Schaarste schuurt heet het rapport van de Onderwijsraad met een noodplan bij een dramatisch lerarentekort. Een vervelende titel, die op voorhand alle argumenten tegen de voorgestelde aanpak wegwuift: er is schaarste, we moeten wel. Alsof deze ramp ons overvalt, als een natuurverschijnsel. Maar het is niet de titel die het meest irriteert. En ook niet de belangrijkste conclusie van het rapport: minder uren onderwijstijd voor kinderen.
Dat laatste lijkt vreselijk, maar dat hoeft niet. Het gaat niet om de hoeveelheid uren, maar de invulling en kwaliteit ervan. Uit de internationale onderzoeken PIRLS en Pisa blijkt dat kinderen in Nederland bovengemiddeld veel uren maken, terwijl we matig scoren bij lezen en wiskunde. In landen boven aan de ranglijsten wordt minder lesgegeven en hebben leraren meer tijd om voor te bereiden. Minder maar beter. Maar ja, matige kwaliteit én weinig les is wellicht een dodelijke cocktail.
Het is geen slecht idee als kinderen een halve dag minder les krijgen van hun leerkracht, die zich dan concentreert op de basisvaardigheden, mits de kinderen in die uren wél naar school gaan en ze zinvol besteden. Voor de bijkomende taken die het werk van een leraar overvol maken kun je anderen inhuren: sport, tekenen, handvaardigheid, de musical, bibliotheekbezoek, literatuur- en schrijflessen. Mensen die daar goed in zijn. En nu niet zeggen dat dit onbevoegde beunhazen zijn – dat zijn ze niet. Iemand die conservatorium, sport- of kunstacademie heeft gedaan, of beroepsmatig schrijft, is vakkundig. Hun komst is een verrijking, vooral voor kinderen van wie de ouders geen geld hebben voor sportclubjes of muziekles. Het is mooi als op deze manier de wegbezuinigde vakdocent terugkomt.
Wat irriteert aan dit noodplan is dat het een noodplan is; de Onderwijsraad had eerder met de vuist op tafel moeten slaan. De laatste scherpe analyse, met zinnige adviezen, dateert van 2007, van de commissie-Rinnooy Kan. Die sprak over een ‘kwantitatief en kwalitatief’ lerarentekort, en gaf als oplossing betere lerarenopleidingen, marktconforme salarissen en meer professionaliteit in de scholen. Deze adviezen werden zestien jaar lang hardnekkig niet opgevolgd. Geen van de onderwijsministers durfde dat, uit angst de almachtige schoolbesturen te ontrieven.
Er gebeurde wat Rinnooy Kan voorspelde: een oplopend lerarentekort, een vlucht van universitair geschoolde docenten, achterblijvende salarissen, een gestage neergang in onderwijskwaliteit, nog altijd tekortschietende lerarenopleidingen en als resultaat van dit alles: kinderen die steeds minder leren. Het is om heel verdrietig van te worden.
Intussen verschenen er wel stapels rapporten over het lerarentekort. Bergen geld gingen er naar die onderzoeken. Nooit las ik een overtuigend antwoord op de hamvraag: wat maakt het beroep van leraar tegenwoordig zo onaantrekkelijk? Wat maakt het leraarschap in sommige landen wel een geliefd beroep? Dat moet je weten. Vraag het aan leraren, aan aarzelende studenten, aan mensen met een onderwijsbevoegdheid die zijn afgehaakt: wat heb je nodig? Wat hindert je?
Wie met leraren spreekt, kent het antwoord. Zij wensen meer autonomie, meer waardering, minder werkdruk, minder administratie, vaste aanstellingen en een beter salaris. Waarom niet geprobeerd leraren te verleiden enkele uren per week meer te werken, op hún voorwaarden?
In die overbodige rapportschrijvers schuilt nog een deel van de oplossing. Veel mensen in het onderwijs, op scholen en daarbuiten, geven geen les. Volgens de Algemene Onderwijsbond, die de cijfers ontleent aan het CBS, werkten 61 duizend mensen, vaak in het bezit van een lesbevoegdheid, in in 2021 in een ‘adviserende of coördinerende functie’ (in 2015 waren er dat nog 41 duizend). Als zij nu eens voor de klas gingen staan, dat zou helpen.
Source: Volkskrant