Home

‘Ik heb behoefte aan een boos volk’

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Dilan Yesilgöz-Zegerius | Justitieminister De minister mist in Nederland de urgentie voor de aanpak van georganiseerde drugsmisdaad en ziet Italië als voorbeeld. „Na de moord op Peter R. de Vries dacht ik: wat moet er nou nog meer gebeuren?” Over vrijheid, hogere straffen, de kroongetuige en een boos volk.

Nieuws in het kort

Minister Dilan Yesilgöz-Zegerius (Justitie en Veiligheid, VVD) komt met scherpere maatregelen voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad, geïnspireerd op de Italiaanse anti-maffia-aanpak. Dat schrijft ze maandag in een uitgebreide brief aan de Tweede Kamer.

Het kabinet wil de komende jaren structureel investeren in de recherchecapaciteit, zodat die gerichter criminele machtsstructuren kan opsporen en breken, in plaats van de opsporing en vervolging alleen te focussen op individuele kopstukken.

Er is een wetsvoorstel in voorbereiding voor een snellere en kortere afhandeling van strafprocedures tegen verdachten. Deze wet moet regelen hoe het OM en de verdediging afspraken kunnen maken over bijvoorbeeld de strafbare feiten die ten laste worden gelegd, de wensen van de verdediging voor het strafonderzoek en de uiteindelijke strafeis.

De kroongetuigenregeling wordt verbeterd. Of er een kroongetuigenwet naar Italiaans voorbeeld gaat komen „is nog niet beslist”, zegt Yesilgöz tegen NRC. Wel staat vast dat er een onafhankelijke commissie wordt ingesteld die moet toetsen of de afspraken tussen het OM en de kroongetuige binnen nieuwe, nog vast te stellen, kaders passen.

De maximum straf voor zware drugsdelicten moet hoger: voor het aanwezig hebben van harddrugs van zes naar acht jaar, voor de handel en productie van harddrugs van acht naar twaalf jaar, voor de in- en uitvoer van harddrugs van twaalf naar zestien jaar en voor het voorbereiden van harddrugsdelicten van zes naar acht jaar.

„Vraag aan je collega’s om geen foto uit te zoeken waar ik te vrolijk opsta”, zegt Dilan Yeşilgöz-Zegerius tegen de NRC-fotograaf, nadat ze in de hal van haar ministerie is geportretteerd. „Daar is het onderwerp te serieus voor”, aldus de VVD-minister van Justitie en Veiligheid.

Het is een kwinkslag die haar typeert. Ze snapt hoe beeldvorming werkt, is zelfbewust en houdt zich ogenschijnlijk gemakkelijk staande in moeilijke dossiers, zoals het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) naar de drie moorden in de kring rond Nabil B., kroongetuige in de strafzaak tegen Ridouan Taghi.

„Dit is waarschijnlijk de mooiste baan die ik ga doen in mijn leven”, zegt de 46-jarige Yeşilgöz in haar werkkamer op het ministerie. De foto’s aan de muur van de hoofdstad en een Ajax-boek op de koffietafel maken voor iedereen duidelijk dat Yeşilgöz zich Amsterdamse voelt, in de hoofdstad werkte ze voor burgemeester Eberhard van der Laan en was ze gemeenteraadslid.

Ook over haar drijfveer laat ze weinig twijfel bestaan. „Voorwaarden scheppen om Nederland veilig te houden, zodat brandweer, politie en al die andere handhavers hun werk kunnen doen. Dankzij hen kan iedereen veilig en in vrijheid leven.”

Yeşilgöz benadrukt dat veiligheid en vrijheid niet vanzelfsprekend zijn. Het besef daarover „hoort bij mijn levensverhaal en hoe ik ben opgevoed”. Ze vluchtte op jonge leeftijd met haar ouders naar Nederland, vanwege hun actieve rol in de Koerdische mensenrechtenbeweging. „Als minister heb ik elke dag te maken met mensen die hun vrijheid volledig kwijt zijn omdat ze bedreigd worden door de georganiseerde misdaad: advocaten, journalisten, rechters en officieren van justitie. Voor de manier waarop zij desondanks doorgaan, heb ik intense bewondering, maar in gesprekken met hen voel ik ook de pijn over het verlies van vrijheid.”

U bent nu anderhalf jaar minister van Veiligheid en Justitie. Hoe ervaart u het verschil met uw vorige functies als VVD-lid van de Tweede Kamer en de Amsterdamse gemeenteraad?

„Ik heb me voorgenomen niet opeens heel anders te gaan doen. Als Kamerlid wilde ik benaderbaar zijn, dat hoort bij een volksvertegenwoordiger. En als minister wil ik benaderbaar blijven. Maar ik heb nu wel een andere verantwoordelijkheid. Er zijn vaker dingen waar ik niet op kan ingaan, omdat mijn woorden een rol kunnen gaan spelen, bijvoorbeeld in een strafzaak. Daar heb ik aan moeten wennen. Maar ik beheer nog altijd mijn eigen accounts op sociale media. Als ik naar een concert van Beyoncé ben geweest, kun je dat zien op mijn Instagram. Ik wil zoveel mogelijk in gesprek zijn met de mensen in het veld, maar ook met gewone burgers. Wat dat betreft heb ik misschien een ander profiel dan de meest van mijn voorgangers.”

