Home

Een korte geschiedenis van de ‘MacGuffin’: het nonsensobject dat in films het verhaal in beweging zet

Weleens van het mechanisme van Antikythera gehoord? De wijzerplaat van Archimedes mag je het ook noemen. Daarmee kun je op de as van ruimte en tijd een portaal zoeken dat tijdreizen mogelijk maakt – nou ja, volgens de overlevering dan. Deze analoge computer uit de Oudheid houdt het verhaal aan de gang in Indiana Jones and the Dial of Destiny (regie James Mangold), het sluitstuk van de vijfdelige succesreeks.

Iedereen wil dat ding in handen hebben. Het personage Helena Shaw (Phoebe Waller-Bridge) zou hem het liefst voor een bom duiten op de zwarte markt verkopen. De nazi’s, in de persoon van raketgeleerde Jürgen Voller (Mads Mikkelsen) en zijn hulpjes, zien de mogelijkheid om met een tijdreis de loop van de geschiedenis te veranderen, om zo het Derde Rijk alsnog de Tweede Wereldoorlog te laten winnen.

En Harrison Ford gaat als Indiana Jones met hoed en zweep juist op jacht om dit alles te voorkomen. Zoveel is hij wel verschuldigd aan zijn collega-archeoloog Basil Shaw (Toby Jones), die tot zijn dood geobsedeerd was door de wijzerplaat van Archimedes. Inderdaad, de vader van Helena. Maar zij blijkt dus (spoiler!) een dubbelspel te spelen.

Vele achtervolgingen verder vraagt de kijker zich nog steeds af: hoe werkt zo’n Antikythera dan? In de film wordt er wat over gemompeld, maar echt snappen doe je het niet. We hebben het item maar gewoon te accepteren.

Dit artefact dankt zijn naam aan de plek waar het in 1901 in een Romeins scheepswrak voor de Griekse kust werd opgedoken: het eiland Antikythera. Het item werd verplaatst naar het Nationaal Archeologisch Museum van Athene, waar het tot op de dag van vandaag wordt bestudeerd. De consensus luidt dat de Antikythera met zijn bronzen tandwielen het vroegste voorbeeld is van een analoge computer, waarmee astronomische posities en zonsverduisteringen konden worden voorspeld. Over de precieze datering van de Antikythera verschillen de meningen, maar het mechanisme stamt in elk geval uit de 1ste of 2de eeuw voor Chr.

En je stelt je zo voor: het ging dit team van liefst vier scenaristen toch vooral om het tijdreizen en het ‘wat als’-scenario. De nazi’s die in de verlenging de macht dreigen te grijpen, dat is vintage Indiana Jones, zo weten we uit de voorafgaande delen. Dat begon al in episode 1, Raiders of the Lost Ark (1981, regie Steven Spielberg), en iedere keer verzucht Indy als een terugkerende grap: ‘Nazis, I hate these guys’ – en variaties van gelijke strekking.

Klein probleem: voor dat ‘wat als’-scenario is een tijdreis noodzakelijk, maar hoe gaan we dat nu eens doen? Het kan geen sciencefiction zijn, want dat past niet bij de toon en het timbre van Indy. Het moet iets archeologisch zijn.

Speculatieve gedachte: ongetwijfeld had een van de vier scenaristen – de broertjes Jez en John-Henry Butterworth, David Koepp en regisseur Mangold – in zijn jeugd een abonnement op het populair-wetenschappelijke tijdschrift Kijk, of toch tenminste het Amerikaanse equivalent ervan, Cricket (‘Alleen voor nieuwsgierige kinderen’). Daarin heeft vast ooit een artikel over de wijzerplaat van Archimedes gestaan en nu herinnerde een van de schrijvers dat zich.

‘Bingo!’, riepen de anderen. Wat een vondst! En wat die Antikythera precies is, laten we maar in het midden. Dus krijg je in de film lekker vage teksten als die van raketgeleerde Voller: ‘Hitler heeft fouten gemaakt. En met ... DIT DING ... zal ik ze allemaal corrigeren!’

Zo wordt de voortgang van het verhaal flink geholpen. En wat we ook zeker weten: in de filmgeschiedenis staat de Antikythera niet alleen. Sterker: de kijker opzadelen met een onbegrijpelijk artefact is een gekende scenariotruc, en al helemaal bij avonturenfilms en thrillers. Binnen het vakjargon heet dat een ‘MacGuffin’, soms ook gespeld als ‘McGuffin’. Kort gezegd: een nonsensnaam voor een nonsensobject dat de zaak in beweging zet.

Het schijnt dat de Britse scenarioschrijver Angus Roy MacPhail (1903-1962) het begrip heeft gemunt. En Alfred Hitchcock, met wie MacPhail geregeld samenwerkte, kon er ook wat van. ‘In verhalen met boeven’, doceerde hij, ‘is een MacGuffin meestal een parelketting. En in het geval van een thriller zijn het doorgaans documenten.’

Al in 1935 begon Hitchcock met het idee te spelen, toen hij voor zijn spionagefilm The 39 Steps de alom begeerde blauwdruk voor een geluidloze vliegtuigmotor opvoerde. Daarna werd de MacGuffin onder regisseurs bijna een gezelschapsspel: wie heeft de leukste? Mits goed gebruikt kan de MacGuffin nog jaren mee. Zes klassieke voorbeelden.

