Home

Jan en Wiesje (beiden 100 jaar): ‘Mijn beste besluit is met jou trouwen. We hebben een heerlijk leven gehad’

Jan de Flines en Wiesje de Flines-Brabander zijn beiden 100 jaar. Hoe kijkt dit echtpaar terug op de eeuw die achter hen ligt en wat vinden zij van het huidige tijdsgewricht?

Voor zover precies valt na te gaan, zijn Jan de Flines en Wiesje de Flines-Brabander een uniek echtpaar in Nederland: ze zijn beiden 100 jaar en al 84 jaar samen, waarvan 76 jaar getrouwd. Tijdens het interview zitten ze naast elkaar, luisteren aandachtig naar de ander en vallen elkaar niet één keer in de rede.

Hij: ‘Met mate leven. Niets te veel doen.’

Zij: ‘Nou, ik heb veel gesport en ook competities gespeeld, tennis en golf.’

Hij: ‘Ja, maar je hebt niet als een idioot gesport. We hebben weleens een meningsverschil, maar alleen over kleine dingen. Of we linksaf of rechtsaf zullen gaan, en dan gaan we rechtdoor.’

Zij: ‘Ik ben blij dat hij er nog is.’

Hij: ‘En omgekeerd. We leven samen in blessuretijd.’

Hij: ‘Bewegingsvrijheid.’

Zij: ‘Autorijden, sinds mijn val drie jaar geleden kan het niet meer. We zijn nu afhankelijk geworden van anderen.’

Hij: ‘Dan hadden we maar geen 100 moeten worden.’

Hij: ‘De toename van de welvaart na de oorlog. De meerderheid van de bevolking heeft een prettiger leven gekregen en ervaart meer geluk. Veel mensen realiseren zich in deze tijd niet dat Nederland een van de beste landen is om te leven, met alles wat er ook misgaat. Kijk om je heen: naar Rusland, Iran, Soedan en al die andere landen waar je in de gevangenis terechtkomt als je je mond opendoet.’

Zij: ‘Of waar het oorlog is, zoals in Oekraïne.’

Hij: ‘Het grote gevaar is als een massa iets anders wil en de boel verstiert.’

Zij: ‘Ik vind wel dat de samenhang van vroeger weg is, mensen zijn meer met zichzelf bezig en minder met wat goed is voor ons allemaal, zoals het klimaat.’

Hij: ‘Onze kennis is de afgelopen eeuw natuurlijk ook groter geworden, zeker op medisch gebied. Daarmee creëren we het probleem dat we steeds ouder en hulpbehoevender worden. Ik voorzie dat er niet genoeg mensen zullen zijn om alle ouderen te verzorgen. Dat vraagt om toelating van vluchtelingen, zeg ik nu vals.’

Hij: ‘Omdat de komst van vluchtelingen als een probleem wordt gezien, terwijl we ze nodig hebben om ons te helpen. Ik ben voor quota voor mensen die iets kunnen wat onze samenleving nodig heeft. Krijg dat maar eens voor elkaar.’

Hij: ‘Op het Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Den Haag, in 1939. We waren 16 toen we verkering kregen. Ik zat een klas hoger, op de lagere school had ik een klas overgeslagen. Ik vond Wiesje er leuk uitzien.’

Zij: ‘Ik jou ook, en je was sportief. Jij deed bèta, ik alpha.’

Hij: ‘We vonden elkaar aardig, gingen samen naar feestjes en dansles, en kwamen bij elkaar thuis.’

Zij: ‘Onze dansleraar Rocco du Bois stond ons op de tafel te dirigeren. Heel apart. De meisjes stonden in een rij aan de ene kant van de zaal en de jongens aan de andere kant. Na zijn instructie zei Du Bois tegen de jongens: ‘En neem nu een poppetje in de armen.’ En dan rénden de jongens naar de leukste meisjes.’

Hij: ‘Onze band werd sterker tijdens de oorlog, want toen kwamen de moeilijkheden. Vooral in de Hongerwinter kwamen we dichter bij elkaar. Reken maar dat we honger hebben gehad. Er waren alleen tulpenbollen en suikerbieten om te eten.’

Zij: ‘En een winterpeen. Jouw moeder was ontzettend flink, van niet zeuren maar doen. In de Hongerwinter besloot ze lopend naar Schiedam te gaan om eten te halen bij een gezin dat ze kende. Ik ging met haar mee. Het was een dag lopen met een slee door de sneeuw. De volgende ochtend keerden we terug. Het voedsel verdeelden we over onze gezinnen.’

Hij: ‘We hielpen elkaar.’

Zij: ‘Jij bent nog opgepakt.’

Hij: ‘Ik studeerde scheikunde. Vanaf april 1943 mochten studenten alleen colleges blijven volgen als ze een loyaliteitsverklaring van de Duitse bezetter ondertekenden. Dat deed ik natuurlijk niet. Wie niet tekende, moest in Duitsland werken. Ik dook onder, maar meldde mij toch toen er werd gedreigd met arrestatie van familieleden. Ik kwam terecht in een kartonfabriek in Küstrin, dat ligt nu in Polen. Na een halfjaar kreeg ik een paar weken verlof en kwam via Berlijn, waar zware bombardementen waren, in november ’43 terug in Nederland. Ik dook meteen onder, tot het eind van de oorlog.’

