Guido Spring, journalist en podcastmaker, heeft zijn microfoon uitgestoken, klaar om het opmerkelijke ontstaansverhaal op te vangen van de Waalwijkse moskee Al-Nur.
‘Kun je jezelf even voorstellen?’, vraagt Spring.
Tegenover hem staat Dadé Tehupelasury. Hij is 60 jaar en zijn hele leven woonachtig in Waalwijk, waar hij onderdeel is van een kleine, maar oude Molukse gemeenschap. Of, om preciezer te zijn: Tehupelasury is er onderdeel van de islamitische Molukse gemeenschap, in Nederland een minderheid van 2 procent binnen een groep van zeventigduizend overwegend christelijke Molukse Nederlanders.
Over de auteur
Hassan Bahara is sinds 2021 media- en cultuurredacteur voor de Volkskrant. Daarvoor schreef hij over (online)radicalisering. Eén week in de maand doet hij dienst als tv-recensent.
‘Kun je iets vertellen over het ontstaan van deze moskee?’, gaat Spring door, terwijl langs hem mannen in hagelwit gewaad de gebedsruimte binnenlopen voor het vrijdaggebed dat elk moment kan beginnen.
Op basis van de bezoekers – in meerderheid Marokkaanse, Turkse en Somalische Nederlanders – zou je het niet zeggen, maar Al-Nur is van oorsprong een Molukse moskee, in 1990 gebouwd door de islamitische Molukse gemeenschap van Waalwijk.
Tehupelasury is nog een van de weinige Molukse moslims die hier geregeld voor het vrijdaggebed te vinden zijn. Aan hem vandaag de eer om Spring door de moskee te leiden en zijn kennis over het gebedshuis te delen. Het wordt een compacte geschiedenis over zijn gemeenschap, over hoe ze hier in 1964 verzeild raakten en hoe ze tot 1990 voor het gebed op een woonhuis aangewezen waren. Ook leidt Tehupelasury langs het mortuarium en vertelt hij tot slot iets over de ruime lichtinval in de moskee.
‘Is er iets wat je nog zou willen vertellen?’, besluit Spring. ‘Nee? Dan ga ik nog even wat omgevingsgeluiden opnemen.’
Spring, die jarenlang radiomaker is geweest bij de VPRO, heeft deze vrijdag meerdere afspraken met Molukse Waalwijkers die hem meer kunnen bijbrengen over het verleden en heden van deze kleine gemeenschap.
Het resultaat moet halverwege juli te beluisteren zijn in twee afleveringen in de podcastserie The Moluksewijken. Dat zijn ook meteen de twee laatste afleveringen in deze serie die vanaf 2020 liep – het jaar waarin het zeventig jaar geleden was dat de Molukse gemeenschap vanuit Indonesië in Nederland verzeild raakte.
De serie, die in totaal dertig afleveringen telt, onderzoekt hoe het de Molukse diaspora, met wortels in de Indonesische eilandengroep de Molukken, sindsdien is vergaan in Nederland. Hoe sterk hechten ze nog aan hun Molukse identiteit? Wat is er over van de typische Molukse wijken? En wat is er over van de langgekoesterde wens om een eigen republiek te stichten op de Molukken?
Bedenker en producent van de podcastserie is Victor Joseph, een Moluks-Nederlandse media-ondernemer met een lange carrière in de Hilversumse radiowereld. Verslaggevers zijn Sam Jones, een Surinaams-Nederlandse radiomaker, en Guido Spring, een autochtone Nederlander. Om en om nemen Jones en Spring een aflevering voor hun rekening.
‘We willen echt van binnenuit de mensen zelf aan het woord laten’, vertelde Joseph in 2020 bij de start van de podcastserie in een interview op Radio 1. ‘Wat doen jullie? Wat maken jullie mee?’
Spring is deze vrijdag eerst op bezoek geweest bij Chris Oppier, een christelijke Molukker uit Waalwijk en drijvende kracht van de voetbalclub Tjili Padi die als doel heeft om christelijke en islamitische Molukkers bij elkaar te brengen.
Daarna volgt een bezoek aan de Doelenstraat, het hart van de Molukse gemeenschap in Waalwijk. Het is een van die typische Molukse wijken waar decennialang een speciaal toewijzingsbeleid gold: de rijtjeshuizen, sociale huur, moesten in eerste instantie worden toegewezen aan Molukse Nederlanders.
Op Doelenstraat nummer 1 woont Idja Marasabessy (57), spil binnen de Molukse gemeenschap in Waalwijk, en degene die namens haar gemeenschap met de woningcorporatie overlegt over het toewijzingsbeleid. Marasabessy heeft een tafeltje en stoelen buiten op een grasveldje klaargezet voor haar bezoek.
‘Ik ben hier geboren, als eerste van mijn familie’, begint Marasabessy. ‘Later hoorde ik van mijn oudere broers en zussen hoe het was om hier te komen. Ze hadden zoiets van: wow, ons eigen huis, met vier slaapkamers! Dat was voor hen echt een hele belevenis, want zij kwamen nog van de barakken.’