Over verschillende profielen gesproken: hoe is het om als niet jurist leiding te geven aan dit ministerie?

„Ik wist natuurlijk dat op dit ministerie traditiegetrouw een jurist de leiding heeft. Dat was voor mij geen reden om te twijfelen. Onderschat worden is een fijne uitgangspositie. Dat is mijn stelling en dat heb ik al vaak meegemaakt. En natuurlijk snap ik het belang van een juridische achtergrond voor dit ambt. Wetgeving is heel complex. Daarom werken op dit ministerie ook veel heel goede juristen. Maar voor mij als minister vind ik het net zo belangrijk dat ik Kamerlid ben geweest. Als er een brief over de politie naar de Kamer gaat, wil ik dat iedere politieagent die brief begrijpt. Ik vind dat het bij mijn werk als minister hoort om te zorgen dat de gemiddelde Nederlander kan begrijpen wat we hier doen.”

Er is binnen en buiten de politie veel kritiek op het nieuwe kledingvoorschrift, waardoor bijvoorbeeld hoofddoeken en keppeltjes niet meer mogen. Tegelijkertijd worstelt de politie met een hele serie incidenten waarbij collega’s en burgers racistisch zijn bejegend. Wat vindt u van de wijze waarop de korpsleiding daarmee omgaat?

„Er is vooral veel steun. Maar natuurlijk is niet iedereen ermee eens, ook dat is waar. Je kunt niet van alle bijna zeventigduizend politiemensen verwachten dat ze hetzelfde denken. Racisme, discriminatie en uitsluiting aanpakken vormt een grote maatschappelijke opgave, ook voor de politie. In het verleden was er niet altijd voldoende aandacht voor binnen de organisatie. Ik zie echter dat de politie een grote verantwoordelijkheid voelt om dat aan te pakken. Hiervoor is een cultuuromslag noodzakelijk, die inmiddels in gang is gezet. Goed leiderschap houdt in dat er ook naar wordt gehandeld als het fout gaat. Niet relativeren, bagatelliseren. Er moeten direct zichtbare consequenties zijn. Dit staat los van de neutraliteit die hoort bij een politie-uniform.”

Maandag stuurde het ministerie van Justitie en Veiligheid een lange brief naar de Tweede Kamer over scherpere maatregelen voor de bestrijding van georganiseerde misdaad, mede op basis van uitvoerig onderzoek naar de Italiaanse aanpak van de maffia. De eensgezinde afkeuring en aanpak door de Italiaanse samenleving en overheid is „de belangrijkste les” die wordt getrokken, schrijft Yeşilgöz. Komende jaren wordt structureel geïnvesteerd in de recherchecapaciteit voor het breken van machtsstructuren binnen criminele organisaties, in plaats van de opsporing vooral op individuele kopstukken te richten. Voor een snellere strafprocedure wordt een wetsvoorstel voorbereid dat afspraken over het strafproces tussen het OM en de verdediging van verdachten moet regelen. Zulke procesafspraken gaan in belangrijke mate over het soort strafbare feiten waar iemand van wordt verdacht, specifieke onderzoekswensen binnen het strafonderzoek en de uiteindelijke strafeis. Tegelijkertijd moet het strafmaximum voor zware drugsdelicten worden verhoogd.

In uw brief kondigt u aan dat er wetgeving komt voor procesafspraken waarbij verdachten met het OM afspraken maken over de hoogte van hun straf. Kort gezegd: als ze afzien van tal van verzoeken voor de rechtsgang krijgen ze een lagere straf. Staat dit niet haaks op het voornemen om hoger te straffen?

„Nee. Er is binnen de rechtspraak zelf een beweging op gang om die procesafspraken te maken. Dat heeft te maken met de grote hoeveelheid zaken die zich ophopen bij rechtbanken. Inmiddels heeft de Hoge Raad gezegd dat die afspraken gemaakt mogen worden op voorwaarde dat, kort door de bocht, de rechter altijd het laatste woord heeft. Wij willen nu kijken of we dat nog iets beter vorm kunnen geven en dat heeft te maken met een van de lessen die we van Italië over willen nemen. Daar kijken ze in drugszaken altijd naar het hele netwerk van betrokkenen. Dus niet alleen de baas, maar ook de uithalers die voor hem het vuile werk doen. Dat is ook een aanpak waar het OM en de recherche mee zijn begonnen: machtsstructuren aanpakken en breken. Het gevolg van die aanpak is wel dat je veel meer mensen voor de rechter moet brengen.”

Rechters zijn best kritisch op procesafspraken. Hoe wilt u het geluid van rechters meenemen?

„Dat weeg je altijd. Ook bij de aanpak van georganiseerde misdaad moeten wij als ministerie luisteren naar onze mensen in het veld. Als procesafspraken kunnen helpen bij die netwerkaanpak omdat daarmee zaken met een groot aantal verdachten sneller en soepeler kunnen worden afgehandeld, dan moeten we dat doen.

„Als wij daar als minist Source: NRC

Previous

Next