struikelend over de brokken puin en gebroken glas weten ze een tussenstop te bereiken, waar getroffenen worden opgevangen en waar Berk door het raam de horizon ziet branden, waarboven de zon vuurrood ondergaat. ‘Ik krijg nog altijd rillingen als ik daaraan terugdenk.’

‘Ik ben er nog altijd vol van en ik kan nog steeds zó kwaad worden. Gisteren nog, toen ik in een serie van Coen Verbraak (Het Beloofde Land, red.) zag hoe Nederlanders tijdens de oorlog hebben gefilmd hoe Joden werden afgevoerd. Ik probeerde voor mezelf te analyseren waar ik dan zo woedend van word en kwam uit op verzuim. Verzuim in relaties, in de samenleving. Ik kan niet tegen verzuim. Ik kreeg laatst een rouwkaart van iemand die ik niet kende, waardoor ik heb verzuimd te condoleren. Later bleek het om mijn trouwe huishoudster te gaan die haar naam had veranderd. Dat kan ik mezelf nauwelijks vergeven. Toen heb ik haar kleindochter bloemen gestuurd, met een kaartje: voor altijd in ons hart.’ Lacht: ‘Wat een cliché, hè.’
Dan: ‘Ik haat die nazi’s. Ik haat ze diep, diep, diep. Ze hebben een van onze aanloophondjes, het was bij ons thuis net een asiel, doodgeschoten, want die kon niet tegen uniformen en blafte altijd naar ze.’

Na het bombardement op Rotterdam gaat ze met haar moeder en broertje terug naar Amersfoort, waar het een komen en gaan is van Joodse vluchtelingen en soldaten voor wie haar moeder onderduikadressen zoekt. Aan een vluchteling die Kamp Amersfoort wist te ontwijken, houdt Berk roodvonk over. Zes weken lang ligt ze doodziek op bed. Ze wijst naar een bankje. ‘Dat bankje daar, daar sliep ik op, voor het raam, tijdens de oorlog. Ik noem het mijn oorlogsbankje.’

‘Mijn moeder hield alles weg bij mijn broertje en mij. Ze was daar decent in, helemaal niet van kijk eens wat wij allemaal doen. Ze was loyaal. En kritisch, bepaald geen doetje. Vrolijk ook, ze was een prachtige mezzosopraan, ze was altijd aan het zingen. Ze heeft vlak na de oorlog nog gezongen tijdens een concert voor de Canadezen.’

‘Mijn vader was... een ontzettende vreemdganger. Na de scheiding kreeg mijn moeder alimentatie waar niet van te leven viel. En ik af en toe een regenjas, want mijn vader was compagnon geworden van Carl Denig (een kampeerspecialist, red.). In die tijd was ik vaak ziek. In het grote bed van mijn opa en oma lag ik met een dubbele longontsteking en 41 graden koorts – dan ging je dood of je overleefde. Antibiotica bestonden nog niet. Toen ik mijn ogen open deed zei de dokter: ‘Ik heb Marjannetje gered.’ Ik zie de kopjes van mijn moeder en mijn oma nog boven het bed hangen.’

‘Ik ben een glijdende schaal. Ik was een van de eersten die corona kreeg, vier dagen lang was ik totaal van de kaart. Niemand wist toen nog echt wat het was, maar de verzorging liep met een grote boog en met mondkapjes op om me heen. En toen ik hier net woonde kreeg ik een nieuwe schouder. Van de artrose had ik al vijf jaar niet te hebben pijn in mijn arm. De dokter wilde mij niet opereren omdat ik de 80 al was gepasseerd. Toen ik zei dat ik een heleboel lezingen moest geven, bekeek hij mijn website en concludeerde hij dat ik vol in het leven stond. Toen durfde hij het wel aan. Nu kan ik de Hitlergroet weer brengen.’ (Steekt haar arm in de lucht.)

Al snel na de bevrijding krijgt haar moeder kanker. Haar borst wordt geamputeerd, maar de kwade cellen hebben zich uitgezaaid in de botten. Berk verlaat het gymnasium, om na een korte opleiding bij Schoevers haar steno- en typediploma te halen. Haar moeder sterft in 1951, 46 jaar oud; Berk is 18. Om aan de voogdij van haar vader te ontkomen, met wie Berk een uitzonderlijk slechte relatie heeft, geeft haar moeder haar op haar sterfbed toestemming voor een opleiding in het Stads- en Academisch Ziekenhuis in Utrecht, het zie Source: Volkskrant

Previous

Next