Het verhaal dat Marasabessy vertelt is het verhaal van zoveel Molukse Nederlanders en het begint ruim zeventig jaar geleden. In Indonesië dienen op dat moment tienduizenden Molukkers onder Nederlandse vlag bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (Knil). In 1945 heeft Indonesië zich onafhankelijk verklaard van de Nederlandse kolonisator. Een bloedige strijd, waaraan ook Knil-militairen meedoen, volgt. Het duurt tot 1949 voordat Nederland zich neerlegt bij de Indonesische onafhankelijkheid. Twee jaar later, in 1951, krijgen de Knil-militairen het dienstbevel om naar Nederland te komen.
De Knil-militairen, aan wie de Nederlandse overheid het recht op zelfbeschikking in Indonesië heeft beloofd, geloven dat hun verblijf in Nederland tijdelijk zal zijn. Binnen afzienbare tijd zullen ze kunnen terugkeren naar hun eigen Molukse republiek.
Maar van deze toezegging komt niets terecht. De Knil-militairen en hun gezinnen worden gehuisvest in barakken door het hele land, ver weg van de bewoonde wereld. De omstandigheden in de barakken zijn spartaans, men woont er met grote aantallen op elkaar.
Pas in de loop van de jaren zestig kunnen de Molukkers terecht in echte huizen, in buurten waar ze een hechte gemeenschap kunnen blijven vormen. Als pleister op de wonde van een niet verwezenlijkte republiek krijgen de Molukkers een aantal decennia medezeggenschapsrecht in het toewijzingsbeleid van huizen in hun ‘Molukse wijken’.
De islamitisch-Molukse gemeenschap in Waalwijk is er sinds 1964, vertelt Marasabessy. Tussen 1954 en 1964 woonden ze in het Friese kamp Wyldemerk.
‘Wat is er fijn aan wonen in deze Molukse wijk?’, vraagt Spring. ‘Is het eigenlijk wel fijn?’
‘Ik vind het heel fijn’, antwoordt Marasabessy. ‘Ik ken ook niet anders. Ik ben hier geboren en woon nog steeds in mijn ouderlijk huis. Wonen in een Molukse wijk betekent naar elkaar omkijken, met elkaar het geloof praktiseren.’
Het is de rode draad in veel van de podcastafleveringen van The Moluksewijken: de verhalen over saamhorigheid, de geborgenheid die je voelt onder eigen mensen, met eenzelfde cultuur en religie. In de aflevering over Waalwijk richt de aandacht zich grotendeels op de Molukkers in de Doelenstraat, bijna zonder uitzondering moslims.
Zeventig jaar na de komst van Molukkers in Nederland wordt nog altijd hoog opgegeven over de onderlinge verbondenheid in de kleine Molukse enclaves in steden als Hoogeveen, Alphen aan de Rijn, Cuijk, Assen en Woerden.
In elke aflevering worden Spring en zijn collega Jones op sleeptouw genomen door mensen die het Molukse karakter van hun wijk na aan het hart ligt. Ze bezoeken voetbalclubs, nemen plaats aan keukentafels, en horen afwisselend droevige en opbeurende verhalen over een gemeenschap die met vallen en opstaan haar weg in Nederland vond.
Tegelijkertijd wordt uit de podcastserie duidelijk dat er onmiskenbaar iets veranderd is. Leden van de eerste generatie Molukkers, de mannen die in het Knil hadden gediend, zijn in sommige Molukse wijken nog maar op één hand te tellen. De tweede generatie Molukkers, kinderen van Knil-militairen, loopt vaak al in de zeventig. Met hen is ook de droom van een vurig gewenste eigen Molukse republiek beetje bij beetje verdwenen.
De gemeenschap is nu vooral gericht op behoud van het Molukse cultureel erfgoed en gemeenschapsgevoel. Bijvoorbeeld door straten als de Doelenstraat Moluks te houden. Ook jonge Molukse Nederlanders van de derde en vierde generatie willen daaraan een bijdrage leveren. Hoewel velen van hen vertrekken uit de Molukse wijken en opgaan in de Nederlandse samenleving – de meeste Molukkers wonen in Amsterdam, verspreid over de stad – is er ook een aanzienlijk deel dat geworteld wil blijven in de eigen gemeenschap.
Marasabessy vertelt dat er een lange wachtlijst is van jonge Molukse Nederlanders van de derde en vierde generatie die popelen om een huisje te betrekken in deze straat. In het verleden kon zij met gemak een nieuwe Molukse huurder aandragen bij de woningcorporatie. Tegenwoordig gaat dat minder vanzelfsprekend.
‘Onlangs is een achterneef van ons op nummer 16 komen te overlijden’, vertelt Marasabessy. ‘Ik heb een jonge Molukker voorgedragen om in dat huis te gaan wonen. Hij past als islamitische Molukker perfect binnen het convenant dat we in het verleden met de woningcoöperatie hebben gesloten. Maar wat zegt die coöperatie nou? Die zegt: we moeten eerst kijken of hij binnen de inkomensnormen valt. Dan denk ik: hoezo? Hij past binnen het convenant. Ga je nou zeuren of hij niet te veel verdient voor een sociale huurwoning?’
Marasabessy zucht. Ook in ander contact met overheidsinstanties merkt ze hoe weinig consideratie er nog is met de specifieke behoeften en wensen van Molukse Nederlanders. Elke keer moet Marasabessy weer uitleggen welke ereschuld Nederland aan haar mensen heeft.
< Source: Volkskrant