Zij: ‘Je moeder had je als vermist opgegeven, ‘waarschijnlijk omgekomen in Berlijn’, zei ze.’

Hij: ‘Ik dook eerst onder bij jullie op de flat. Daar heeft iemand mij verraden. Het was vrijdagavond toen ik werd opgepakt en ondervraagd door een Hollander die bij de Duitse Sicherheitsdienst werkte. Hij had geen zin in alle bureaucratie van de moffen, en zei: ‘Ga maar naar huis.’ Daar bofte ik mee. Ik was wel bang, want op mijn vervalste persoonsbewijs stond dat ik pianoleraar was, terwijl ik geen noot kon spelen. En er stond een piano in de ruimte, maar hij vroeg mij alleen iets te vertellen over muziek. Ik wist over Bachs gebruik van het contrapunt en dat vond hij prachtig.’

Zij: ‘Ja, dat hebben ze heel knap gedaan. Onze vaders zijn jong gestorven. Jij was 9 en ik was 12. Mijn moeder had hulp van haar zus, die na het overlijden van mijn vader, een ondernemer, bij ons kwam inwonen.’

Hij: ‘Mijn vader was keel- neus- en oorarts en in de 50 toen hij stierf. Mijn moeder werd voor de tweede keer jong weduwe. Ze stond er alleen voor met drie kinderen, onder wie mijn halfbroer uit haar eerste huwelijk. Mijn broertje kreeg een hersenvliesontsteking en werd daarna achterlijk. Ze bracht hem naar een inrichting, waar hij in 1945 stierf van de honger.’

Zij: ‘Ik heb veel van hem geleerd, hij weet erg veel, vooral van biochemie. Bij mij is het nooit gekomen van studeren. Na het gymnasium zei mijn moeder: ga maar Schoevers doen, daarna ging ik als secretaresse op een kantoor werken. Zodra we in 1947 gingen trouwen, werd ik ontslagen, terwijl mijn man nog bezig was met afstuderen. Ik had graag rechten gestudeerd om bij de rechterlijke macht te kunnen werken. In 1949 kwam het hoogtepunt in mijn leven: toen werd Egbert geboren. Daarvoor had ik veel miskramen gehad.’

Hij: ‘Mijn vrouw heeft mij altijd bijgestaan. Het is belangrijk dat je je in je werk gesteund voelt door je vrouw. Is je huwelijk slecht, dan werkt dat belemmerend. Ik wist dat ze geen idioterie uithaalde, dus geen andere vriendschappen sloot.’

Zij: ‘Ik had wel veel vriendinnen met wie ik ging tennissen en wandelen, ik zat in het bestuur van de Huishoudschool en Arbeid Adelt. We hebben ook veel gereisd samen.’

Hij: ‘Je ging vaak met mij mee op zakenreis naar het buitenland, zoals naar Japan, waar het wordt gewaardeerd als een zakenman zijn vrouw meeneemt, die vervolgens in een hoek wordt gezet. Ik was research-directeur bij de Koninklijke Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek in Delft, dat later opging in Gist Brocades (nu DSM, red.). In Japan ging ik bedrijven langs om reclame te maken voor onze waspoeder met enzymen waarmee je bloedvlekken kunt verwijderen. Dat was nieuw.’

Zij: ‘De ontdekking en ontwikkeling van antibiotica.’

Hij: ‘Zonder meer. De huidige penicilline is niet alleen door een schimmel gemaakt, zoals in het begin. Amoxicilline is nu de meest voorkomende penicilline en een huis-tuin-en-keukenmiddel geworden. Aan deze ontwikkeling heb ik mijn steentje bijgedragen, en ook aan de ontwikkeling van nieuwe steroïden – die pijn verlichten bij artrose bijvoorbeeld – maar dat is een erg biochemisch verhaal.’

Hij: ‘Als u pen en papier heeft, schrijf ik hem voor u op.’ (Hij laat hem zien aan zijn zoon, die apotheker is: het klopt.)

Zij: ‘Hij heeft een stropdas met deze formule.’

Hij: ‘Ik droeg hem vorige week op jouw 100ste verjaardag.’

‘Hij: ‘Na drie jaar in mijn eerste functie bij Gist had ik het wel gezien. Ik werkte in het bedrijfsservice laboratorium, elke dag was hetzelfde. Ik vroeg de directeur om een andere functie, maar kreeg ‘nee’ te horen. Dan ga ik elders solliciteren, zei ik. Ik vond snel een baan bij het grote laboratorium van Unilever. Toen ik dat mijn baas bij Gist vertelde, kon ik ineens hoofd van het biochemisch lab worden. Ik kreeg de hele chemie onder mij en kon naar buiten om contact te leggen met bedrijven om onze producten onder de aandacht te brengen. Daarna werd ik research-directeur en uiteindelijk lid van de raad van bestuur. Mijn beste besluit ooit was dus elders solliciteren, zodat ik bij Gist kreeg wat ik wilde.’

Zij: ‘Mijn beste besluit is met jou trouwen. We hebben een heerlijk leven gehad.’

Hij: ‘Dankjewel.’

geboren: 5 april 1923 in Den Haag, 23 juni 1923 in Semarang, Java

wonen: zelfstandig, in Wassenaar

beroep: biochemicus, secretaresse

familie: een zoon, drie kleinkinderen, zes achterkleinkinderen

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust u Source: Volkskrant

Previous

Next