Alles was vredig voordat de noodzaak tot ontspullen zich manifesteerde in geest en lichaam van mijn vrouw. Meteen daarna was het alle hens aan dek. Als bezeten begon zij lang vergeten zooi uit lang vergeten hoeken te sleuren en kwakte die voor mijn voeten. ‘Jouw zooi’, benadrukte ze. Voor de vorm mocht ik er ‘nog even doorheen’.
Weerstand ontvlamde, verzet stak de kop op. Omdat ik wel wist dat ik mijn dierbare spulletjes niet van de vuilstort ging redden met steekhoudende argumenten (‘Drie kapotte cassettedecks zijn juist heel handig!’) wees ik haar op het grotere plaatje: wij hebben een berging en ruimte zat. ‘Waarom moet er überhaupt iets weg?’
Met opgetrokken wenkbrauwen schoof zij een doos mijn kant op. ‘Hierom misschien?’ Bovenop lagen de restanten van een verjaardagstaart die blijkens de halfvergane kaarsjes dertien jaar oud was. ‘O, dáár is-ie eindelijk!’, probeerde ik nog, maar ik weet wanneer mijn lieftallige mij heeft verslagen.
Source: Volkskrant