Home

‘Ik vroeg een keer aan mijn zenleraar: wat gebeurt er als we sterven? Hij zei: ‘I will find out when I get there. And so will you’

Irène Bakker besloot op haar 50ste zenmonnik in de Verenigde Staten te worden. Ze nam afscheid van haar kinderen en dierbaren en deed haar bezittingen weg. ‘Ik heb me zeer eenzaam gevoeld, maar juist daardoor kon ik groeien.’

Ogenschijnlijk heeft ze haar leven begin jaren tachtig keurig op orde. Met een mooi huis, drie kinderen op de antroposofische Vrije School en een huwelijk met haar jeugdliefde, inmiddels een medisch specialist. Zelf geeft ze muzieklessen, later bekwaamt ze zich tot gezins- en relatietherapeut. ‘Toch ontbrak er iets. Ik schaamde me ervoor het toe te geven, zo goed hadden we ons leven voor elkaar. Maar er knaagde iets aan me.’

Wat eraan schort, kan ze op dat moment niet doorgronden. Met haar man maakt ze deel uit van een vriendengroep van ouders van de Vrije School: ‘We wilden dieper gaan dan het voeren van ‘hoe was je vakantie?’-gesprekken.’ De contacten met een echtpaar dat dichtbij woont worden steeds intensiever, zozeer zelfs dat vonken overspringen: ‘In alle openheid. De gedachte was: onze huwelijken zijn zo goed, die zijn ertegen bestand. Dat bleek niet zo te zijn.’

Een scheiding in 1985 is het gevolg: ‘De pijnlijkste gebeurtenis uit mijn leven’, zo blikt de nu 77-jarige Irène Bakker terug. ‘Het heeft veel mensen verdriet gedaan. Gelukkig zijn mijn ex-man en ik weer goede vrienden geworden. Blijkbaar was dit voor mijn levensloop nodig. Als ik getrouwd was gebleven, had ik deze ontwikkeling nooit doorgemaakt.’

Ze doelt op haar metamorfose tot vooraanstaand zenleraar. Na haar scheiding kiest ze voor verdieping in het boeddhisme. Geleidelijk komt ze tot het inzicht dat de bron van haar onvrede ‘het ontbreken van de spirituele dimensie’ in haar leven is. Die krijgt ruim baan, culminerend in het radicale besluit zenmonnik in de Verenigde Staten te worden in 1995, op haar 50ste. ‘Ik besloot alle schepen achter me te verbranden. Ik heb met veel pijn en moeite afscheid genomen van mijn kinderen en andere dierbaren en heb al mijn bezittingen weggedaan.’

Na bijna zeven jaar keert ze terug naar Nederland, waar ze haar beginnend leraarschap via het door haar opgerichte Zen Spirit vormgeeft. Inmiddels telt die organisatie vijf sangha’s (boeddhistische gemeenschappen). Vijftienhonderd mensen ontvangen haar nieuwsbrief, velen komen af op haar retraites en workshops. Die gaan niet alleen over zenmeditatie, maar ook over de laatste levensfase met trainingen als ‘Leven met sterven’ en ‘De kracht van vergeving’. In 2012 wordt ze formeel zenleraar wanneer ze zogeheten dharmatransmissie ontvangt van de Amerikaanse zenleraar Joan Halifax, met wie zij in de VS een diepe band heeft opgebouwd. Sindsdien luistert ze naar de naam Irène Kaigetsu Kyojo Bakker en staat ze formeel in een directe ‘overdrachtslijn’ die op de historische Boeddha teruggaat – een uitzonderlijke positie, zeker voor een meisje dat in 1945 in een katholiek gezin in Amsterdam-West werd geboren.

‘Ik kom uit een veilig gezin met liefdevolle ouders die enorm hun best deden, ondanks de tegenslagen die ze hebben gekend, want een dochter overleed als baby en twee van de vijf kinderen werden met een gespleten gehemelte geboren. Die vergden veel zorg. Voor mij betekende het dat ik een voorbeeldig kind wilde zijn, zodat mijn ouders geen last van me hadden. Niet dat ik me wegcijferde, ik heb veel goede herinneringen aan ons grote gezin op een Amsterdamse bovenwoning.

‘De drukte van ons gezin droeg eraan bij dat ik het fijn vond naar de kerk te gaan; de stilte daar sprak me erg aan. Maar ik werd ook geraakt door de gewijde, sacrale sfeer, de eerbied voor het goddelijke, de geur van wierook. Ik ging er niet alleen op zondag heen, maar ook nog zo veel mogelijk naar de mis door de week. Daarmee kon je mooie plaatjes verdienen – een vorm van spiritueel materialisme, haha.

‘Mijn indrukwekkendste ervaring was buiten de kerk, toen ik een jaar of 10 was. Ik was in een speeltuin, het was aan het einde van de dag en de zon ging onder. Ik keek naar dat enorme, gouden licht en ervoer een overweldigend geluksgevoel. Ik kon dat toen nog niet benoemen, nu zie ik het als een eenheidservaring waarbij mijn ik oploste. Ik heb gemerkt dat veel mensen die zich met spiritualiteit bezighouden, door een soortgelijke ervaring in hun jeugd zijn beïnvloed.’

