Home

Édouard Louis en Raoul de Jong: ‘We moeten er weer trots op durven zijn niet geliefd te zijn’

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Dubbelinterview Sinds ze iets meer dan een jaar geleden aan elkaar werden voorgesteld door hun beider Nederlandse uitgever, zijn de Franse schrijver Édouard Louis en de Nederlandse schrijver Raoul de Jong vrienden. In Louis’ appartement in Parijs praten ze over politiek in de literatuur, over schoonheid en over het belang van de autobiografie.

Édouard Louis heeft nog steeds „een trauma” van zijn eerste ontmoeting met Raoul de Jong. Het was vorig jaar, na een optreden in Rotterdam, hij was na afloop door Raoul meegenomen naar een Aziatisch restaurant in de buurt. „Maar ik was mijn portemonnee vergeten, Raoul moest me trakteren. Hij wilde dat, maar ik niet, en ik heb me daar nooit overheen kunnen zetten.”

Raoul: „Ik was dit eigenlijk vergeten.”

Lees meer in NRC Magazine #20

Édouard: „Ik voel me er nog altijd schuldig over.” Lachend: „Het is een schuld die ik tot in de eeuwigheid met me mee zal dragen.”

Die avond was Édouard Louis – literaire Franse superster, de Nederlandse vertaling van zijn roman Veranderen: methode, over zijn sociale klim, was net verschenen – geïnterviewd in het Rotterdamse debatcentrum Arminius, en van tevoren had zijn uitgever een bijeenkomst georganiseerd met mensen uit de boekenwereld. Raoul was ook uitgenodigd, zodat hij Édouard kon ontmoeten. „Onze uitgever had ons aan elkaar voorgesteld, maar ik vond het nog heel lang duren tot je bij mij kwam. Dat bewonderde ik ook: voor iedereen nam je de tijd. Dat hóéfde niet, toch deed je het. Ik had nog nooit iets van je gelezen, maar ik dacht: dit is een goed mens”, zegt Raoul. „Sorry”, hij kijkt naar Édouard, „is dit te persoonlijk?”

Ze lachen.

Raoul: „Toen kwam je bij me en vroeg je of ik ook boekhandelaar was, maar néé, ik was verdorie een prestigieus auteur van hetzelfde uitgeefhuis”, en zo raakten ze in gesprek.

„We werden meteen vrienden”, zegt Édouard Louis, aan de andere kant van de blauw-velours hoekbank in zijn Parijse appartement. „Ik dacht: misschien kunnen we na het interview samen ontsnappen. Dat deden we.”

Het appartement, boven in een rechttoe-rechtaan complex niet ver van de Périphérique, is opgeruimd, netjes. In de kasten, vensterbank en op de tafeltjes liggen sierlijke stapeltjes boeken, op de eettafel ligt niets. Édouard Louis is net terug uit Berlijn waar een theaterbewerking van zijn boek Ze hebben mijn vader vermoord werd gespeeld, en vertrekt een paar dagen later naar de VS voor een lezing. Raoul de Jong is in Parijs om bij te komen van de Boekenweek, een paar weken eerder, waarvoor hij het Boekenweekessay schreef – de week erna staat er een tour langs middelbare scholen in Suriname op de planning. Zijn boek Jaguarman, over de geschiedenis van Suriname, werd bekroond en vertaald – het kreeg onlangs grote, lovende besprekingen in Le Monde en Libération. Net als in zijn Boekenweekessay Boto Banja zoekt hij er naar de stemmen van zwarte schrijvers die verloren gingen in het geweld van de geschiedenis.

Direct aan het begin van het gesprek trekt Édouard Louis een grens. Een persoonlijk gesprek over hun vriendschap, daar gaat hij niet aan beginnen. Dat voelt „narcistisch”, zegt hij. „Tenzij de vriendschap een middel zou zijn om iets groters te zeggen.” Dus misschien kunnen Raoul en hij wel „onze gedachten over literatuur en de maatschappij tegenover elkaar zetten”.

Hun vriendschap blijkt juist een goede aanleiding om het over de grotere ideeën van de schrijvers te hebben. Beiden schrijven immers over gemarginaliseerde groepen, willen ongelijkheden blootleggen en spelen daarvoor met literaire conventies – en ze zetten hun persoonlijke verhaal in om licht te werpen op maatschappelijke systemen. Maar ze verschillen ook. Waar de boeken van Édouard Louis (30) lezen als aanklachten tegen diepgeworteld klassenverschil en daarin soms verstikkend voelen, krijgt het koloniale verleden in het werk van Raoul de Jong (39), zoon van een Surinaamse vader, een bloemrijke behandeling, met alle ruimte voor kracht, moed en vreugde.

Hij schreef acht boeken, en schrijft columns voor NRC Magazine. Hij woont in Rotterdam en Parijs.

Waar hadden jullie het over, die eerste avond?

Raoul: „Ie vroeg of ik net als jij een politieke schrijver was. En ik vertelde over de schrijver uit Martinique die misschien het voorwoord zou schrijven bij de Franse vertaling van Jaguarman.”

