Home

‘Geef architecten opdracht voor experimentele woningbouwprojecten, en je zult versteld staan van wat mogelijk is’

Architect Ninke Happel, boegbeeld van een nieuwe generatie ontwerpers, vindt ‘bouwen, bouwen, bouwen’ een ‘armoedig antwoord’ op de woningnood. Ze pleit voor een experimentele aanpak, waarbij architecten veel meer doen dan simpelweg huizen tekenen.

‘De woningcrisis brengt de noodzaak om de architect weer een podium te geven, met een sterke rol als vrijdenker’, zegt architect Ninke Happel (44).
Woningbouw in Nederland heeft momenteel iets van een spel waarbij je op meerdere borden tegelijk speelt: tegen woningnood, stikstofcrisis, klimaatverandering, energietransitie. Je wint pas als aan het eind – voor 2030 – 900 duizend woningen zijn bijgebouwd; het doel dat Hugo de Jonge, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VROM), zich heeft gesteld. Om dat voor elkaar te krijgen, moet je niet rekenen op geluk, maar is verbeeldingskracht en creativiteit nodig. Eigenschappen waarover architecten beschikken, maar die mensen hoor je niet in het woningdebat. Hoe komt dat?

Over de auteur
Kirsten Hannema is architectuurrecensent voor de Volkskrant. Ze schrijft sinds 2007 over architectuur, stedenbouw en landschapsontwerp.

De vraag werd onlangs aan Happel gesteld in het radioprogramma Spraakmakers, waar ze te gast was samen met Ed Nijpels, voormalig minister van VROM. Het gesprek ging over de ‘gemarginaliseerde rol’ van architecten, die door Nijpels werden opgeroepen om zich te roeren. Maar tot een protest op het Malieveld kwam het niet.

‘Dat viel ook niet te verwachten’, zegt Happel, ‘aangezien de plekken waar architecten zich voorheen organiseerden en hun visies deelden, zijn wegbezuinigd.’ Het ministerie van VROM werd in 2010 opgedoekt (om in 2021 terug te keren), het Nederlands Architectuurinstituut in 2013, de Bond van Nederlandse Architecten veranderde in een branchevereniging. ‘De beroepsgroep is mede daardoor haar stem verloren’, aldus Happel.

De afgelopen jaren liet Happel vaker van zich horen. Allereerst via het werk van haar bureau, dat ze samen met Floris Cornelisse en Paul Verhoeven leidt. Ze realiseerden publieke projecten als de tijdelijke huisvesting van de Eerste Kamer en de renovatie van Museum De Lakenhal in Leiden, wonnen architectuurprijzen en werden in 2019 door vakgenoten tot Architect van het Jaar verkozen. In lezingen en opiniestukken met titels als ‘Stop met die kiloknallers van steen’ spreekt Happel zich uit tegen het ‘rendementsdenken’ in de architectuur, waarbij huizen worden gebruikt om geld te verdienen.

Op haar kantoor, gevestigd in een voormalig pakhuis in de Rotterdamse wijk Merwe-Vierhavens, toont ze maquettes van een pas opgeleverde woontoren bij station Tilburg en een woonensemble in Amsterdam-Noord. In totaal liggen er 850 woningen op de tekentafel. ‘Maar architecten kunnen meer doen om het woningtekort op te lossen dan simpelweg huizen bouwen’, zegt Happel terwijl ze een boek uit een stellingkast pakt. Experimentele woningbouw 1968-1980, luidt de titel.

‘In reactie op de woningnood die destijds heerste, gaf de toenmalig minister van VROM – Wim Schut, een stedenbouwkundige – ontwerpers de opdracht om nieuwe bouwmethoden te onderzoeken om de woningbouw te versnellen’, legt ze uit. ‘Dat resulteerde in 64 vernieuwende projecten, waaronder de Rotterdamse kubuswoningen, maar ook in de uitvinding van slimmere woningplattegronden en van betonconstructies die sneller konden worden geproduceerd. Door die efficiëntieslag nam de woningbouw een vlucht.’

Niet dat we diezelfde woningen moeten blijven bouwen. ‘De grote problemen waar de samenleving voor staat – wonen, stikstof, klimaat – vragen juist om andere denkrichtingen. Geef architecten weer opdracht voor 64 experimentele woningbouwprojecten, en je zult versteld staan van wat mogelijk is.’ Happel schetst alvast drie scenario’s voor de toekomst.

‘Het probleem achter deze woningcrisis is dat we huizen als vastgoed zijn gaan zien, in plaats van als woonruimte’, zegt Happel. ‘De focus ligt op aantallen, op het maken van zo veel mogelijk kleine appartementen in een gebouw, op snelle winst. Wij willen weer voor de bewoners ontwerpen, met aandacht voor de woningindeling, speelplekken, betaalbaarheid – de lange termijn.’

Haar eigen plan op dat gebied liep mis. In 2016 richtte ze het Rotterdams Woongenootschap op, een wooncoöperatie waarmee ze duurzame huizen wilde realiseren om middeninkomens in de stad te houden. Bij een coöperatie zijn de huurders gezamenlijk eigenaar van het woongebouw; ze brengen ieder een klein kapitaalsaandeel in, het overige leent de coöperatie bij een bank. Er is geen rendementsdoel, en dus – los van inflatie – ook geen reden om huren te verhogen, die daardoor betaalbaar blijven.

