Hoe is het mogelijk dat de jongen die haar zoon doodstak kort daarvoor een koksmes had gekregen van de groepsleiding in zijn jeugdgevangenis? De moeder van het slachtoffer, de 18-jarige Louc, was verbijsterd toen ze dat hoorde. Dat zei ze in februari, tijdens de rechtszaak tegen de veronderstelde dader Gerard S., die met Louc in een ‘leefgroep’ in de justitiële jeugdinrichting in Breda woonde.
S. stond bij zijn behandelaars in Den Hey-Acker in Breda bekend als zeer agressief en onvoorspelbaar, en hij had al eerder gedreigd iemand te gaan neersteken. ‘Hij was een tikkende tijdbom en mijn zoon is daar het slachtoffer van geworden’, was de harde conclusie van Loucs moeder.
Vier inspecties, waaronder die van Justitie en Veiligheid, publiceerden maandag twee onderzoeken naar de periode voorafgaand aan deze steekpartij en een eerder incident: een jonge gedetineerde uit Den Hey-Acker werd begin vorig jaar doodgeschoten door de politie, na een gijzeling en een vlucht.
Hoe kon het zo misgaan? Hoe kijken leidinggevenden van de Rijks Justitiële Jeugdinrichting (RJJI) terug op deze twee sterfgevallen? En wat leren ze ervan?
We spreken er eind juni over in Breda, met Hariët Pinkster, sinds twee jaar algemeen directeur van de RJJI, en Corinne Peeters, pedagogisch directeur. Peeters werkt al 25 jaar bij de RJJI, ze begon haar carrière in Den Hey-Acker, waar ze 22 jaar behandelcoördinator was. Ze doen hun verhaal in een kantoor in een monumentaal pand uit 1905, destijds een tuchtschool, nu een jeugdgevangenis.
‘We vinden het verschrikkelijk wat er is gebeurd in Den Hey-Acker’, zegt Hariët Pinkster (58). ‘Vooral voor de familie van die jongens, natuurlijk. Onze gedachten gaan naar hen uit. We zijn allebei moeder, je kind verliezen is het ergste wat er is. Daarom heeft de leiding van deze jeugdinrichting ook veel contact met de familie.’
Ze is terughoudend met persoonlijke details over betrokkenen, om privacyredenen en vanwege het lopende hoger beroep in de strafzaak van Gerard S. (19). Hij kreeg in maart acht jaar cel en tbs voor het neersteken van de 18-jarige Louc, die is geboren in Haïti en na zijn adoptie opgroeide in Enschede.
S. viel in april 2022 ineens een jongen op zijn leefgroep aan, met een koksmes dat hij mocht gebruiken om groente te snijden in de keuken. Het slachtoffer raakte gewond en rende weg. Louc probeerde S. tegen te houden, werd in zijn borst gestoken en overleed kort daarna. Twee groepsleiders kwamen met de schrik vrij.
‘Na dit incident merkten we dat medewerkers en jongeren angstig waren’, zegt Corinne Peeters (50). ‘Daarom hebben we onder andere een messenverbod ingevoerd op alle groepen, en in andere Rijks Justitiële Jeugdinrichtingen.’
Pinkster: ‘Die reactie begrijpen we heel goed. Voor het incident met deze jongen zaten messen hier in afgesloten kasten, op borden waarop we precies konden zien of alles na gebruik was teruggehangen. Gedetineerden kregen niet zomaar een mes, dat woog de groepsleiding per geval af. Onder meer op basis van iemands dossier en stemming. Het idee erachter is dat een mes gebruiken hoort bij de voorbereiding op een terugkeer in de samenleving. Het leven op zo’n locatie is zo normaal mogelijk.’
Peeters: ‘Het is nog steeds van kracht, of dat zo blijft is nog onderwerp van gesprek. Dit is een dilemma dat ons voortdurend bezighoudt en eigenlijk de kern van het werk op dit soort locaties is: waar leggen we de balans tussen behandeling, begeleiding, onderwijs en veiligheid?’
Den Hey-Acker is een van de zes justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) in Nederland, twee particuliere en vier van het Rijk. Ze bieden plaats aan 550 gedetineerden van 12 tot grofweg 24 jaar, onder wie een klein aantal meiden (3 procent).
Het leven in een JJI verschilt enorm van een verblijf in een ‘gewone’ gevangenis voor volwassenen. In het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind staat namelijk dat een kind, ook als je het opsluit, onderwijs, een behandeling en zorg moet krijgen. Alles dient gericht te zijn op vrijlating en re-integratie in de samenleving. Dat geldt ook voor jongvolwassenen, van 18 tot 24, omdat hun brein niet volgroeid is en ze minder goed overzien wat de consequenties van hun daden zijn.
Pinkster: ‘Veiligheid is een basisvoorwaarde om een behandeling vorm te geven. Dus als de inspectie zegt: laat tijdens gesprekken over jonge gedetineerden de beveiliging veel duidelijker een rol spelen, dan omarmen wij dat. Uiteindelijk bepalen de Tweede Kamer en de minister wat ons beleid is, en voeren wij dat uit.’
