Home

De behoefte aan straf blijft bestaan onder de mens, betoogt Arnon Grunberg

Wat is moraal? Velen zullen antwoorden: gedragsregels. Een enkeling zal het net anders formuleren: het verschil tussen goed en kwaad. Het komt op hetzelfde neer, het goede behoor je te doen, het kwade na te laten.

Friedrich Nietzsche (1844-1900) schreef in 1887 in het Zwitserse bergdorp Sils-Maria zijn Genealogie van de moraal waarin hij zich afvroeg waar die moraal eigenlijk vandaan komt. Het goddelijke gebod dat de moraliteit van een fundament voorzag, was immers weggevallen. In het boek maakte Nietzsche met enkele morele intuïties korte metten. Zo leest men: ‘Ik zag in de moraal van het medelijden, die steeds meer om zich heen grijpt en die zelfs de filosofen heeft besmet en ziek gemaakt, het griezeligste symptoom van onze griezelig geworden Europese cultuur, haar omweg naar een nieuw boeddhisme? naar een boeddhisme voor Europeanen? naar het – nihilisme?’ (De vertaling is van Thomas Graftdijk en werd herzien door Hans Driessen.)

Iedereen zou deze tekst van Nietzsche tenminste één keer gelezen moeten hebben. Nu heeft de in 1983 geboren Duitse filosoof Hanno Sauer, verbonden aan de Universiteit Utrecht, een boek geschreven getiteld Moraal – De uitvinding van goed en kwaad waarin hij op bescheiden wijze polemiseert met Nietzsche, hoewel ook hij, net als Nietzsche, weinig vertrouwen heeft in empathie als morele grondsteen voor ons handelen. Al in zijn inleiding schrijft Sauer dat Nietzsches vertelling over de oorsprong van de moraal belast is met een probleem, namelijk dat ze niet klopt. (Sauers boek verschijnt eind augustus in Nederland, ik baseer me hier op het Duitse origineel.)

Nietzsche vermoedde dat onze schuld, ons geweten, onze plichten, ‘grondig en langdurig met bloed begoten’ zijn door verre voorouders die met genoegen wreedheden begingen. De zelfontkenning met morele grondslag zou niets zijn dan decadentie. Trekken van de mens in zijn laatste fase, volstrekt vervreemd van alle overlevingsstrategieën van zijn voorouders.

Sauer heeft om te beginnen problemen met de ‘hyperbolische polemiek’ die een van Nietzsches ‘slechte gewoonten’ zou zijn. Ik meen dat de verleidingskracht van Nietzsche in die hyperbolen schuilt, de meeste romanschrijvers kunnen niet tippen aan de stilistische kracht van Nietzsche, maar dat is een kwestie van smaak en achtergrond. (Smaak ís achtergrond.)

Los van de stijl meent Sauer dat de uitvinding van de moraal voortkomt uit de evolutionaire route die de intelligentste aller apen, de mensen, de afgelopen tijd hebben afgelegd: het eerste hoofdstuk van zijn boek heet ‘5 miljoen jaar geleden’, het laatste hoofdstuk heet ‘vijf jaar geleden.’ Waar Nietzsche van mening was dat moraal schimmelt op overrijpe machtslust, daar denkt Sauer juist dat het altijd al de morele keuzes waren die het evolutionair selectieprincipe als de meest verstandige beloonde. Anders gezegd: de beruchte survival of the fittest is in feite the survival of the friendliest. Nu zal menigeen met de oren klapperen, want de gedachte dat wij door de slechtst mogelijke clique worden geregeerd is onverminderd populair. Volgens sommige experimenteel psychologen komt dat omdat wij slecht nieuws beter onthouden dan goed nieuws (ongetwijfeld zal ook dat evolutionair te verklaren zijn) en omdat nieuws nu eenmaal voornamelijk slecht nieuws is, al zijn er gradaties.

Sauer geeft een andere verklaring voor onze zwartgalligheid. Zoals bekend ridiculiseerde Voltaire (1694-1778) in zijn novelle Candide met behulp van zijn personage Pangloss de filosoof Leibniz, die had beweerd dat wij in de beste van alle mogelijke werelden leefden. Leibniz uitspraak was van 1710, en na de gruwelijke aardbeving in Lissabon van 1755 vonden velen zo’n bewering van achterlijkheid getuigen. (De kritiek op Leibniz had iets kortzichtigs.) Na Candide vreesde iedereen met intellectuele ambities, aldus Sauer, voor een Pangloss te worden uitgemaakt en leek pessimisme het equivalent van diepzinnigheid. Gaandeweg zou deze trend onder intellectuelen zich onder de rest van de bevolking (democratisering) hebben verspreid.

Dat mag zo zijn, toch wil ik benadrukken dat de gedachte dat wij in de eindtijd leven niets nieuws onder de zon is en al te menselijk, al zijn er tussen diverse apocalyptische aardbevingen door altijd uitbarstingen van min of meer krankzinnige hoop geweest.

Sauer is geen blijmoedig optimist, zijn boek laat zich niet samenvatten met de zin: ‘niets aan de hand, eet rustig uw rookworst op.’ Maar leg uw rookworst toch nog niet neer. Sauer probeert duidelijk te maken dat we, voor we de mens afschrijven, eerst naar de geschiedenis moeten kijken, naar het begin van de intelligentste aller apen. Want dan zouden we zien dat de moraal, de zelfdomesticatie, het beschavingsproces, hoe we het ook noemen, aan een gestage en feitelijk wonderbaarlijke opmars bezig is.