Het idee was om op die manier gezinsappartementen te maken rond gezamenlijke (buiten)ruimten, met de mogelijkheid om binnen het complex naar een groter of kleiner appartement te verhuizen. Als voorbeeld dienden Wenen en Zürich, waar 25 procent van de woningvoorraad in bezit is van wooncoöperaties. Samen met een volkshuisvestingsexpert, een ‘stadmaker’, een planeconoom en een jurist stelde Happel een ruimtelijke visie, een participatieplan en businesscases op voor twee locaties in Rotterdam.

Uiteindelijk liep het project stuk op de grondprijs; de gemeente hield vast aan een marktconform bedrag, uitgaande van een winstmarge – die met deze woningen juist niet wordt behaald. Happel vindt het ‘een gemiste kans’, maar ziet nog steeds mogelijkheden voor dit woonmodel. ‘In Amsterdam en Almere stemde de gemeente in met lagere grondprijzen, daar worden wel wooncoöperaties gerealiseerd.’

Haar gezicht klaart op als ze foto’s op tafel legt van de pas gerenoveerde Fierenshoven in Antwerpen, een kloek bakstenen appartementengebouw met een torentje op de hoek. Het omvat ruime woningen voor middeninkomens, gelegen aan autovrije binnenhoven, en gedeelde voorzieningen zoals logeerstudio’s, fietsenstallingen, groene dakterrassen en op de bovenste verdieping een multifunctionele bewonersruimte.

‘Dit is het soort woongebouw dat we met het Woongenootschap Rotterdam voor ogen hadden’, zegt Happel. Het socialewoningbouwcomplex uit 1938 zou aanvankelijk worden gesloopt, maar bewoners kwamen in opstand, waarop het gemeentebedrijf besloot tot verbouwen. Het idee dat dit gebouw zou worden afgebroken komt in tijden van woningnood – die ook in België speelt – nogal absurd voor. Maar het staat niet op zichzelf: in Nederland gaat de sloopkogel jaarlijks in acht- tot vijftienduizend huizen.

Happel vindt dat er een sloopverbod moet komen. ‘Er is een enorm tekort aan bouwmaterialen, terwijl je met ‘sloop-nieuwbouw’ – tegen de klimaatdoelen in – nog meer afval en CO2 produceert. Alleen als de veiligheid of gezondheid in het geding is, moet je afbreken. Ik ben ervan overtuigd dat je elk ander gebouw kunt hergebruiken; precies dat is nu de ontwerpopgave.’

Puzzelend op de plattegrond van de Fierenshoven bedachten de architecten om de kleine woningen per twee samen te voegen tot gezinsappartementen. In de trappenhuizen voegden ze liften en de vereiste vluchtweg toe; de door water aangetaste gevel werd hersteld en geïsoleerd. Happel toont foto’s van terrazzo trappenhuizen en een woonkeuken met een kleurige tegelvloer. ‘Als je dit sloopt, krijg je het nooit meer zo mooi terug.’

De overheid ziet ‘bouwen, bouwen, bouwen’ als oplossing voor de woningnood, Happel noemt dat ‘ideeënarmoede’. ‘Er is zo veel ruimte in bestaande gebouwen beschikbaar. Denk aan gezinswoningen waarin slechts één persoon woont. Of aan senioren die op latere leeftijd een relatie krijgen maar liever ieder hun huis aanhouden, omdat de huur doorbetalen gunstiger is dan als samenwoners gekort worden op je AOW. Stel dat je die mensen tegemoetkomt, waardoor ze hun AOW behouden, dan komen er vermoedelijk heel wat woningen vrij.’

‘We moeten woningen vinden, in plaats van bouwen’, besluit Happel. ‘Wist je dat er momenteel 219 duizend gebouwen leegstaan?’ Zo verbouwt haar bureau het voormalige V&D-gebouw in Den Helder tot appartementencomplex. ‘Op het eerste gezicht een onmogelijk pand: te diep, te hoog, met enorme sta-in-de-wegbetonkolommen. Maar als je ziet wat een geweldige huizen dat worden, met 4 meter verdiepingshoogte, grote patio’s, een publieke fietsenstalling en rondom nieuwe gevels met voordeuren en bijzonder metselwerk. Die troosteloze plek gaat straks weer leven, krijgt weer een gezicht. Zo creëren we niet alleen waarde voor bewoners, maar ook voor de stad.’

Op 27 juni nam de Tweede Kamer een motie aan van SP-Kamerlid Sandra Beckerman om onderzoek te doen naar de terugkeer van een Nederlands architectuurinstituut. Beckerman constateert ‘dat het ontbreekt aan waardering en erkenning voor het werk van onder anderen architecten, en voor hen die in de bouwketen een marginale positie krijgen’. Ze stelt dat ‘een nationaal instituut zou kunnen helpen bij hoorbaar maken van hun stem’. Minister De Jonge (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) gaat het onderzoek uitvoeren.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook allee Source: Volkskrant

Previous

Next