Home

Meneer B. was een vereenzaamde clochard, altijd fietsend op de vlucht voor de FSB

We begraven meneer B., hij werd 44 jaar. Na de dienst in de kapel van begraafplaats Sint Barbara volg ik de rolbaar over het knerpende grind van de hoofdlaan langs de praalgraven. Voorbij mr. G.B.J. Hiltermann slaan we voor de verandering niet rechtsaf, naar de goedkope sectie met graven van gemeentewege, maar linksaf.

We passeren de rustplaats van F. Starik, mijn voorganger, die de Poule des Doods in 2002 in Amsterdam introduceerde. Starik verpoost onder Belgisch hardsteen, in een fraai maar ook wat onheilspellend laantje.

Naast hem rust de eigenaar van een pizzeria. Hij schonk op zijn terras het glas bij van een crimineel toen die onder vuur werd genomen door een huurmoordenaar. De huurmoordenaar kon niet goed mikken, een veelvoorkomend probleem binnen die beroepsgroep, met dit graf als resultaat (het doelwit overleefde).

Iets verderop een bekende dj, uit het leven geschoten door nog zo’n slordige pistolero. Hij woonde in hetzelfde appartementencomplex en reed in eenzelfde soort auto als de drugscrimineel die eigenlijk moest gaan slapen, zoals de opdrachtgevers het formuleren. Dan is er nog een Ajax-fan, op zijn stèle ‘gabber’ genoemd. Aan de overzijde een rijtje Armenen, die hebben het goed met elkaar.

Over de auteur
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor dat speciaal voor de gestorvene is geschreven. Van Casteren leest de verhalen ook voor in de podcast De eenzame uitvaart.

Als er ’s nachts onderling wordt gesproken – dat stel ik me bij een begraafplaats voor, het is immers net een stad – produceren de tientallen stemmen van overleden daklozen en verslaafden uit de twee massagraven van het Amsterdamse Drugspastoraat, grenzend aan Stariks laantje, ongetwijfeld het meeste volume.

Een van hen, Anja Joos, wist postuum een soort roem te vergaren. Ze werd in 2003 doodgeslagen door supermarktmedewerkers die ten onrechte meenden dat zij bier en hondenvoer had gestolen. Er vloeide een mediahype uit voort, want het ging hier om zinloos geweld: een fenomeen, bekend van de stoeptegel met lieveheersbeestje, dat zelf een zachte dood is gestorven.

De meeste anderen, er liggen er een stuk of honderd, hebben volstrekt anoniem geleefd, in de houdgreep van hun roes. Het Drugspastoraat probeerde van alles, wist sommigen zelfs te strikken voor de jaarlijkse Lourdes-reis. Op de glazen panelen van beide monumenten zijn intrigerende namen aangebracht: Zwarte Peter, Haagse Jan, Rooie Robbie. Mijn favoriet is Wijntje Futselaar: geen pimpelende dievegge, het was haar echte naam.

Al die verslaafde lijven leveren volgens experts geen bodemverontreiniging op, daar zijn bij de naastgelegen hondentrainingsschool weleens zorgen over geweest. Tijdens hun verteringswerkzaamheden raken micro-organismen niet in hogere sferen, de afwateringsgracht rondom Sint Barbara is geen hallucinante toverdrank.

Voor een van de glazen panelen ligt wat aarde op de kop. Drugspastor Zwanine Siedenburg prevelt een gebed, enkele hulpverleners die meneer B. hebben gekend vouwen devoot de handen. De eenvoudige kist zakt met de graflift naar beneden. Om beurten werpen we een schepje zand omlaag.

Gewoonlijk weet Siedenburg een menigte bevriende mededaklozen te ronselen bij een uitvaart van het Drugspastoraat. Maar meneer B. was een vereenzaamde clochard die het op niemand had begrepen. Om toch wat glans aan de ceremonie te verlenen, heeft ze mij gevraagd een gedicht voor meneer B. te schrijven. Ik heb het in de aula voorgelezen, een ingehuurde accordeonist verzorgde de muziek.

Voor de uitvaart heb ik zo’n beetje alle hulpverleners gesproken die met meneer B. te maken hebben gehad. Ze denken dat hij oorspronkelijk uit Rusland kwam, maar niemand weet het helemaal zeker.

Vijfentwintig jaar geleden arriveerde hij in Nederland, een jongen van 19. Een andere, inmiddels overleden dakloze die aankwam in dezelfde tijd, heeft dat verklaard. Het zou kunnen kloppen, want omstreeks die tijd duikt meneer B. voor het eerst op in systemen van de hulpverlening.

Bij Amoc, een hoofdstedelijke instantie die zich ontfermt over hulpbehoevende Oost-Europeanen, heeft hij toen een document overlegd met zijn naam en geboortedatum. Of het een paspoort betrof en waar het was uitgegeven, is niet meer na te gaan. Volgens een Amoc-medewerker zei hij toen dat hem op humanitaire gronden een verblijfsvergunning was verstrekt.

Het is niet duidelijk of meneer B. dat hele stuk uit Rusland is komen fietsen, in elk geval kwam hij op een rijwiel aan in Amsterdam. Er zat een zelfgemaakte kar aan vast. De kar, afgedekt met zeil, was gevuld met reserveonderdelen die hij ergens vond of weghaalde bij het oud ijzer.

