Dat haar nieuwe serie Van Bahia tot Brooklyn zó persoonlijk zou worden, had Nina Jurna niet verwacht. Net als veel mensen die ze spreekt in de Cariben, voelde de geadopteerde correspondent zich altijd ontheemd. Tot ze haar geboorteakte zag. ‘Dat was mijn afslag.’
Op het moment dat Nina Jurna in tranen uitbarst, staat ze buiten beeld. De kijker van haar zevendelige VPRO-serie Van Bahia tot Brooklyn, Caribische verhalen hoort in eerste instantie alleen een lange uithaal, ergens halverwege de vierde aflevering over Curaçao. Dan zwenkt de camera terug naar de rug van de journalist en documentairemaker die staat te snikken, bij het landhuis op het verlaten en overwoekerde terrein van de voormalige plantage Knip.
‘Het bouwde op’, zegt Jurna (54) ongeveer een jaar na die opnamen op een zonnig, leeg terras in Amsterdam. Het is maandagmorgen en ze heeft een jetlag van het formaat ‘flatgebouw’, twee dagen na haar aankomst in Nederland, dagen die volstroomden met vrienden en het weerzien met haar 20-jarige dochter. Ze zegt het lachend, terwijl ze met haar vingers haar slapen masseert. ‘Maar met koffie gaat het.’
Wat ze meemaakte tijdens de reis naar Curaçao, waar Jurna als correspondent Latijns-Amerika voor NRC en voorheen RTL al ‘ontelbaar keer’ was geweest, kwam onverwacht dichtbij. Het oorspronkelijke plan, een aflevering te maken over het Papiamentu, en hoe deze eigen taal de eilandbewoners sterkt in hun zelfbewustzijn, veranderde gedurende de reis in een persoonlijker verhaal.
Het was een opeenstapeling van ontmoetingen, die stuk voor stuk raakten aan de kern van wat je in abstracte termen ‘koloniale pijn’ zou kunnen noemen, die leidden tot de tranen. Er was een lied, dat Jurna op een cassettebandje hoorde, thuis bij antropoloog Rose Mary Allen, een ‘slavenlied’. ‘Di ki manera’, zingt een broze mannenstem: ‘Zeg me hoe, hoe moeten we leven, als de zondaars van deze wereld ons zo slecht behandelen?’ Omdat het perspectief van de slaafgemaakten ontbrak in de officiële geschiedenisboeken, nam Allen in de jaren zeventig gesprekken op met Curaçaoënaars, sommigen waren al over de 100, van wie de ouders nog in slavernij hadden geleefd.
Hoe de echo van het lied doorklinkt in de huidige samenleving, ervaart Jurna tijdens twee beladen ontmoetingen op het eiland. Eerst is er een hallucinant gesprek met een welgestelde zakenvrouw die een oude plantage heeft gekocht maar geen zin heeft ‘nu nog’ bezig te zijn met de slavernijgeschiedenis van die plek. Jurna luistert en knikt.
Dan spreekt ze twee oude zwarte mannen, deelnemers aan de volksopstand in 1969, die begon als staking bij Shell maar uitmondde in een aanklacht tegen het koloniale bestel. Zij rekenen Jurna vanwege haar lichtbruine huidskleur tot de ‘witte’ elite en benadrukken dat ze de taal van de kolonisator spreekt. Weer knikt en luistert Jurna, voordat ze uitlegt dat ze er nooit echt bij hoorde in het Nederlandse dorp waar ze opgroeide vanwege haar huidskleur en donkere krulharen.
Het zijn die gesprekken, in combinatie met de stemmen uit het verleden die op de bandopname klonken, die maken dat Jurna in huilen uitbarst. Haar tranen komen pas op het westpunt van het eiland, bij plantage Knip. Daar ontketende Tula in 1795 een slavenopstand, die hij moest bekopen met een gruwelijke marteldood. Regisseur Martijn Blekendaal, ook van Caribische afkomst, loopt het beeld in en slaat een arm om Jurna heen.
‘Dat vond ik dus ook wel.’
‘Ik voelde dat die mix van culturen en geschiedenissen hier ook in mij samenkomt. Dat is een enorme rijkdom, maar voelt ook beladen.’
Ze heeft met de gedachte gespeeld de huilscène uit de serie te laten. ‘Ik vind het eigenlijk te persoonlijk, je stelt je heel kwetsbaar op. Maar ik heb ervoor gekozen de scène erin te laten, omdat ik het belangrijk vind te laten zien dat de erfenis doorwerkt, dat de pijn generaties overstijgt.’
Het plan voor een serie over het Caribisch gebied komt niet van Jurna zelf, maar van de Curaçaose filmmaker en producent Sherman de Jesus. Samen komen ze tot een opzet waarin het clichébeeld van de paradijselijke vakantiebestemming – turquoise zee, wiegende palmbomen, cocktails en strandbedjes – laag voor laag wordt afgepeld om zicht te bieden op de complexe en wrede geschiedenis van de regio, maar vooral op de verhalen van de mensen die uit die geschiedenis zijn voortgekomen. Zware, maar ook optimistische verhalen die getuigen van een nieuw zelfbewustzijn. Een vrouw die onder haar huis in Rio de Janeiro een massagraf van slaafgemaakten vindt, maar in dezelfde stad ook twee vrouwen die thuis biertjes brouwen met op het etiket een ode aan zwarte Braziliaanse heldinnen.
