N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Keti Koti 160 jaar geleden werd de slavernij in Suriname afgeschaft. Met de vrijheid in het vooruitzicht werden velen nog eenmaal meedogenloos tot bezit gereduceerd. Jan Pietje was getuige.
Door en .
Negen jaar lang, meer dan de helft van Jan Pietjes leven, heeft de negenkoppige Staatscommissie voor Slavenemancipatie erover vergaderd. Maar dan ligt er in 1862 eindelijk een plan. Eén: de slavernij op de Nederlandse Antillen en in Suriname wordt over op 1 juli het jaar erop afgeschaft. En twee: slaveneigenaren krijgen compensatie voor hun verlies. Voor Suriname wordt dat bedrag vastgesteld op „300 gulden voor ieder hoofd”. Slaveneigenaren die aanspraak willen maken op dat geld moeten binnen dertig dagen na publicatie van de wet hun aangifte – een borderel – in duplo indienen bij het gouvernementssecretarie in Paramaribo.
De Nederlandse Staat neemt z’n plicht jegens de gedupeerden serieus. De overheid tuigt in allerijl een zorgvuldig en toegankelijk proces op om de compensatie te claimen en zet in op een vlotte uitbetaling. De Algemene Rekenkamer controleert of het geld doelmatig en rechtmatig is uitgegeven.
Het is vanwege die zorgvuldigheid dat de 16-jarige Jan Pietje, behorend tot de boedel van een suikerplantage aan de rivier de Commewijne, in het voorjaar van 1863 als hulpje op pad wordt gestuurd met dokter Jacobus Seiler. De arts is tijdelijk toebedeeld aan een van de verificatiecommissies, die vlak voor de afschaffing moeten nagaan of de namenlijst op de borderellen exact overeenkomt met de realiteit op de plantages. De Staat compenseert immers geen overleden of weggelopen bezit en ook geen economisch waardeloze gevallen van lepra of elefantiase. Het is aan dokter Seiler om dat te beoordelen.
In acht dagen tijd bezoekt Jan Pietje met de arts en de rest van de commissie twintig plantages aan de Warappakreek. De reis maakt hem getuige van hoe de afschaffing van de slavernij op de plantages verloopt. Niet dat hij daarvoor zelf gekozen heeft. Hij heeft niks te kiezen, pas over drie maanden komt hij vrij.
Afdruk van wet ter opheffing der slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen, uit het archief van Carl Haarnack.
Heeft de jongen ooit zee gezien? Op vrijdag 20 maart bezoekt de commissie katoenplantage Esthers Rust, waar de Warappakreek uitmondt in de Atlantische Oceaan. Het gezelschap is vast per boot over de bijna tien kilometer lange kreek gekomen; die was de eeuw ervoor door slavenhanden uitgegraven om de plantages in het gebied bereikbaar te maken. Het is maart, nat en warm.
Op Esthers Rust wonen 191 mannen, vrouwen en kinderen die zijn opgegeven door de Helmondse koopmannen Arnoldus en Amandus Bots. Naast slaveneigenaar is Amandus ook Statenlid in Noord-Brabant. Toen de compensatie voor katoenplantagehouders lager dreigde uit te vallen dan voor suikerplantagehouders, wendden de broers zich rechtstreeks tot de Tweede Kamer. Het plan ging van de baan, ze krijgen het volle pond.
Naar voorschrift hebben de broers de naam, functie, leeftijd en godsdienst van alle mensen die zij als slaaf houden op het borderel genoteerd. De jongste is Christiaan, zes weken oud. De oudste is America, 73 en „rustend”, meldt het document, een ongewoon hoge leeftijd, want de meeste mensen in slavernij gaan vroeg dood van uitputting en verwaarlozing. Voor hun dood worden ze al als „oud en af” en „van weinig nut” afgeschreven.
De meeste namen op de lijst van Esthers Rust staan te boek als „veldmeid” of „veldneger” voor de katoenteelt, sommigen zijn „waschmeid”, „koewachter”, „huisbediende” of „creolenmoeder” voor de 22 peuters die als „spelend” zijn opgegeven. Er zijn 57 kinderen die moeten werken op de plantage, de meesten in „loots en fabriek”, zo ook kleuters Antje van vier en Petrus van vijf.
Is iedereen er als de commissie op vrijdag langskomt?
Nee. Bangles is weggelopen, meldt het proces-verbaal van de telling. Voor hem krijgen de eigenaren geen compensatie. Clemens is vrijverklaard: geen compensatie. Victoria van 64 die kookte voor de zieken leeft niet meer, net als dreumes Julius Joseph en kleuter Antje uit de fabriek. Maar ze stierven wel pas na indiending van het borderel, dus de broers ontvangen alsnog 300 gulden per hoofd voor de drie. Kleine Diederik is na indiening geboren: geen compensatie. Petronella is uitgeleend voor werk in Paramaribo, alwaar ze door een andere verificatiecommissie is geteld: wel compensatie. Dokter Seiler stelt geen besmettelijke ziektes vast.
