Ik had een camera gekocht om mijn hond mee te bespioneren. Dat leek me beter voor iedereen.
Mijn hond had, na een paar maanden ongecompliceerd samenwonen, bedacht dat ze elke keer als wij niet thuis waren, heel hard zou gaan blaffen. Ik schreef deze plotselinge verandering in haar karakterstructuur toe aan hormonen, zoals ik elke plotselinge verandering in mijn eigen karakterstructuur ook toeschrijf aan hormonen. Eigenlijk is alles in de wereld de schuld van hormonen.
Er was ook wel veel gebeurd in haar kleine, worstvormige lichaam. Ze was eerst loops, en daarna schijnzwanger. Dat is allemaal te bloederig en vervelend om uit te leggen, dus ik vat het even samen met de medische term ‘geen pretje’.
Daarna begon dat blaffen.
Dus wij oefenen. Een minuut de deur uit, een paar minuten de deur uit. Zo kon de hond weer langzaam wennen aan alleen zijn, zonder meteen te gaan blaffen. Toen dit leek te werken, kocht ik de camera. Want als ik een uur weg was, dacht ik elke keer de hele tijd: ‘Nu blaft mijn hond keihard.’ En dan zit je niet zo ontspannen, een paar kilometer verderop. Ik fietste dan hard naar huis, zwetend en vol stress, om haar volledig kalm aan te treffen.
Dus nu bespioneren wij via de camera en bijbehorende app dag en nacht de hond, tenminste, als we niet thuis zijn. Ik moet eerlijk zeggen dat dit verslavend is. Mijn hond heeft een luizenleven, of een hondenleven; ze doet niet heel veel. Ze ligt. Ze zit. Ze staart soms met een blik die verraadt dat er een hele wereld in haar omgaat, strak in de camera. Soms verdwijnt ze uit beeld. Toch is dat fascinerend.
Mijn man en ik zaten ergens te lunchen. ‘We kunnen nog even blijven zitten’, zei ik, pakte mijn telefoon erbij en klikte op de app van de camera. ‘Kijk, ze is rustig.’ De hond stond rechtop op de bank, haar voorpoten op de rugleuning, zodat ze door het raam naar buiten kon kijken. Een paar minuten later keken we weer. Ze stond nog steeds op de uitkijk, als een eenzame vissersvrouw die melancholisch naar de horizon tuurt, maar dan ruwharig.
‘Ze kijkt naar ons uit’, zei ik. Ik merkte dat ik iets sneller van mijn koffie dronk.
‘Zullen we weer even kijken?’, zei ik iets later. Ze stond er nog steeds. De microfoon van de camera registreerde nu een zacht en langgerekt gepiep. ‘Ze huilt.’
Ik fietste als een bezetene naar huis. Weer bezweet die trap op. De hond begroette me alsof er niets was gebeurd. Ik trok de stekker uit de camera. Maar niet voor lang, dat wist ik. We waren wederzijds compleet afhankelijk, maar dat is geloof ik het hele doel van een huisdier.
Source: Volkskrant