‘Mijn geboorte vond plaats op een rampdag’, zo steekt hij van wal. Op 11 januari 1943 voert de Duitse bezetter het ‘politiestandrecht’ in: ‘Dat betekende dat je ter plekke kon worden aangehouden en geëxecuteerd. Vanaf die dag stijgt het aantal mensen dat op de vlucht wordt doodgeschoten.’
De openingszet is typerend voor Kees Schuyt, de socioloog, jurist en oud-columnist van de Volkskrant, die ongeveer veertig boeken op zijn naam heeft staan, hoogleraar was in Nijmegen, Leiden en Amsterdam, alsmede lid van de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) en de Raad van State. De anekdote over zijn geboortedag tekent zijn maatschappelijk engagement. Maar ook zijn diepgewortelde neiging de aandacht van zichzelf af te leiden.
Bij zijn afscheid als hoogleraar in 2007 komt die eigenschap ook aan bod, wanneer hij wordt getypeerd als iemand die liever over de wereld spreekt dan over zichzelf. Zelf noemt hij het zijn ‘natuurlijke terughoudendheid’. Hij koestert zijn rol als ‘observator’, zijn adagium luidt: ‘Niemand komt bij mij.’ Op zijn 80ste blijkt hij niettemin bereid dat toch een keer te verlaten, wat hem tijdens ons gesprek enkele malen doet verzuchten: ‘Daarover heb ik nooit willen praten.’
Hij doelt dan op de tweede, persoonlijker ramp die zich op 11 januari 1943 voltrekt: bij zijn geboorte blijkt op de plek van zijn verhemelte een gapend gat te zitten. Paniek. De huisarts wil hem direct naar het ziekenhuis brengen, maar zijn katholieke moeder vreest dat haar baby ongedoopt overlijdt en dus niet in de hemel komt. Ze eist dat de huisarts eerst langs de kerk gaat: ‘Het was het eerste conflict in mijn leven tussen geloof en wetenschap. Zij kreeg haar zin.’
Levensgevaarlijk blijkt zijn aandoening niet, maar zijn ernstige vorm van schisis (gespleten gehemelte met hazenlip) tekent zijn verdere levensloop. Tot zijn 10de levensjaar moet hij veertien operaties ondergaan. Tijdens zijn jeugd, in een Leidschendams tuindersgezin met negen broers en zussen, kan hij zich nauwelijks verstaanbaar maken, tot zijn frustratie: ‘Alleen mijn neefje Harrie, die even oud was, begreep precies wat ik zei.’
Een ‘levenslange affiniteit’ met mensen die vanwege hun uiterlijk worden gepest, ‘ongeacht of dat vanwege hun handicap of hun huidskleur is’, is een spoor dat door zijn leven wordt getrokken. Sympathie voor de sociaal zwakkere kenmerkt zijn werk. Zijn meest recente boeken: een bekroonde biografie over de Leidse hoogleraar Rudolph Cleveringa (die in een befaamde rede als een van de eersten openlijk tegen de Jodenvervolging protesteerde) en het onlangs verschenen Begrensde tolerantie, dat de geschiedenis van (on)verdraagzaamheid schetst. Dat laatste boek bevat nog een rode draad in zijn denken – zijn afkeer van ‘alle vormen van absolutisme’.
‘Het heeft een groot stempel op me gedrukt. Zo’n spraakgebrek is problematisch, want je wordt op school gepest en op straat uitgejouwd. Het is direct zichtbaar, ‘hazenlip’ was een scheldwoord. Ik voelde ook altijd een lichte schaamte. Ik herinner me nog scherp hoe ik als 8-jarige door een groep hockeymeisjes werd uitgejouwd; onbeschaafdheid tref je in alle klassen van de samenleving aan. Af en toe werd ik boos en sloeg ik erop, maar dan kreeg ik van de meester op mijn kop.
‘Mijn handicap maakte dat ik me voelde teruggeworpen op mezelf. Dat vergrootte mijn innerlijke terughoudendheid, mijn introverte kant, die van mijn karakter deel uitmaakt. Die werd verder versterkt in de perioden rond mijn operaties, wanneer ik drie weken ervoor én minstens twee weken erna in het ziekenhuis moest blijven. Strak onder de dekens, ik mocht geen minuut mijn bed uit. Het was een krankzinnig streng regime, achteraf onbegrijpelijk. Ik heb die perioden vooral met boeken doorgebracht. Mijn aangeboren intelligentie was mijn redding, anders had het veel slechter met mij kunnen aflopen.
‘Mijn introverte kant compenseerde ik op school enigszins doordat ik goed aan sport meedeed. Ik kon aardig voetballen en schaken, ik maakte deel uit van het schaakteam. Maar ik voelde me toch ook anders, als tuinderszoon op een jezuïetencollege voor de katholieke, Haagse elite. Bijna niemand van mijn klasgenoten is ooit bij mij thuis geweest. Nee, ik schaamde me niet voor mijn afkomst, maar zo’n bezoek zou raar voor die ander zijn geweest.’
‘Eerlijk gezegd was dat de moeilijkste periode van mijn leven. Ik had voor sociologie gekozen, omdat ik bij die studie de meeste filosofische vakken kon volgen. De rector van mijn middelbare school had filosofie als studie afgeraden, omdat je daar niks mee kon. Mijn eerste keuze was Nederlands geweest, omdat literatuur en poëzie me zo aanspraken, maar dat vond de rector ook geen goed idee, door mijn spraakgebrek zou ik toch geen les kunnen geven. Zo werd het sociologie in Leiden.