‘Nee, een tweede keer deed zich voor toen ik voor het eerst een zenmeditatie deed. Ik had dat nog nooit gedaan, was zelfs zo groen dat ik me erover verbaasde dat je je schoenen uit moest doen. De Amerikaanse leraar, Genpo Merzel, deed een geleide meditatie waarbij je stap voor stap je hart en je geest opent, voor alles en iedereen, uiteindelijk zelfs voor het universum. Terwijl ik die meditatie deed, kwam ik in een staat van volkomen openheid terecht. De leraar zei: ‘Als je nu je ogen opendoet, kijk dan naar het eerste wat je ziet alsof je dat nog nooit hebt gezien.’ Toeval of niet, ik keek in zijn ogen en hij in de mijne. Dat was een ervaring waar ik nog altijd geen woorden voor heb, er was alleen maar… vuur, licht, liefde, warmte. Een overweldigende energie, het is iets waar ik bijna nooit over praat, omdat ik er geen woorden voor heb. Een intens samenkomen waarbij hij niet meer die Amerikaanse meneer was en ook de notie van een op zichzelf staande Irène wegviel. Ik zag zijn ogen niet meer, het was een soort fusie, een samensmelten. Ik voelde me verbonden met alles wat is, opnieuw een eenheidservaring dus. Na afloop zei hij tegen me: ‘I know what happened, just don’t get attached to it.’ Maar natuurlijk wilde ik me er toch aan hechten, het was zo geweldig en overdonderend geweest. Dit was waar ik naar had verlangd, verbonden te zijn met wat groter is dan ikzelf en de controle van het ego loslaten.’

‘Zo’n ervaring kan inderdaad existentiële angst oproepen, zeker, want we zijn zo gehecht aan ons ego. Dat wil onze identiteit intact houden, het wil zelf overleven en doet daar alles voor. Gelukkig lukte het me om me over te kunnen geven, waardoor ik die overweldigende energie kon ervaren. Die ervaring met Genpo Merzel, die daarna 25 jaar lang mijn leraar is geweest, motiveerde me enorm op dit pad door te gaan.’

‘Ik ben koppig en geef niet gauw op. Wanneer je boeddhist wordt, wat ik in 1989 werd, doe je een gelofte: ‘Hoe eindeloos de boeddhaweg ook is, ik beloof hem ten einde te gaan.’ Je kunt nooit zeggen dat je verlicht bent of bent aangekomen. Maar je kunt wel verder komen in het zien van het grotere perspectief, in het ervaren dat alles met alles samenhangt. Ken je het beeld van het net van de hindoegod Indra? Dat stelt het universum voor als een enorm netwerk met in elke knoop een diamant, die alle andere diamanten weerspiegelt. Zodra je ergens aan dat net trekt, beweegt het elders ook, niets in de wereld bestaat op zichzelf.’

‘Ik heb me inderdaad zeer eenzaam gevoeld, miste mijn kinderen erg en voelde me enorm op mezelf teruggeworpen. Maar juist daardoor kon ik groeien en ervaren hoezeer ik met andere mensen ook in pijn verbonden ben. Hoe verdrietig ik in mijn eenzaamheid soms ook was, ik bleef een vertrouwen voelen dat ik niet uit het bestaan zou vallen.’

‘Wanneer ik werk met mensen die zich verloren in dit bestaan voelen of die hun sterfelijkheid onder ogen moeten zien, kan ik empathie en compassie voelen op een manier die ik eerder niet kon, omdat ik zelf heb ervaren hoe het is zo’n pijn te voelen.

‘Het heeft me ook vertrouwen in de processen van mensen gegeven. Vaak houd ik als leraar mijn handen op de rug. Want als ik vanuit mijn goede bedoelingen en mijn ego oplossingen ga aanbieden, ontneem ik ze de kans zelf een stap te zetten, vanuit hun eigen kracht.

‘Ik probeer mensen te leren hoe je bij groot lijden aanwezig kunt zijn, je er niet voor af te sluiten. Als je tegen je lot blijft vechten en wilt dat het anders wordt, wordt het lijden juist groter. Het is een kwestie van accepteren dat je maar weinig controle hebt, wat moeilijk is in deze maatschappij waarin mensen de illusie koesteren dat het leven maakbaar is. Ik ben ervan overtuigd dat hoe meer je in staat bent onnodige controle los te laten en kunt zijn met wat is, hoe fijner en simpeler je leven kan worden.’

‘Dat heeft te maken met het stervensproces van mijn vader in 1981. Ik heb gezien hoe mijn moeder en hij toen zo godvergeten eenzaam waren. Terwijl ze zielsveel van elkaar hielden. Mijn moeder had van de huisarts te horen gekregen dat mijn vader aan kanker zou overlijden. Zij wilde dat niet met hem delen, uit liefde, om hem te beschermen. Het was in de tijd dat mensen nog fluisterend over de ziekte ‘K’ spraken. Wij als kinderen hebben haar keuze destijds gerespecteerd.

‘Achteraf denk ik dat dat verkeerd is geweest. Inmiddels weet ik hoe verrijkend en verbindend de allerlaatste fase kan zijn, hoe jammer het is als je die niet met elkaar deelt. Natuurlijk kunnen er dan ook oude frustraties en emoties bovenkomen. Maar als je goed afscheid kunt nemen, dingen kunt uitspreken, al is het soms alleen maar ‘dankjewel’ of ‘Ik hou van jou’, gaat daar een helende kracht van uit. Heling en verzoening kunnen de laatste fase kenmerken. Voor het rouwproces erna heeft dat zeer positieve gevolgen.’

‘Ik zal nooit vergeten dat ik een keer aan mijn zenleraar vroeg: wat gebeurt er als we sterven? Hij keek me weer zo indringend aan en zei: ‘I will find out when I get there. And so will you.’ Oftewel: we weten het simpelweg niet, in zen is geboorte en dood een groot mysterie. Zelf Source: Volkskrant

Previous

Next