Home

Er is geen ingewikkelder woord dan croissant, ik bestel nog liever een fles Worcestershiresauce

Ik had een afspraak in Amsterdam. De trein ernaartoe was op tijd, ergens op de grachten zong Prince uit een open raam en al slenterend had ik gezien wat Amsterdam tot Amsterdam maakt, bezig met uiterlijkheden, sociale ranking, materiële waarden, maar ook een oneindig uitvouwen van levens, het ene nog wonderlijker dan het andere.

Vanaf mijn stoeltje op een stoep bestelde ik een dubbele espresso, nog geen vijf minuten later arriveerde mijn afspraak. Op een racefiets, ik wist niet of ik die ironisch moest zien. Een opmerking maken leek me niet slim, we kenden elkaar nog niet zo lang – de vraag zou net zo goed een vorm van erkenning als een aanval kunnen zijn.

Ze gooide haar tas op de grond, vertelde over haar vakantie (met fiets en vader naar Frankrijk), ergens halverwege voelde ik mijn maag rommelen, dus toen de serveerster kwam zei ik: ‘Ik wil graag nog een dubbele espresso en een...’

Croissant, ik wilde croissant zeggen.

Er is geen ingewikkelder woord dan croissant, ik bestel nog liever een fles Worcestershiresauce. Met het uitspreken van het woord croissant begeef je je in een sociaal mijnenveld: de manier waarop identificeert je, en als dat het niet doet dan ontmaskert het je wel. Croissant uitspreken op zijn Frans, om te beginnen, dus als krwa-sâh, met dat bekbrekende begin en zonder t, is geen optie, je zegt ook niet dat je een weekendje naar Paris gaat of dat je een occasion op het oog hebt, een tweedehands autootje, dat is je reinste aanstellerij, tenzij je Adriaan van Dis bent, die is zo uit de baarmoeder gekomen. Ik niet, ik kom uit een Zaanse baarmoeder en als je daar over krwa-sâhs begint lig je er onmiddellijk uit. Op zijn Hollands dan – doe mij maar een kressant – kán, zou ik in mijn eentje hebben gedaan, maar ik wás niet in mijn eentje, ik was met iemand die zojuist van haar racefiets was gestapt, ze had ook al een T-shirt aan van een voetbalclub in combinatie met brogues en een Versace-bril, een en al ironie dus, of misschien ook niet, ik was er niet zeker van, ik spreek die taal niet meer, maar ze was in ieder geval stads, zoveel wist ik wel, niet het type dat me zou uitlachen maar wél Amsterdams, geboren en getogen, tien jaar jonger en ambitieus, we zouden misschien gaan samenwerken maar misschien ook niet, alles was nog niet gewonnen.

De seconden tikten weg, ergens verderop drilde een boor door het beton.

Er een croissantje van maken, schoot het door me heen, zo kon ik dat moeilijke eind met die stomme T omzeilen, al kwam je in ruil daarvoor wel terecht op het glibberige pad van de verkleinwoorden, vaders en moeders die het hebben over kindjes, de styliste op televisie die sprak over een leuk broekje, meidenavond waarop wijntjes werden gedronken, nee nee, het verkleinwoord zou me definitief brandmerken als buitenstaander. De croissant was een afgrond geworden die me volkomen had opgeslokt, en nóg had ik niet gezegd wat ik zeggen wilde.

De serveerster bood uiteindelijk soelaas, ze sprak Engels. Even later plukte ik van een krwa-sant die ik op z’n Frenglish had besteld, met een Frans begin en een Engels einde, een zooitje, zeker, maar niemand had er iets van gezegd of het überhaupt opgemerkt, want ook dat is Amsterdam, je denkt dat ze met jou bezig zijn maar je bent niemands main character, om het maar eens in goed Nederlands uit te drukken.

Source: Volkskrant

Previous

Next