‘De studie ging me uitstekend af, maar sociaal had ik het erg moeilijk. De universiteit was een totaal vreemde wereld voor mij. Ik voelde me vaak erg eenzaam en afgewezen. Andere studenten keken neer op mijn achtergrond, mijn studiekeuze of mijn uiterlijk. Relaties aangaan is voor kinderen met schisis een groot probleem, ik was in die tijd echt somber daarover. Gelukkig leerde ik op mijn 23ste mijn vrouw Trees kennen. Zij was op latere leeftijd geneeskunde gaan studeren. Net als ik kwam zij uit een niet-academisch milieu. Zij vond het niet zo erg hoe ik eruitzag.
‘In die tijd heb ik ook professor Honig uit Utrecht ontmoet, een plastisch chirurg die mij een experimentele operatie voorstelde. Mijn spraakvermogen is daardoor van 60 naar 85 tot 90 procent gegaan, een wezenlijk verschil. Honig heeft mijn leven in goede banen geleid. Letterlijk, want daarna kon ik aan de universiteit lesgeven, ik heb alleen maar prachtige functies gekregen. Ik ben hem enorm dankbaar, net als alle artsen die mij hebben geholpen, al hun namen kan ik zo uit mijn blote hoofd opzeggen. Mijn leven is in het teken van dankbaarheid komen te staan.’
‘Het leven zie ik als een geschenk waar je zuinig op moet zijn en dat je moet eerbiedigen, ondanks alle misère die je onvermijdelijk meemaakt. Mijn start was slecht en mijn leven is lang problematisch geweest, maar veel mensen bleken bereid mij te helpen. Tot hen richt ik mijn dankbaarheid. Die komt boven wanneer ik de tijd neem over het leven na te denken. Dat moet je niet je hele leven doen, of een hele dag achter elkaar, maar voor mij is dankbaarheid dan wel de essentie.
‘Op de overlijdenskaart van mijn vrouw, ze is drie jaar geleden overleden, staat een prachtige spreuk van Hannah Arendt: ‘Gratitude for life having been given at all is the spring of remembrance, for a life is cherished even in misery.’ Het leven koesteren, ook in tijden van lijden, dat vind ik van grote wijsheid getuigen. Het brengt in mijn ogen ook de plicht met zich mee uiterst voorzichtig met het leven van anderen om te gaan, want elk mens is uniek. Ook vind ik er een stevige verankering van de rechten van de mens in. Als die waar dan ook massaal worden vertrapt, kan ik nog altijd echt kwaad worden.’
‘Eerlijk gezegd beide niet. Van het katholieke geloof ben ik afgeraakt door mijn keuze voor de wetenschap. Maar de wetenschap geeft geen antwoord op existentiële vragen, want de antwoorden erop zijn onbewijsbaar. Dus komt onvermijdelijk onbewijsbare metafysica op je pad. In mijn ogen staan je dan vier wegen open: religie, mystiek, filosofie en poëzie. Zelf heb ik aan die laatste twee genoeg, zij kunnen me zowel troost bieden als inspireren. Maar mensen die de antwoorden zoeken in religie of mystiek respecteer ik ten volle. Zolang ze anderen maar niet hun overtuigingen willen opleggen.
‘Mijn gevoel voor christelijke naastenliefde heb ik behouden. Maar er zitten aan het geloof wel nare kanten, zoals het fanatisme, het hiërarchische denken en de verabsolutering van vaak tegenstrijdige uitgangspunten. Een voorbeeld? De theologen Luther en Calvijn meenden te weten welk lot mensen na dit leven wacht: gehandicapte kinderen noemden zij ‘duivelsgebroed’, al voor hun geboorte voorbestemd voor de hel. Maar hun eigen predestinatieleer stelt dat alleen God weet wat ons na de dood wacht. Over dat soort tegenstrijdigheden kan ik me echt opwinden, daar moet je bij mij niet mee aankomen. Dat trek ik me persoonlijk aan.’
‘Voor mijzelf is de wetenschap een zoektocht geweest naar rechtvaardigheid, als jurist, en naar waarheid, in mijn rol van socioloog. De waarheid waarnaar wetenschappers collectief op zoek zijn, zie ik als een prachtige glazen bol die op de grond in duizenden scherven kapot is gevallen. Wij proberen de stukjes aan elkaar te lijmen. Soms lukt dat. Maar je moet haar vooral niet tot een dwingend geloof verheffen. Dat is een vorm van absolutisme die ons wantrouwen verdient, net als fanatiek geloven.
‘De wetenschap heeft ons veel gebracht op het vlak van welvaart en levensverwachting. Persoonlijk ben ik de medische stand zeer dankbaar voor haar grote vooruitgang. Maar ik heb genoeg wetenschapsfilosofie beoefend om ook de inherente beperkingen ervan in te zien. Neem de economische wetenschap die uitgaat van een calculerend individu. Met dat mensbeeld kunnen economen veel bereiken, maar verhef je dat tot absoluut juist, dan sla je de plank mis. De mens is zoveel meer. Ik keer me tegen wetenschappers die pretenderen dat er maar één waarheid is, namelijk de wetenschap zelf. De uitgangspunten ervan zijn vaak onbewijsbaar. En op de raadselachtige verhouding tussen lichaam en geest bestaat wetenschappelijk geen eenduidig antwoord.’
‘Als mijn lichaam tot stof vergaat, legt mijn geest zich daarbij neer. Zo kom ik uit bij de ziel, die Source: Volkskrant