In 1559 stuurden de Tempeliers van Malta een kostbaar kleinood naar keizer Karel V om hun respect te betuigen. Het was een gouden valk op een voetje, belegd met zeldzame diamanten. Onderweg werd het beeldje door piraten gekaapt. Dat zoekgeraakte beeldje speelt een bijrol in The Maltese Falcon, met Humphrey Bogart als privédetective Sam Spade, naar de gelijknamige misdaadroman van Dashiell Hammett.

Een fijne film noir, trouw aan het genre: vol omtrekkende bewegingen, fatale vrouwen en hardgekookte dialogen. Net als we de kluts dreigen kwijt te raken, wordt de mysterieuze ‘Fat Man’ geïntroduceerd: de arglistige Kasper Gutman (Sydney Greenstreet). Als spin in het web vertelt hij Spade over het beeldje, waarmee als bij toverslag alle losse eindjes samenkomen. Wij denken: ooo, zit het zo – maar een beetje gemakzuchtig blijft het wel om het beeldje van alles de schuld te geven.

Of, nou ja: ‘Dit is het spul waar dromen van gemaakt worden,’ verzucht Bogart als hij het waardevolle beeldje als bewijsmateriaal bij de politie inlevert. Liever had hij het willen houden. Dat had zijn smoezelige bestaan als privédetective een andere wending gegeven.

In diepste wezen is Casablanca een melodrama over de gedoemde liefde van Ilsa Lund (Ingrid Bergman) en Rick Blaine (Humphrey Bogart). Omdat zij dacht dat haar echtgenoot Victor Laszlo was gedood bij een ontsnappingspoging uit Duitse krijgsgevangenschap, begon ze een affaire in Parijs met Blaine. Nu komen de Duitsers eraan, en hij vraagt Lund mee naar de vrijplaats Casablanca te reizen. Maar die ochtend komt ze niet opdagen bij het station.

Verbitterd begint Blaine een nachtclub in Frans-Marokko. Wat hij niet weet, is dat Lund hem heeft laten zitten, omdat Laszlo nog bleek te leven. Wanneer ze later samen zijn café binnenstappen, wordt hij eerst woedend, maar wij vermoeden achter dat cynisme al een hart van goud.

Tijd voor de MacGuffin. Blaine heeft twee uitreisvisa in bewaring gekregen van Signor Ugarte, die daartoe Duitse koeriers heeft overvallen. Hij moest dat bekopen met de dood, maar in zijn kluis houdt Blaine die vrijgeleide naar Portugal en van daaruit naar Amerika geheim. Uiteindelijk zal hij ze heel altruïstisch schenken aan zijn grote liefde Ilsa en haar Victor. Mooi hoor, maar gedurende de film gaat het er constant over: waar zijn de papieren? Heeft iemand de papieren gezien? Kom op met die papieren! Tot vervelens toe.

Het lijkt erop dat de troika aan scenaristen (Julius en Philip Epstein en Howard Koch) moeite had om het verhaal aan de gang te houden. En dat kan goed kloppen, want tijdens het draaien van de film waren ze nog aan het schrijven op de set, met het zweet op hun voorhoofd. Beroemde anekdotes zijn dat, hele boeken zijn erover geschreven. Gooi er nog maar een MacGuffin in!

Vraag een filmliefhebber waarover die meesterlijke Hitchcock North by Northwest gaat, het bijna James Bond-achtige avontuur met Cary Grant, Eva Marie-Saint en James Mason, en het antwoord zal waarschijnlijk niet luiden: microfilms.

Die zijn in deze spionagethriller de MacGuffin. Ze zitten verstopt in een beeldje dat uit elkaar valt en eigenlijk doen ze er verder niet toe. Waar de film wel om draait, is persoonsverwisseling. Door een groep buitenlandse agenten wordt reclamejongen Roger Thornhill (Grant) abusievelijk aangezien voor de mysterieuze FBI-agent George Kaplan. Ze willen hem liquideren, het begin van alle verwikkelingen. Opdrachtgever is de diabolische Phillip Vandamm (James Mason), een vijand van de staat.

Het is bekend dat Hitchcock voorafgaand aan elke nieuwe film wel een paar spectaculaire scènes in zijn hoofd had, en de scenarist (in dit geval Ernest Lehman) moest die dan maar aan elkaar zien te knopen. Je hebt de scène met dat sproeivliegtuigje vol gif in de korenvelden en Cary Grant die het op een rennen zet, je hebt de scène met die spectaculaire klimpartij op Mount Rushmore, maar ze hebben weinig met elkaar te maken.

Totdat Lehman bedacht: microfilms. Geheime microfilms. Iedereen wil die microfilms. Ze staan vol staatsgeheimen, blijkt opeens, en de boeven willen die het land uit smokkelen. Ze dachten dat FBI-agent Kaplan hen op het spoor was, en daarom moest hij dood.

Zo komen die filmpjes volkomen uit de lucht vallen, maar voor de duur van de film willen we er best even in geloven – het van Hitchcock bekende principe van suspension of disbelief. Hij was de meester in het uitstellen van ongeloof bij de kijker. Flegmatiek als altijd wist hij: ach, discussie, die bewaren de kijkers maar voor de nazit. Eerst slepen we ze in de bioscoop met veel spanning door het verhaal heen. ‘Dan hebben ze geen tijd om na te denken.’

In 1989 ging Indy er ook Source: Volkskrant

Previous

Next