Al ruim 20 jaar verricht wintipriesteres Marian Markelo, oftewel Okomfo Nana Efua, het rituele plengoffer bij de jaarlijkse slavernijherdenking in Amsterdam. Of ze vindt dat we vooruit zijn gegaan? ‘Je zou kunnen stellen dat slavernij een stip is geworden in het Nederlandse zelfbewustzijn.’
14 jaar was Marian Markelo toen ze tegen haar vroom-christelijke moeder zei dat ze niet meer naar de kerk zou gaan. ‘De dominee kan het me niet uitleggen: waarom is God een witte man? Waarom zou hij zwarte mensen anders behandelen en in armoede laten leven?’ Markelo stelde het leven vragen die andere mensen in het Surinaamse bauxietstadje Moengo in de jaren zestig niet stelden.
Het waren die vragen die Markelo (68) uiteindelijk leidden naar wie ze nu is: de imposante wintipriesteres die bij de jaarlijkse slavernijherdenking in het Oosterpark in Amsterdam het plengoffer brengt. Ze sprenkelt water uit een kalebas op de aarde, zingt een lied en richt zich tot de voorouders, goden en natuurgeesten uit het wintigeloof. Winti, letterlijk ‘wind’, is een Afro-Surinaamse religie die is ontstaan in de gemeenschappen van tot slaaf gemaakten op de plantages.
Over de auteur
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant met bijzondere aandacht voor cultuur, literatuur en de Surinaamse en Caribische koloniale geschiedenis.
Sterre Lindhout schrijft voor de Volkskrant over Suriname, het Caribisch gebied en de VS. Ook volgt ze de ontwikkelingen op het gebied van globalisering en wereldhandel. Hiervoor was ze correspondent Duitsland.
Marian Markelo gaat privé door het leven als Nana Efua, haar gekozen Afrikaanse naam, die ‘geboren op vrijdag’ betekent. Ze zit klaar in de deuropening van haar rijtjeshuis aan de rand van Den Haag, met op haar hoofd een hagelwitte Afro-Surinaamse hoofddoek, een angisa, en daaronder een jurk met een print in terracotta en fel turquoise.
Imposant is Markelo vanwege haar rijzige gestalte van 1,86 meter, maar vooral door de onverzettelijkheid die ze uitstraalt. Ze gaat voor naar de huiskamer, waar wierook geurt en die tjokvol staat met memorabilia, beelden en kaarsen. Aan de muur hangt een poster met het beeld van wintigodin Mama Aisa, Moeder Aarde, dat in de Bijlmer staat. In het typisch Nederlandse lapje tuin staat een soort bouwkeet. ‘Mijn wintikantoor.’
‘Ik vind het goed dat bestuurders en instellingen mij bellen, want ik ben deskundige. Ik ben niet zoals die nieuwe bloemen en vogels pas net met het dossier bezig, ik begon al toen ik 14 jaar oud was.’
‘Ik doel op de mensen, jonge en oude, witte, zwarte, die zich nauwelijks op een manifeste manier met de geschiedenis of voorouders hebben beziggehouden en toch plotseling slavernijdeskundige zijn. Ja, dat valt me op.’
‘Het is goed. Hoe meer uitdragers van het verhaal, hoe beter. Maar je moet wel de beschaving kunnen opbrengen om erkenning te geven aan de mensen die het werk ervoor gedaan hebben. Want ze springen op een boot en ik vraag mij af: waar waren deze mensen toen die boot aan het varen moest worden gebracht?’
Markelo begint namen te noemen, van Afro-Surinaamse activisten die haar voorgingen, mensen die al tegen de stroom in durfden te bewegen toen Nederlandse ‘onverschilligheid en ontkenning’ de boventoon voerden. Schamper: ‘Het viel allemaal wel mee, met dat slavernijverleden, werd er gezegd. Ook door journalisten. Alsof we zeurders waren die maar banen moesten gaan zoeken. Terwijl wij allemaal voltijds werkten. De bagger die ze over ons hebben gegooid, zuster! Maar ze hebben ons niet klein gekregen.’
Zelf trok Markelo een jaar of dertig geleden op met mensen als NiNsee-oprichter Barryl Biekman, die als activiste betrokken was bij de oprichting van een slavernijmonument en nationale herdenking op 1 juli. Ze waren lid van de Afro-Surinaamse vrouwenbeweging Sophiedela. Ook zaterdag zal Markelo bij de herdenking weer ‘de namen’ noemen. Van voormoeders en -vaders, maar ook van mensen die nog leven. Want ‘zonder hen, waren we niet waar we nu zijn’.
(Verbaasde frons) ‘Door wie? Door mezelf.’
In haar familie viel het woord ‘winti’ zelden. Een oma die ze er eens naar vroeg, riep uit: ‘Kind, waar heb je dat geleerd, je kunt geen twee goden dienen.’
Winti werd in 1776 door de koloniale overheid tot ‘afgoderij’ verklaard en strafbaar gesteld, en bleef tot 1971 verboden. De rituelen en tradities overleefden eeuwenlang ondergronds, verborgen in de spelonken van het bewustzijn van christelijke Afro-Surinaamse gemeenschappen. Ook na opheffing van het verbod bleven veel Surinamers volgens Markelo zo ‘christelijk geïndoctrineerd’ dat ze winti beschouwden als iets wat het daglicht nauwelijks kon verdragen.