De incidenten in Den Hey-Acker staan niet op zichzelf. Eind vorig jaar publiceerden de Inspectie Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs en de Nederlandse Arbeidsinspectie een vernietigend rapport. In jeugdgevangenissen is sprake van een structureel tekort aan geschikte plaatsen en personeel, constateerden ze, waardoor gedetineerden op wachtlijsten staan voor een geschikte plek. Ook lukt het, vooral in de zomer, niet te voldoen aan de wettelijke eisen voor dagprogramma’s: minstens 77 uur buiten de kamer, voor onder andere sport. Doordat medewerkers ‘onvoldoende tijd hebben om de jongeren te leren kennen en hun stemming te peilen’ is de veiligheid niet op orde.
Dat bleek onder meer in januari 2022. Toen gijzelde een 21-jarige gevangene twee werknemers van Den Hey-Acker die hem kwamen ophalen van verlof, met een auto. Hij haalde een vuurwapen tevoorschijn en dwong hen naar België te rijden, waar de twee werden vrijgelaten. Even later reden agenten de jongen klem en schoten ze hem dood.
Minister Franc Weerwind (Rechtsbescherming) heeft ingegrepen. Op elke afdeling van acht tot tien gedetineerden in een jeugdgevangenis staan sinds 1 april dit jaar niet langer twee groepsleiders, maar drie.
‘Daar zijn we heel blij mee’, zegt Peeters. ‘Er is daardoor meer ruimte om met jongeren aan de slag te gaan en gestructureerd met elkaar te overleggen. Na incidenten blijkt vaak dat personeelsleden kleine dingen hebben opgemerkt over de jongere in kwestie, maar die niet hebben besproken met anderen. Dat moet veranderen.’
Peeters: ‘Ik wil corona niet als excuus gebruiken, maar het is een heel zware periode geweest. Veel van onze mensen moesten in quarantaine, maar we konden jongeren niet in hun kamer opsluiten. We moesten doorgaan. Na corona hadden we – mede daarom – veel ziekteverzuim, uitstroom van personeel en vacatures. Alles stond onder druk, en dat kan eigenlijk niet, met zulk complex werk.’
Pinkster: ‘Gelukkig lukt het om steeds meer personeel te werven. In januari hadden we genoeg vaste mensen om 675 arbeidsplaatsen te vullen in de vier JJI’s van het Rijk, nu zitten we op 735. Er zijn nog vacatures, die vullen we met flexpersoneel. We zijn selectief, want dit werk is topsport.’
Peeters: ‘Sommigen waren alleen boos, omdat ze daarna waren opgesloten in hun kamer (een soort cel, red.). Anderen waren erg ontdaan. We hebben meteen gezorgd voor nazorg, voor iedereen.’
‘Ja, dat vind ik geweldig. Ook omdat het vanuit de jongeren zelf is gekomen, ze hadden behoefte aan een ritueel. Voor de ouders van het slachtoffer is het heel mooi, ook dat er een plek is ter nagedachtenis van hun zoon. Sommige jongens gaan bewust even bij die boom zitten.’
Peeters: ‘Ja. Toen ik nog behandelcoördinator was in Den Hey-Acker, hadden we een mix van jongeren met opvoedproblemen en gedetineerden met psychiatrische problemen. De laatste vijf jaar komt vooral de laatste groep hier: gedetineerden met narcistische of antisociale persoonlijkheidsstoornissen. Het is heel moeilijk met zulke jongens te werken. We zien veel wantrouwen, arrogantie, bedrog, manipulatie, lage IQ’s en dramatische schoolcarrières. En de nodige agressie.’
‘Ik geloof niet dat het beter zal gaan als je die aanpak hanteert. Maar als er wetenschappelijk onderzoek verschijnt dat daarop wijst, gaan we er natuurlijk naar kijken. Voor jongeren is het van groot belang dat er dag- en avondprogramma’s zijn, met onderwijs, therapie, noem maar op. Daar kunnen we het verschil maken. Soms krijgt de groepsleiding jaren later een kaartje, waarop staat dat zo’n jongen een gezin heeft, en een baan of een diploma. Daar kunnen we een half jaar op teren.’
‘Nee, niet zo vaak als we willen. Je krijgt zelden een compliment van een gedetineerde. Maar als ik ze later tegenkom, zeggen ze soms toch: ‘Ik was een pain in the ass, maar al die pogingen die jullie deden waren eigenlijk goed voor me.’’
Pinkster: ‘Ja. Vroeger hadden we hier jongens als Ciske de Rat, nu de zware criminelen van morgen. We kunnen het ons niet veroorloven achter die trend aan te lopen, we spelen erop in. We gebruiken bijvoorbeeld drones en denken na over ‘overgooi-detectie’, om in te grijpen als er drugs of telefoons over het hek worden gegooid. Al blijft het een kat-en-muisspel.’
Peeters: ‘Er zijn momenten dat ik denk: gaan we deze strijd ooit winnen? Maar dat is niet de juiste vraag. We gaan er gewoon voor, elke dag.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale con Source: Volkskrant