Home

Opinie: Is de koning door zijn onschendbaarheid boven de wet geplaatst? Niets is minder waar

In een uitgebreid opinieartikel prijst Peter Rehwinkel de persoonlijk getinte Ketikoti-toespraak van koning Willem-Alexander, en met recht. Hij betrekt daar ook de erfenis van Thorbecke bij. Eindelijk heeft ook de koning zich kunnen bevrijden uit het keurslijf dat de staatsman het koningschap in 1848 oplegde door de grondwetsbepaling over de onschendbaarheid en de ministeriële verantwoordelijkheid.

Het is op zich bijzonder dat politici en opiniemakers ook anderhalve eeuw na het overlijden van Thorbecke nog ongeveer elke week zijn gezag aanroepen of zijn tekortkomingen aanstippen. Rehwinkel doet echter weinig recht aan wat Thorbecke in 1848 bedoeld heeft, en aan diens opvattingen over de slavernij.

Over de auteur:
Remieg Aerts is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef een biografie over Thorbecke.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Toen de Grondwet van 1848 de koning onschendbaar verklaarde en diens politieke positie achter verantwoordelijke ministers parkeerde, was daar alle reden toe. Het actieve en persoonlijke regeren van Willem I en Willem II leidde bijna tot een staatsbankroet, fnuikte de civil society en maakte het land slecht bestuurbaar. De koningen voerden een niet-omschreven ‘opperbestuur’ over de koloniën.

Willem III was een heethoofd die Schiedam en de pauselijke havenstad Civitavecchia wilde laten bombarderen, als hij daartoe na 1848 nog de bevoegdheid had gehad.

Door Thorbecke - met steun van veel tijdgenoten - kon de persoon van de koning niet meer door al te persoonlijke uitingen gepolitiseerd en in diskrediet worden gebracht. Dat voorkwam schade aan het koningschap als instituut. En door de ministeriële verantwoordelijkheid ging de regering voortaan zaken doen met de volksvertegenwoordiging.

Rehwinkel meent dat de onschendbaarheid en strafrechtelijke immuniteit de koning als het ware ergens buiten of boven de wet plaatsten. Niets is minder waar. Dat was vóór 1848 grotendeels het geval. Thorbeckes ingreep maakte het koningschap tot een welomschreven functie, die van ‘staatshoofd’ in een constitutioneel, geregeld bestel.

Thorbecke hechtte welzeker aan het moreel en historisch gezag van het staatshoofd. Juist daarom positioneerde hij de politieke koning in de luwte. Wel kon Willem III, net als Willem-Alexander nu, zijn landsvaderlijke rol vervullen, bijvoorbeeld bij rampen als overstromingen en op grote nationale momenten. Dat deed de koning ook en hij werd er door het publiek om gewaardeerd.

Stond Thorbecke onverschillig tegenover de slavernij, zoals Rehwinkel meent? Hij heeft zich er niet vaak over uitgelaten, maar hij vond het een ‘groot kwaad’ en een ‘schandelijk bedrijf’. In zijn persoonlijke aantekeningen prees hij de Franse Revolutie die de ‘geest van menschelijkheid’ en rechtsgelijkheid in de wereld had gebracht, tegenover de religieuze puriteinen die de slavernij rechtvaardigden met een beroep op de Bijbel.

Thorbecke heeft zich in 1848 tot het uiterste ingespannen om het beheer over de koloniën in handen te brengen van het parlement. Hij bepleitte openheid en openbaarheid over het koloniaal beheer. Hij spoorde de Nederlandse publieke opinie aan zich meer met de koloniën bezig te houden.

Thorbecke stelde niet zelf wetgeving tot afschaffing van de slavernij voor, omdat dergelijke wetgeving geen zaak was van zijn toch al enorme departement van Binnenlandse Zaken, maar van de minister van Koloniën. Het was evenmin aan minister van Justitie Nedermeijer van Rosenthal, die nota bene al in 1816 was gepromoveerd op een pleidooi voor afschaffing van de slavernij.

Wel is inderdaad al in Thorbeckes eerste regeerperiode in 1851 door minister van Koloniën Pahud een wetsvoorstel ingediend tot gefaseerde afschaffing, zonder compensatie voor de slavenhouders. Daar wilde de Tweede Kamer niet aan.

In 1856 drong Thorbecke vanuit de oppositiebanken aan op directe wetgeving, in plaats van de door de regering voorgestelde voorbereiding tot een mogelijke afschaffing. En in zijn tweede regeerperiode is in 1863 daadwerkelijk de slavernij in Suriname en de Antillen afgeschaft, al was die wet al onder het voorafgaande ministerie gereed gekomen.

Rehwinkel stelt Multatuli als lichtend voorbeeld tegenover Thorbecke, maar de Max Havelaar riep in 1860 de koning op de knevelarijen en uitwassen van het Indische cultuurstelsel te beëindigen, niet de slavernij.

Die eer komt wel toe aan de Lutherse predikant H.C. Millies, die al in 1849 bij de inhuldiging van Willem III in het liberale tijdschrift De Gids de nieuwe koning opriep onmiddellijk een einde te laten maken aan de schande en opgehoopte schuld van eeuwen mensonterende slavernij: ‘op de koning is aller oog gevestigd, als de geroepene om voor te gaan’.

De koning als woordvoerder van het nationale geweten, die rol lag al sinds 1849 klaar.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next