Édouard: „Ja, Patrick Chamoiseau. We hebben het veel over hem gehad. Hij is een van de belangrijkste Franstalige schrijvers. Hij schreef enorm belangrijke boeken over koloniaal en racistisch geweld. Toen ik die tien jaar geleden las, ik was net naar Parijs verhuisd, werd er nog erg neergekeken op politieke schrijvers.

„In Frankrijk hebben we een periode gehad met schrijvers als Marguerite Duras en natuurlijk Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Jean Genet. Maar in de jaren tachtig, negentig en begin deze eeuw was er een soort tegenbeweging, waarin politiek als minder literair werd gezien, als minderwaardig. Mensen als Patrick Chamoiseau of, op een hele andere manier, Annie Ernaux, die in hun literatuur wel weer een verbinding legden met de politieke wereld om ons heen, waren voor mij lichtjes in de duisternis. Ook omdat ze lieten zien dat alles om ons heen is gebouwd op de misdaden van het kolonialisme: het beton, de stoepen, de gebouwen, alles.”

Raoul: „Ik kende hem nog niet, dus ik ging in een boekhandel in Marseille op zoek naar zijn boeken. Een medewerker moest ze me aanwijzen achter in de winkel, op een plankje met ‘Caribische literatuur’. Net zoals mijn boeken in Nederland bij de categorie Suriname of Zuid-Amerika staan. Ik begreep dat ze in Frankrijk eenzelfde tactiek hebben om verhalen bij mensen weg te houden. Uiteindelijk heeft Chamoiseau niet het voorwoord geschreven, omdat mijn uitgever bang was dat de Franse Jaguarman dan ook op dat plankje zou belanden. Het heeft nu geen voorwoord.”

Wat antwoordde je op de vraag of je een politieke schrijver was?

Raoul: „Dat ik een boek had geschreven over slavernij op een manier die best moeilijk is om te begrijpen voor Nederlanders, omdat het niet alleen maar gaat over hoe verschrikkelijk slavernij was. Ik voelde dat jij je daarin herkende.”

Édouard: „Je vertelde dat ook je eigen verhaal erin zat, en daar was ik natuurlijk erg in geïnteresseerd. Ik denk dat de autobiografie de politieke literatuur vernieuwt. De autobiografie is altijd het genre geweest voor de onderdrukten. Daarom zijn homoseksuelen zo belangrijk in de geschiedenis van de autobiografie, kijk naar André Gide of Jean Genet. En daarom zijn vrouwen zo belangrijk in de geschiedenis van de autobiografie. Of kijk naar, op een heel ander niveau, de autobiografische memoires van slachtoffers van de Holocaust of slavernij. De autobiografie is een literatuurvorm van mensen die door de wereld werden gedwongen op de barricade te gaan staan.

„Die connectie tussen autobiografie en politieke literatuur is alleen maar duidelijker geworden. Het feit dat autobiografie niet dat reddingsvest biedt dat fictie je geeft. Mensen kunnen in een fictieve roman over de ergste misdaden en moorden lezen, en dan over de stijl en personages praten. De autobiografie biedt niet de mogelijkheid je ervan te distantiëren. Het roept vaak juist agressie op, over wat waarheid is. Of het wordt afgedaan als: tegenwoordig wil iedereen over zichzelf praten. Daarom houd ik ook van Jaguarman. Omdat het een persoonlijk verhaal is dat wordt ingezet voor een politiek gevecht. Ik herken mezelf daarin.”

Raoul: „En daarom herken ik me in jouw werk. Je gebruikt jezelf om een groter verhaal te vertellen en om iets recht te zetten. In Jaguarman citeer ik [de Surinaamse schrijver en emancipator] Papa Koenders: de vloek is het idee dat er een vloek is die de afstammelingen van mensen in slavernij nog plaagt. Jij doet dat ook: je gelooft niet in de vloek en herschrijft zo het verhaal.”

Was je je bewust van de kracht van autobiografie?

Raoul: „Ja, dat was het hele punt. Om een groter verhaal te vertellen over hoe mensen driehonderd jaar lang de hel op aarde hebben kunnen overleven en wat we daarvan kunnen leren. En om een soort tempel te bouwen voor de Surinaamse schrijvers die daarover hebben geschreven. Maar hoe doe je dat zonder dat mensen het boek na twee pagina’s wegleggen omdat het als huiswerk voelt? Ik wilde geen huiswerk voor witte mensen schrijven.”

In het Boekenweekessay schreef je dat je geëmotioneerd raakte toen je hoorde dat je het essay mocht schrijven, omdat je de kans kreeg een verhaal aan Nederland te vertellen. Waarom zou dat anders zijn dan met Jaguarman?

Raoul: „Met Jaguarman zag ik gebeuren wat er met die andere schrijvers was gebeurd. Ik hoorde van mensen uit jury’s voor boekenprijzen hoeveel moeite ze hadden om m’n boek te verdedigen. Een keer zei een juryvoorzitter tegen me: ‘Ik vond je boek lastig, want ik heb niks met het Winti-geloof.’ En toen zei ik: ‘Nou, daarom heb ik het ook geschreven. En ik heb ook Jan Wolkers en Jack Kerouac gelezen. Zij zien er heel anders uit dan ik, maar zij hebben mij ook geïnspireerd. Waarom kan dat andersom niet?’ Toen werd ze boos en hebben we de rest van de avond niet meer gepraat.

Source: NRC

Previous

Next