Om de loodzware kar te kunnen trekken, werd het rijwiel op creatieve wijze verstevigd, onder meer door aan de bagagedrager een voorvork te bevestigen. Wie hem voorbij zag fietsen, zou kunnen denken dat het Jean Tinguely op een van zijn kinetische kunstwerken was.

De hulpverleners wisten dat meneer B. buiten sliep, ze vreesden dat hij nog eens dood zou vriezen. Er werd op hem ingepraat, men was opgelucht toen hij zich in elk geval ’s winters meldde bij de opvang onder de parkeergarage aan de Marnixstraat, het Stoelenproject geheten. Als het daar voor hem te druk was, klom hij op het dak en spreidde daar z’n slaapzak uit.

Medewerkers van het Stoelenproject en De Kloof, een dagopvang aan de Kloveniersburgwal waar hij vanwege het wifi-signaal ook vaak kwam, herinneren hem als volstrekt eenkennig en altijd bezorgd om zijn fiets die hij met meerdere sloten vastzette. Een kromme gestalte, de capuchon over het hoofd getrokken. Hij speelde online schaak op een oude tablet, rommelde wat met gebruikte telefoons die hij eigenhandig oplapte, en sprak doorgaans geen woord.

Voedsel dat hem werd verstrekt, nam hij aan zonder het op te eten; afgezien van aardappels, waar hij kennelijk dol op was. Eenmaal liet hij in het Engels – later bleek dat hij ook prima Nederlands sprak – weten dat hij vreesde dat het voedsel was vergiftigd. Hij mompelde iets over Poetin en de FSB.

Hij leefde op instantnoedels van de Aldi, waarvoor hij een kommetje kokend water vroeg. Zoals zoveel zwervers verzamelde hij flessen voor het statiegeld, aan stelen deed hij niet.

Op een keer werd ’s nachts in de opvang een van zijn oude telefoons gepikt. Meneer B. maakte stennis, gaf te kennen dat hij nooit meer terug zou komen. Terwijl de hulpverleners juist wat greep op hem hadden; aan de zorgvuldig opgebouwde vertrouwensband dreigde een abrupt einde te komen.

Uit vrees dat hij opnieuw van de radar zou verdwijnen, werd met spoed een rechterlijke machtiging aangevraagd op grond waarvan meneer B. gedwongen kon worden opgenomen. Op de stoep voor de opvang verzamelde zich een politiemacht, met fiets en al werd hij in een arrestantenbus overgebracht naar de psychiatrische afdeling van het Academisch Medisch Centrum (AMC).

De eerste dagen leek het goed te gaan. Meneer B. liet zich verzorgen en leek zelfs bereid zich officieel te registreren. Dan zou hij een burgerservicenummer kunnen krijgen – als hem eerder inderdaad een verblijfsvergunning was verstrekt, zoals hij had beweerd.

Maar zodra de rechterlijke machtiging afliep, verdween meneer B. uit het psychiatrisch ziekenhuis. Voor hij op zijn fiets stapte, schreef hij met tandpasta ‘help me!’ op een van de ramen.

Meneer B. vertrouwde niemand meer. Vanaf dat moment sliep hij altijd buiten, ook ’s winters. Ergens in het Amsterdamse Westerpark, waar precies wist niemand. Soms fietste hij nog verder op het kinetische gevaarte, iemand zag hem in de buurt van Ruigoord in het Westelijk Havengebied.

Hij kwam alleen nog bij De Kloof en Blaka Watra, een opvang naast het Centraal Station waar ook gratis wifi is. Altijd zat hij op dezelfde plek. Om gesprekken uit de weg te gaan, zette hij een koptelefoon op. Hij schaakte op z’n tablet, maar leek ook berichten te versturen op een van de oude mobieltjes.

’s Ochtends was hij er altijd als eerste. De Kloof opent om 9 uur, meneer B. stond soms al om 8 uur met het ijzeren gevaarte op de stoep. Buurtbewoners aan de chique Kloveniersburgwal dienden regelmatig klachten in over wat zij de vuilnisfiets noemden.

In coronatijd verdween hij volledig uit beeld. Pas toen de instanties weer normaal functioneerden, dook hij op en verviel in z’n oude regelmaat. Eenmaal in de week douchte hij, tweedehands kleding die wordt verstrekt nam hij doorgaans niet aan, want hij wilde zelfredzaam zijn.

Er veranderde iets in zijn gedrag, hij werd opstandiger. In De Kloof smeet hij op een keer tot ieders verrassing een bord eten op de grond, vermoedelijk omdat er geen aardappels waren geserveerd. Het resulteerde in een schorsing, iets wat hem nooit eerder was gebeurd.

Hij begon wat meer te praten. Het klonk warrig. De FSB zat achter hem aan, Poetin had hem als lijfwacht willen rekruteren. Hij weigerde, want Poetin is het pure kwaad – daarom was hij op de vlucht geslagen. Via de telefoons en de tablet kon de FSB hem traceren, daarom veranderde hij voortdurend z’n wachtwoorden en wiste alles.

Het viel de hulpverleners op dat hij steeds geler werd. Vermoedelijk was het iets met de lever. Zijn buik nam in omvang toe, drukte op de longen. Hij hijgde als een paard, maar bleef de fiets met kar bestijgen. De Source: Volkskrant

Previous

Next