Nina Jurna groeit op als oudste van drie geadopteerde kinderen in Paasloo, een dorpje op de grens van Overijssel en Friesland. Na de school voor journalistiek in Zwolle gaat ze werken voor de Amsterdamse regionale zender AT5. De ontmoeting met haar Surinaams-Arubaanse biologische moeder motiveert haar als twintiger om naar Suriname te verhuizen en daar aan het werk te gaan als correspondent, in eerste instantie voor RTL, inmiddels voor NRC en NOS. Ze ontmoet er de man die later de vader van haar dochter en zoon zal worden. Als hun relatie stukloopt, verhuist ze met de kinderen naar Rio de Janeiro, de stad waar Jurna zich van alle plekken op aarde het meest thuis zegt te voelen.
Na ruim twintig jaar correspondentschap kent ze Latijns-Amerika tot in de krochten. In 2005 interviewt ze Desi Bouterse – een zeldzaamheid voor een Nederlandse journalist. Ook maakt ze reportages over de crisis in Venezuela en volgt ze de opkomst van de extreem-rechtse Braziliaanse (nu ex-)president Bolsonaro.
Dat ‘haar’ continent in de huidige vorm het resultaat is van nietsontziende Europese expansiedrift wist ze ook wel voordat ze deze serie ging maken. Want de giftige erfenis van het kolonialisme sijpelt door in haar verhalen. Jurna schrijft vaak over de macht van oude (Europese) elites of de rechten van minderbedeelde groepen die in het gedrang komen. Maar de geschiedenis daarachter blijft vaak noodgedwongen een bijzaak. Juist daarom wilde ze de reeks Van Bahia tot Brooklyn zo graag maken. ‘Maar dat het zó persoonlijk zou worden, had ik niet voorzien.’
‘Ja, ik voel dat ik onderdeel ben van een groter verhaal. Het gevoel van ontworteling, niet helemaal weten waar ik thuis ben, dat geldt voor iedereen in het Caribisch gebied. Alle mensen daar zijn ooit ergens van afgesneden, hebben een nieuwe identiteit aangenomen door de loop van de geschiedenis. De oorspronkelijke Afrikaanse en inheemse culturen zijn vernietigd, maar iets van de oorsprong heeft het overleefd.
‘In New York zei iemand tegen me dat we de drang hebben te creëren wat voor andere mensen meer vanzelfsprekend is, via muziek, taal, verhalen of op andere manieren, juist omdat we afgesneden en onderdrukt zijn geweest. Ik vond dat wel typerend.’
Jurna is niet het type journalist dat zich opstelt als alwetende expert. Ze straalt op geen enkele manier pretentie uit, niet op het terras in Amsterdam, niet in haar dagelijkse journalistieke werk en niet in de serie, waarin ze het verhaal liever laat vertellen door de mensen die ze interviewt.
In de eerste aflevering gaat ze naar Salvador, hoofdstad van de noordelijke Braziliaanse deelstaat Bahia, waar de overgrote meerderheid van de bevolking zwart is. In een meer in de stad staan zeven reusachtige beelden van orisha’s, zoals de goden in de Afro-Braziliaanse religie candomblé worden genoemd. Aan de oever raakt ze in gesprek met een oudere vrouw. ‘Je huilt veel, hè’, zegt zij tegen Jurna. ‘Je bent emotioneel en verdrietig.’
‘Zei hij dat? Mijn vader heeft zelf altijd regiewerk gedaan, dus hij bekijkt alles met die blik. Het grappige is, veel dingen zijn in zo’n serie voorgeproduceerd. Maar dit was een toevallige ontmoeting. We waren daar voor die orishabeelden en ik knoopte een praatje aan. Dat deze vrouw ingewijd was in de candomblé wisten we niet. En ook niet dat ze dit tegen me zou zeggen. Dat vond ik wel wat. Want het klopt, wat ze zei.’
‘Nou, dat huilen vond ik niet zo leuk. Dat is ook niet echt zo. Maar het klopt wel dat ik snel geraakt ben, geëmotioneerd. Ik ben trouwens blij dat ik dat heb. Ook als journalist want ik zou niet afgestompt willen raken. Ik zie het als een verantwoordelijkheid om in ieder interview, in elk gesprek, met toewijding te luisteren naar mensen. Iemand geeft zich aan je bloot, dat vind ik nogal wat.
‘Misschien zegt die vrouw tegen de volgende die bij haar komt precies hetzelfde. Dat kan. Maar ik vond het mooi. Ze zei dat ik een mooie orisha (god, red.) had. Oxun loopt met je mee, zei ze. Dus ik heb direct zo’n beeldje van Oxun gekocht. (Lacht.) Dat staat bij me thuis, je weet maar nooit, denk ik.
‘Daar blijft het bij. Ik duik niet ineens helemaal in de candomblé. Dat is niet alleen nuchterheid. Ik w Source: Volkskrant