Waarin bestaat onze intelligentie? Sauer schrijft over een interessante studie waarbij mensenkinderen en chimpansees met een hark voorwerpen naar zich toe moesten harken. Volwassenen deden het fout voor, namelijk met de omgedraaide hark. De mensenkinderen bleven de volwassenen imiteren, de chimpansees begrepen dat het beter was de hark om te draaien. Dat betekent niet dat chimpansees opeens de intelligentste aller apen zijn, het betekent dat het lerend vermogen bij mensen op een gegeven moment het vermogen tot uiterst nauwkeurige imitatie is geworden. Het resultaat van die kanteling is het vermogen om samen te werken, zelfs met vreemden. Nogmaals: wat is moraal? Een manier om die samenwerking zo goed mogelijk te laten verlopen. Dat klinkt wat utilitaristisch, maar in een geseculariseerde samenleving ontkomt niemand ooit helemaal aan het utilitarisme.

Sauer verwijst naar een ook voor mij belangrijk boek, De zelfzuchtige genen, van de Engelse bioloog Richard Dawkins (82), waarin niet het blinde egoïsme wordt gevierd, maar waarin wordt gesteld dat wij niets zijn dan pakezels van ons genetisch materiaal. Of, in de woorden van Sauer: kippen leggen geen eieren om nieuwe kippen te maken, eieren produceren kippen om nieuwe eieren te maken. Enige bescheidenheid is dus op zijn plaats. Vanwege het feit dat wij pakezels zijn van onze genen hebben wij er ook belang bij samen te werken met mensen met wie we onze genen delen en ze wanneer nodig te beschermen. Zoals in Sauers boek wordt opgemerkt: voor één broer zou ik mijn leven niet opofferen, voor twee broers wel.

Een simpele rekensom. Op een gegeven moment begrepen wij dat samenwerken met vreemden (handel) nuttig is. Het doel blijft: samenwerken met iedereen, zonder mensen op voorhand uit te sluiten.

Samenwerking moet niet fanatiek worden geïdealiseerd, waar wordt samengewerkt wordt eveneens tegengewerkt. Het belang van het individu hoeft niet overeen te komen met het belang van de groep, maar als maar lang genoeg wordt doorgespeeld, zo leert de game theory, lonen samenwerken en eerlijkheid en zo slaagde een miezerige aap erin sterkere dieren te overwinnen.

Wat de game theory betreft hebben we ons aangepast aan de regels van het spel, laten we het zelfdomesticatie noemen, en de smeerolie van alle africhting is straf. Sauer zegt dat die zelfdomesticatie waarschijnlijk bestond uit het doden van de meest agressieve en gewelddadige soortgenoten, hij ontkent de wreedheden niet maar anders dan Nietzsche vindt hij ze veelal nuttig. En Sauer is geen sadist, nu we min of meer zijn uitgeselecteerd hoeven we soortgenoten in naam van de beschaving niet of nauwelijks meer te doden. De straf zelf is immoreel geworden.

Het geldt niet voor alle straffen, zou ik willen toevoegen, we beschikken inmiddels over een uitgebreid arsenaal aan subtiele straffen. Wie kan kiezen tussen vierendelen en geannuleerd worden zal niet lang hoeven na te denken. Toch vraag ik me af of de subtiliteit van de straf de pijnlijkheid voor de betrokkene werkelijk vermindert. Mensen vergelijken zich met hun tijdgenoten, niet met voorouders die ze nooit hebben gekend.

Naarmate Sauer zich dichter over onze tijd buigt en hij de taal- en cultuuroorlogen begint te duiden waarover al veel is geschreven, nadert hij ongemerkt toch Nietzsche.

De taaloorlog, die werd geopend door een gedachtengoed dat ook met het label ‘woke’ wordt aangeduid, is in de ogen van Sauer een rechtvaardige oorlog die in de praktijk contraproductief kan blijken. Hij gaat niet in op de vraag hoe de rechtvaardigheid en de contraproductiviteit zich tot zijn eerdere betoog over moraalevolutie verhouden, en denkend aan onze taaloorlogen blijft het Nietzsche die het overtuigendst met hyperbolen smijt. Sauer speculeert tactvol dat deze oorlogen voornamelijk gevoerd worden door jonge, veelbelovende academici die geen uitzicht hebben op een goede baan, zonder daarmee hun nobele motieven te willen betwijfelen. Over twintig jaar zal woke een begrip zijn wat glasnost nu is en zij die nu geboren worden, zullen in 2045 denken dat woke een cocktail was die veel gedronken werd in de metropolen van het centrum van de wereld (ik kwam recentelijk een hoogopgeleide jongere tegen die dacht dat Gorbatsjov een cocktail was).

En passant slacht Sauer wat vooroordelen. Slavernij is mensonterend en immoreel, maar is niet of nauwelijks een verklaring voor economische groei. Kolonisatie is niet uitbuiting van het ene door het andere land, maar uitbuiting door twee bovenlagen in twee landen van de onderlagen in die landen. Uit onderzoek is gebleken dat mensen in markteconomieën minder egoïstische zijn en meer bereidheid hebben tot samenwerken met vreemden dan in andersoortige economieën. Oftewel, wie in het kapitalisme de bron van het kwaad ziet, heeft niet uit zij Source: Volkskrant

Previous

Next