Maar Markelo vroeg stug door, tot een paar tantes hun nieuwsgierige nichtje wel wilden inwijden in bepaalde rituelen, zoals wassingen, liederen en het bereiden van speciale maaltijden. Niet thuis, maar op een plek ver weg in het bos. ‘De dominee zegt dat het niet goed is, maar we weten wat we doen, zeiden ze.’
Later nam een oom die in Amsterdam studeerde het eerste proefschrift over winti voor haar mee, geschreven door de Surinamer Charles Wooding in 1972. Vanaf dat moment was winti haar levensfilosofie. Op haar 24ste werd Marian Markelo na een traject van jaren gewijd tot okomfo, wintipriesteres.
‘Omdat winti onlosmakelijk verbonden is met verzet tegen slavernij en onderdrukking, is het voor mij meer dan een religie’, zegt ze. ‘Het is een keuze voor eigenheid en emancipatie, voor in contact staan met waar je vandaan komt.’
Markelo heeft zichzelf tot missie gesteld de religie van haar voorouders, die ze zelf als rebelse tiener ontdekte, door te geven aan volgende generaties nazaten van tot slaaf gemaakten. ‘Aan de Afrikaanse, Surinaamse en Nederlandse millennials die zich van Rutte moeten invechten en daarbij wel ruggesteun van de voorouders kunnen gebruiken.’ Markelo’s eigen levensverhaal laat zien hoe ver bewustwording, emancipatie en gevoelde ruggesteun iemand kunnen brengen.
Terug naar Moengo, waar Markelo eind jaren zestig op de mulo leerde over Nederland en Europa, over zeevaarders, gure winters en verlichtingsfilosofen. De oudste uit een gezin van zes kinderen (vader was fabrieksarbeider, moeder kokkin) nam de lessen over de Franse Revolutie met enige argwaan tot zich. Reuze interessant die ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Maar voor wie precies?
Vergelijkbare vragen kwelden Markelo als ze ’s zondags in de kerk zat: waarom behandelde God sommige mensen beter dan andere, witte beter dan zwarte? Haar familie was lid van de Evangelische Broedergemeente (EBG), een protestants christelijke stroming die veel zendingswerk deed in Suriname. Vooral haar moeder was heel devoot, zoals veel Surinamers tot op heden zijn.
Markelo’s overgrootvader, James Marcus Goedhart, werd in slavernij geboren op suikerplantage Groot-Marseille. Over het dagelijks leven op de plantage werd thuis veel verteld, over slavernij ging het nooit.
Het christelijke geloof is in Suriname onlosmakelijk verbonden met slavernij en koloniale overheersing. Met witte broeders, nonnen en paters die het geloof inzetten voor de heropvoeding van ‘onbeschaafde’ inwoners van de kolonie. Van de historische wrangheid hiervan was Markelo zich vroeg bewust.
Van de ene op de andere dag stopte Markelo met kerkbezoek, zondagsschool en het kerkkoor. ‘Als dat is wat je wilt’, antwoordde haar moeder enkel.
Markelo is naar eigen zeggen als rebel geboren. ‘Leraren sloegen mij ook niet, want ik sloeg terug. Met dezelfde lap waarmee ze mij sloegen heb ik ze teruggeslagen.’ Als een van de twee interviewers daarop verbluft reageert, antwoordt ze met haar kamervullende stem: ‘Jullie denken toch niet dat ik een grap vertel? Vraag het mijn zussen maar. De zus direct onder me wendde op school altijd haar hoofd af, zo van: ik ken haar niet.’
‘Mijn wiskundeleraar, Bram Behr. Hij was lid van de Kommunistische Partij van Suriname, de man van Rita Rahman, ook een antikoloniale revolutionair. (Behr is een van de vijftien mensen die door het militaire regime van Desi Bouterse op 8 december 1982 zijn vermoord, in wat de Decembermoorden is gaan heten, red.) Gelukkig trof ik Bram, hij had zoveel boeken. Ik kwam dagelijks bij hem thuis om te lezen, naderhand spraken we samen over wat ik las.’
Markelo las er antikoloniale schrijvers en Caribische denkers. Ze las boeken van Afro-Amerikaanse auteurs als Langston Hughes en Zora Neale Hurston, die al in de jaren twintig van de vorige eeuw boeken schreven vanuit de belevingswereld van zwarte mensen. Markelo ontdekte de zwarte burgerrechtenbeweging, Black Power en het panafrikanisme van Marcus Garvey.
‘Mijn wereld werd groter. Ik kreeg een blik op het Caribisch gebied, op het ontstaan van samenlevingen zoals die in Suriname. Ik kreeg woorden voor wat ik al besefte maar eerder niet goed had kunnen benoemen: dat Moengo het toppunt van segregatie was en dat ik daarin was grootgebracht.’
Ze beschrijft hoe het stadje rond bauxietproducent Suralco (zo’n twee uur rijden van Paramaribo vlak bij de grens met Frans-Guyana) verdeeld was in een wijk met kleine huisjes voor de lagere arbeiders zoals haar vader, een wijk met grotere huizen voor de ‘maandloners’ met mts-diploma, en een afgesloten stafdorp Source: Volkskrant