Home

Angela kluste jarenlang bij als hostess – nu denkt ze er met enig ongemak aan terug: ‘Objectificatie is nooit vrijblijvend’

In haar studententijd werkte Volkskrant-journalist Angela Wals jarenlang als hostess – de beste studentenbaan ooit, vindt ze nog steeds. Toch krimpt ze tegenwoordig ineen als ze terugdenkt aan sommige van die klussen. Het inzetten van vrouwen als eyecandy op feesten voelt nu nogal, eh, retro. Wat is er veranderd?

Op de Autorai schuifelen bezoekers tussen de glanzende auto’s. Er wordt hartstochtelijk gewezen naar velgen, bumpers en koplampen. In uniforme jurken staat een legertje hostessen beschikbaar opgesteld tussen de auto’s met als doel de drempel tussen klant en verkoper te verlagen.

Even verderop zitten twee vrouwen op een cabriolet, billen op de dakrand, voeten op de achterbank. Ze dragen een nauwsluitende spijkerbroek en een wit T-shirt met bedrijfslogo’s. Blikken van voorbijgangers blijven willekeurig en onwillekeurig aan hen kleven. De twee vrouwen lachen, de mannen nemen foto’s. Dat is de taakomschrijving van deze twee vrouwen: zitten op een auto en lachen. Een week lang.

En een van die vrouwen ben ik.

Over de auteur
Angela Wals is schrijver en journalist. Voor de Volkskrant schrijft ze essays en beschouwingen over sociaal-maatschappelijke kwesties.

Het was een van de vele klussen die ik in mijn studententijd deed als hostess. Ik schonk ook cola in voor coureurs in ‘hospitality units’ (vip-boxen boven de pitlane op racecircuits). Bracht champagne rond op de 50ste verjaardag van een ex-profvoetballer. Tourde met een bekende Nederlandse zanger door het land om zijn volgende concert te promoten. Deelde tequilashotjes uit in een catsuit met munitiegordels. Zorgde dat de vip-gasten van een cabaretier tijdens zijn show in de watten werden gelegd.

De meest memorabele opdracht was voor een elektronisch sigarettenmerk. Het is een beproefde reclameformule om een product te promoten met een knappe óf bekende kop, en dit bedrijf moet hebben bedacht: we doen gewoon allebei! En dus stond ik tijdens een Londens persmoment met drie collega’s in zilverkleurige mini-jurken en met platinablonde boblijnpruiken op naast de toen nog fervent rokende Ron Wood. Geen idee wat de gitarist van de Rolling Stones met deze – inmiddels geflopte – e-sigaret te maken had. Maar ik wilde best voor een paar honderd euro een kwartiertje met hem op de foto, de nepsigaret uitdagend tussen onze rode lippen gestoken.

We spreken hier over de zero’s, toen er over de vrouw als lustobject nog niet zo moeilijk werd gedaan. Toen Victoria’s Secret nog ultradunne Angels in kant en met vleugels over de catwalk liet lopen (afgeschaft in 2021). Toen bij Formule 1-races nog gridgirls stonden opgesteld in de pitlane (afgeschaft in 2018). En toen Duchess of Sussex Meghan Markle nog in weinig verhullende jurken als koffermodel in het programma Deal or No Deal verscheen (achteraf voelde ze zich geobjectiveerd, zei ze in haar podcast Archetypes in 2022).

Het waren de hoogtijdagen van de hostessbureaus. Voor klantenbinding en marketing werden nog geen online influencers ingeschakeld, maar offline gastvrouwen. ‘Er zijn weinig grote bedrijven die de afgelopen jaren geen feest of evenement hebben aangekleed met ingehuurde mooie jongens en meisjes’, schreef deze krant in 2010 in een reportage over mijn oude werk.

Vrouwen als eyecandy op feesten en evenementen: dat klinkt nu misschien een beetje, eh, retro? Toch was dat een paar jaar geleden nog doodnormaal, ook voor mij. Wat is er veranderd?

‘Models at Work is Nederlands grootste uitzendbureau voor mooie jongens en meisjes’, aldus de Volkskrant-reportage uit 2010. De verslaggever hing rond bij onder meer de presentatie van de Quote 500. Het zakenblad had het Aquarium in Artis afgehuurd: ‘met Ferrari’s voor de deur, gouden lopers, oesters en champagne.’ En met veel ‘langbenige modelachtige meisjes in korte designerjurkjes’. (Het veelvuldige gebruik van ‘meisjes’ in een artikel dat over meerderjarige vrouwen gaat, is nog zoiets dat pas sinds kort is gaan opvallen.)

Al die ‘aanwezige schonen’ zijn geen toeval, schrijft de verslaggever. Ook niet dat ze allemaal lang zijn en ‘op dezelfde manier paraderen’. Want: ‘De dames zijn in de weken voorafgaand aan het evenement door de redactie van het zakenblad gekozen (...). Daarbij is gekeken naar hun lengte, haarkleur en verschijning. En naar het geheel. Zijn ze even groot? Hebben ze dezelfde uitstraling?’

‘Je zult bij Models at Work geen hostess met overgewicht aantreffen. Of een meisje dat haar haren of nagels slecht verzorgt, of een verkeerde bh heeft aangetrokken’, zegt Myrthe van Pelt, hoofd boekingen, tegen de krant. ‘Quote zoekt een bepaald soort meisjes. Ze willen zeker weten dat die er perfect uitzien. Daar zorgen wij voor.’

