Meneer Van Wieringhe (82) zit op de douchestoel in de badkamer met zijn hoofd voorover gebogen, de kin bijna op de borst. Hij slaapt. Om zijn middel draagt hij een handdoek. Zijn armen rusten op de leuningen en zitten vol blauwe en rode plekken, een knie is dik en op zijn voorhoofd zit een schaafwond. Hij ziet eruit als een oude bokser die afgepeigerd in de hoek van de ring zit.
Een collega loopt over de gang met een andere bewoner. Ze heeft een luide stem. Meneer Van Wieringhe kijkt verstoord op en ziet me staan.
‘Heeft u lekker gedoucht?’, vraag ik.
‘Ja, hoor. Prima.’
Mijn collega heeft net gevraagd of ik even op hem wil letten. Ze heeft hem geholpen met douchen, maar was vergeten de spullen te pakken om zijn wonden te verzorgen. Ik wacht tot ze terugkomt.
Over de auteur
Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. Hij schrijft om de week een wisselcolumn met Erdal Balci. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.
Later op de ochtend komt de ergotherapeut een rolstoel brengen. Gisteren is meneer Van Wieringhe voor de zoveelste keer gevallen. Op een psychogeriatrische afdeling is bijna iedereen valgevaarlijk; de bewoners zijn oud en dementie tast hersengebieden aan die je motoriek regelen.
De hele afdeling is erop ingericht om te voorkomen dat de bewoners vallen, maar het risico blijft bestaan, tenzij je een maatregel treft waardoor iemand niet meer zelfstandig kan lopen. Je kunt ervoor kiezen om het valrisico te accepteren, maar meneer Van Wieringhe lijdt onder zijn verwondingen en het worden er steeds meer. We hebben van alles geprobeerd om hem op de been te houden. De rolstoel is het laatste redmiddel.
De ergotherapeut helpt hem in de rolstoel en ik kijk gespannen toe. Tot mijn verbazing rijdt hij er meteen vandoor. Hij rolt heen en weer over de afdeling alsof hij dat al jaren zo doet. Om te voorkomen dat hij opstaat en zonder de rolstoel op pad gaat, zoals hij ook altijd vergat om zijn rollator mee te nemen, draagt hij een veiligheidsgordel, maar daar lijkt hij geen last van te hebben.
Toch kan ik het geen daverend succes noemen. Meneer Van Wieringhe bekijkt zichzelf in de rolstoel en zegt: ‘Ik ben heel ontevreden over mezelf.’
‘Wat doe ik hier eigenlijk?’, vraagt hij later op de ochtend. ‘Ik heb hier niet om gevraagd, hè. Dit is allemaal zonder mijn toestemming geregeld.’ Hij kijkt me aan. Tussen zijn wimpers kleeft slaap. Zijn huid is schilferig, hij is slordig geschoren en in zijn mondhoeken zit appelstroop. Hij heeft een ingevallen mondje en slist als een kind, want zijn kunstgebit is bij de tandarts om te worden gerepareerd. ‘Ik kan er niet meer tegen’, lispelt hij.
Ik ook niet. Ik rijd hem naar zijn kamer. Bij de wastafel verzamel ik alles wat ik nodig heb: scheermes, scheerschuim, kwast, tondeuse, gezichtscrème. Ik weet niet zeker of dit een afleidingsmanoeuvre is om meneer Van Wieringhes stemming te verbeteren of dat ik dit vooral voor mezelf doe, maar ik ga in elk geval vol overgave aan de slag. Meneer Van Wieringhe heeft een vrij volgzaam karakter en ondergaat de behandeling gelaten.
‘Gaat het, meneer Van Wieringhe?’, vraag ik, terwijl ik zijn neusharen trim.
‘Ja, hoor. Fijn dat je me even helpt.’
We zijn net klaar als de tandarts binnenkomt om zijn gebit terug te brengen – alsof het zo moest zijn. Helemaal fris en keurig lever ik hem weer af in de gezamenlijke huiskamer.
‘Zozo’, zegt mijn collega. Ze zet hem een kopje koffie voor. ‘U ziet er heel knap uit.’ Een andere collega komt ook kijken. ‘Ja, jeetje’, zegt ze. ‘U bent een knappe man, meneer Van Wieringhe.’
Daar is hij niet ongevoelig voor. ‘Wat is alles hier goed geregeld’, zegt hij, en hij roert tevreden in zijn koffie. ‘Wat een fijne club mensen.’
Tegen mij zegt mijn collega plagerig dat ik schoonheidsspecialist had moeten worden. ‘Jij hebt je roeping gemist.’ En misschien is dat zo, want dit gaf veel, héél veel voldoening.
Source: Volkskrant