Je kunt neerbuigend doen over kaboutergedrag, lacherig wijzen naar de pietepeuterigheid. Zelf zie ik juist reden tot bewondering. In het kleine schuilt een overzichtelijkheid die zich rechtstreeks aandient en daardoor onontkoombaar is. Dit in tegenstelling tot het grote, waarbij je dikwijls eerst door een verzameling randzaken en overtolligheden heen moet ploegen voor je eens aankomt bij de kern. De directeur van het Centraal Plan Bureau, Pieter Hasekamp, heeft in elk geval niets op met kabouters, zo liet hij maandag weten tijdens een lezing in de Rode Hoed. Daar sprak hij de jaarlijkse economielezing uit voor Elsevier Weekblad, waarvan de tekst terug is te lezen op de website van het CPB.
Hasekamp ziet ons graag veranderen van een compensatiesamenleving waarin de overheid telkens de portemonnee trekt om burgers en bedrijven schadeloos te stellen, naar een investeringsmaatschappij waarin, vanuit een gedeeld toekomstperspectief en een helder begrip van publieke belangen, overheid en bedrijven werken aan het oplossen van problemen. In zijn lezing deelt hij waardevolle analyses.
Over de auteur
Ibtihal Jadib is rechter-plaatsvervanger en schrijver. Ze schrijft wekelijks een column voor de Volkskrant, die niet noodzakelijkerwijs de mening van de redactie reflecteert.
Maar dan die kabouters. Die werden er aan de puntmuts bij gesleept toen die vervelende, ondernemersziel verpletterende, productielijn verpestende kwestie ter sprake kwam: een duurzame economie. Geen favoriet onderwerp van de lezers van EW, merkte Hasekamp schuldbewust op, maar ja, ze moesten er toch doorheen. Gelukkig viel zijn boodschap mee: de directeur van het SCP vindt het een slecht idee om de nadruk te leggen op duurzaamheid, niet-materiële waarden en een eerlijke verdeling van welvaart. ‘Omdat het ingaat tegen de fundamentele behoefte van de mens om het eigen bestaan te verbeteren en zelf keuzes te maken. Van boven opgelegde krimp leidt al gauw tot een soort kaboutersocialisme, waarin een autoritaire overheid gaat voorschrijven welke auto je wel, en welke je niet mag rijden.’
Dat argument roept vragen op. Waarom is overheidsregulering autoritair, terwijl marketingstrategie vrijheid belichaamt? Over wiens vrijheid hebben we het dan? De consument kan het in elk geval niet zijn, want die is de vrijheid allang kwijt. We worden aan alle kanten verleid, bewerkt en overgehaald, en zullen zo ongeveer tot in de doodskist gepersonaliseerde advertenties van ons af moeten duwen. De beïnvloeding van consumptiegedrag is een miljardenindustrie. Als je daar een overheid tegenover zet die gezondheids- en milieubelangen onder de lawine van marketing vandaan probeert te redden, kun je toch niet spreken van autoritair beleid?
In dezelfde Rode Hoed is trouwens een paar jaar geleden het werk besproken van de filosoof Herbert Marcuse. In zijn boek De eendimensionale mens beschrijft hij de greep van de technologie op de moderne mens. Volgens Marcuse zijn we van onszelf vervreemd, omdat we niet meer toekomen aan de wezenlijke behoefte tot zelfontplooiing, aan het dragen van verantwoordelijkheid en aan vrijheid. We genieten van welvaart, maar betalen daarvoor de prijs door slaafs een technisch en economisch systeem te dienen waar met name grote ondernemingen bij gebaat zijn.
Ook Hasekamp noemt innovatie als de weg vooruit, de economie moet groeien. Hij maakt één uitzondering: we moet niet uitdijen door meer migranten toe te laten. Als we op die manier de arbeidskrapte willen oplossen, schieten we niets op, want ‘ook migranten consumeren’. Dan vindt hij een toename van consumptie ineens wel een probleem. Maar wat voor migranten geldt, geldt ook voor onszelf. We kunnen ons een slag in de rondte innoveren, maar meer consumptie zal telkens leiden tot nieuwe krapte.
Onze fundamentele behoefte om het eigen bestaan te verbeteren, werd lange tijd vervuld dankzij groei en innovatie. Inmiddels is het de groei zelf die in de weg staat van verbetering. Als we dat niet onderkennen, raken we inderdaad van onszelf vervreemd.
Source: Volkskrant