Het is aannemelijk dat Jan Pietje niet overziet wat de commissie aan het doen is. Een half jaar eerder zijn overal op openbare gebouwen in heel Suriname aankondigingen van de afschaffing aangeplakt, maar uit angst voor onrust zijn in de versie in het Sranantongo alle verwijzingen naar compensatie voor eigenaren geschrapt. Die stonden alleen in de Nederlandse tekst.
Het bedrag dat de gebroeders Bots voor deze plantage krijgen is 55.800 gulden, omgerekend naar hedendaagse koopkracht meer dan 651.000 euro. In totaal krijgen de broers bijna 83.000 gulden van de staat, nu bijna een miljoen, voor hun aandelen in drie plantages, blijkt uit de tabel die NRC heeft kunnen maken op basis van het digitaliseringswerk van historicus Okke ten Hove. De uitbetaling gaat, zoals beloofd, snel. Nog geen vier maanden later, op 3 juli 1863, is het geld er al.
Koloniale verslagen van Suriname, uit het archief van Carl Haarnack.
Aan de noordkant van de Warappakreek zitten de mensen die het meest verdienen aan de emancipatie, van wie Hugh Wright met stip op nummer één staat. Op zaterdag arriveert de commissie met Jan Pietje op diens katoenplantage Badenstein.
Bijna twee jaar eerder, in de zomer van 1861, moest de Britse slavenhouder zich nog verantwoorden. Hem werd „het slaan op den 25sten junij 1861 met een stok op de hem toebehorende [..] slaven October en Macon” ten laste gelegd, waarna hij October dagen geboeid opsloot „zonder daartoe bevoegd te zijn”.
Wat was het probleem? De koloniale verslagen van de gouverneur over dat jaar geven geen sluitend antwoord. Het zal niet het slaan zelf zijn, aan wreedheid in de kolonie immers geen gebrek. Het kan zijn dat hij zich moet verantwoorden voor het gebruik van een stok, omdat alleen een zweep is toegestaan. Het kan zijn dat hij als Brit minder bevoegdheden tot straffen had. Of misschien was het omdat hij op eigen houtje strafte. Wie zijn slaaf een zware afranseling wil geven, moet dat officieel, en tegen betaling van een bedrag, aanvragen bij de procureur-generaal in Paramaribo. De maximumstraf voor een slaaf staat op 25 zweepslagen, maar tegen een meerprijs is vaak meer mogelijk – de variatie in beschreven folteringen is eindeloos. Door zelf te slaan probeerde Wright wellicht leges te ontlopen. Maar er volgde, zoals vaker, geen sanctie. Wright werd vrijgesproken „uit gebrek aan overtuiging van zijne schuld”.
Welk woord van nu past het best bij de Britse plantagehouder? Rasopportunist? Hij omzeilde de afschaffing van de slavernij in Brits-Guyana in 1834 door zich grootschalig in te kopen in Suriname. Hij heeft een gezin in Schotland en een in Suriname, met een 16-jarig meisje dat hij in bezit heeft. En als het zo uitkomt, breekt hij de regels. Zo smokkelde hij, tegen de diplomatieke betrekkingen in, kolen naar een stoomschip uit het zuiden van de VS dat in burgeroorlog verkeerde, wat hem op een woedende brief van de Amerikaanse consul kwam te staan. „For God’s sake don’t do it”, schreef die, „anders ben ik genoodzaakt me over u te beklagen in naam van de Verenigde Staten bij de gouverneur van deze kolonie.”
Wright verdient aan de emancipatie het allermeeste van iedereen: meer dan 512.700 gulden, voor aandelen in drie plantages, omgerekend naar nu bijna zes miljoen euro.
De koffie- en katoenplantages aan de Warappa-kreek behoren in die tijd tot de meest lucratieve van Suriname. Diezelfde dag nog doet de commissie plantage Frederikslust aan de andere kant van de Warappakreek aan. Eigenaar Wilhelm Eduard Rühmann staat op nummer vier. Hij krijgt 307.260 gulden voor negen ingediende borderellen, omgerekend 3,6 miljoen euro.
Administratie van “regterlijke uitspraken gedurende het jaar 1861, wegens overtredingen van de reglementen op de behandeling der slaven” uit het Koloniaal Veslag van Suriname 1861, uit het archief van Carl Haarnack.
Zondag, rustdag, geen arbeid, „noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd.” In ieder geval, zo staat het in de Heilige Schrift. Is Jan Pietje deze dag vrij? Mag hij lummelen? Is de vraag absurd?
Waarschijnlijk, maar dat is invulling, heeft de commissie afgelopen nacht geslapen op Moed en Kommer, de katoenplantage van de voorzitter van de verificatiecommissie. Voorzitter eerste luitenant Friedrich Fomm, zo blijkt uit documenten, mag z’n eigen slavenmacht tellen: 108 mensen, goed voor 32.400 gulden.
Misschien mist Jan Pietje de suikerplantage aan de Commewijne waar hij zelf woont. Misschien is zijn reis met dokter Seiler een verademing, weg van het ellendige werk „bij de fabriek”, zoals achter zijn naam staat vermeld op het borderel. Of misschien kijkt hij alleen maar uit naar de vrijheid die hem in het vooruitzicht is g Source: NRC