Myrthe van Pelt (44) moet nu hardop lachen om de passages uit dit artikel. ‘Maar zo ging het wel!’ Ze werkte ruim vier jaar voor het bureau en heeft nu een agentschap voor journalisten en presentatoren. ‘Soms applaudisseerden we op kantoor voor een centimeter: ‘Ik heb een boeking rond en ze zijn alle vijf 1,76!’ Dat was echt een ‘yes!’, want de modellen mochten niet te veel afwijken in lengte als ze naast elkaar stonden. Het ging om de uitstraling van de hele groep. Dat cheerleadereffect kan overweldigend zijn. Tien meiden met ongeveer dezelfde lengte, in precies hetzelfde perfecte pakje, met dezelfde hoge staart en een mooie eyeliner: mensen vonden het schitterend.’

Ze lacht weer hardop. ‘Maar als je geen goede werkhouding had, was je af. Het inhuren van een hostess was duur, we konden het ons niet permitteren als iemand niet presteerde. Want dan kreeg je het cliché dat bij ons mooie mensen werken die niets kunnen. Andersom, als je redelijk mooi was en je deed het supergoed, werd je vaak geboekt. In dat opzicht waren we dus eigenlijk erg empowering bezig: je uiterlijk zei lang niet alles over hoe je werd gewaardeerd.’

Het beroep hostess komt begin jaren zeventig overwaaien uit landen als Frankrijk, België en Zwitserland, waar in de zakenwereld een ingehuurde gastvrouw bij ontvangst of diners de norm was. De term veroorzaakte in de Nederlandse pioniersjaren enige verwarring, met name bij mannen, ‘omdat meisjes die van betaalde liefde hun vak maken zich ook vaak hostess noemen’, aldus een ‘echte’ hostess in Tubantia (1975). Dit had een trits impertinente verzoeken aan het adres van het handjevol nieuwe hostessbureaus tot gevolg.

‘Het komt erop neer dat de taak van een hostess te vergelijken is met die van een huisvrouw in de functie van een gastvrouw van het bedrijfsleven’, schrijft het Algemeen Dagblad (1976) in een poging het begrip te verduidelijken. Hostess was dan ook bij uitstek een beroep ‘voor de jonge, gehuwde vrouw die daardoor niet dag in dag dag uit buitenshuis hoeft te werken, maar die dan toch op een aangename manier voor zichzelf een inkomen of in elk geval een aardige bijverdienste heeft’, schrijft Tubantia.

‘Spreekvaardigheid, zelfbewust optreden, durven praten, ad rem zijn en niet snel in paniek raken’, waren belangrijke eisen die aan een hostess werden gesteld. ‘Moet je mooi zijn als hostess?’, werpt de krant op. ‘Dat is zeker geen voorwaarde. Een hostess moet alleen goed gekleed gaan en een beetje aandacht aan haar uiterlijk besteden.’ Maar: ‘Vrouwen die dat niet zo belangrijk vinden (...) zullen als hostess niet worden geaccepteerd, hoe intelligent ze verder ook zijn, of welke fantastische opleiding ze hebben gehad.’

Beauty over brains: dit gold al voor de hostessen van het eerste uur. Ruim dertig jaar later – toen ik aantrad – woog de esthetiek nog veel zwaarder. Zeker, mijn voornaamste taak als gastvrouw was het ontvangen van gasten en zorgen dat ze niets tekortkwamen. Je voorkomen/presentatie/uiterlijke verzorging moest ‘representatief’ zijn, je was ‘het visitekaartje’ van de klant, zo stond het vaak in briefings. In de praktijk kwam dit neer op een heel spectrum aan verkleedpartijen. Soms was ik de klassieke hostess in een mantelpakje, laag knotje en sjaaltje om mijn nek. Denk aan het concept stewardess. Of ik zat compleet in de visagie en met geföhnd haar met mijn billen in een strakke spijkerbroek op een autodak. Denk aan het concept pin-up. Meestal gold de vuistregel: hoe gewaagder de outfit, hoe minder ik te doen had – en hoe meer ik verdiende.

Imperfecties werden me veelal weinig omfloerst meegedeeld. Zo wees een klant op een evenement in een Amsterdamse club naar mijn heupen en zei: ‘Je billen zijn eigenlijk te groot voor onze jurk.’ En een kapper bekeek voorafgaand aan een presentatie mijn gezicht in de spiegel en zei: ‘Je lijkt wel een piepkuiken.’ Doelend op de haartjes op mijn bovenlip. Ik haalde mijn schouders op bij dit soort opmerkingen (maar ik heb ze dus wel onthouden).

Sommige aanvragen lagen er nogal dik bovenop, vertelt Myrthe van Pelt. Zo vroeg een bank met een oranje themakleur om een serie roodharigen. Een chocolademerk vroeg om een tiental vrouwen met een donkere huidskleur. En bij een boekpresentatie kwamen hostessen in kokerrokken en met knotjes opdraven. ‘We regelden het allemaal. Maar het mocht er nooit ordinair uitzien. De outfits waren stijlvol en elegant. Ook de bunny’s op een Playboy-feest zagen er waanzinnig mooi uit.’

Volkskrant

Previous

Next